Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

GEVOELENS VOOR HET VADERLAND

Herinnering, In het nieuws
 In San Francisco waren wij ooit aanwezig bij een baseballwedstrijd tussen de San Francisco Giants en de Philadelphia Phillies. Voordat de strijd op het veld losbarstte zette een volumineuze sopraan op de werpheuvel het Amerikaanse volkslied in. Het werd op slag doodstil op de volle tribunes. Iedere toeschouwer ging staan. Mensen zetten hun baseballpet af en draaiden zich, de rechterhand op het hart, naar de Amerikaanse vlag. Slechts op het moment dat de zangeres aan het einde even flink uithaalde, werd de stilte onder het publiek onderbroken door een ondersteunend ‘yeah’. Amerikanen zijn trots op hun land en zij laten dat blijken ook.
Zoveel vaderlandsliefde is er nooit door mij gestroomd. We hebben niet eens een vlag die wij voor het vaderland kunnen uitsteken. Ik moet bekennen, dat ik de laatste jaren nog wel eens een brok in mijn keel voel als ik het Wilhelmus hoor. Maar waar zich dat voordoet, is dat denk ik een brok die er al langer zit en niet één die uit patriotisme voortkomt.
Voel ik me wel eens trots op Nederland? Is er iets waardoor ik in het buitenland met de borst vooruit ga lopen? Ik zou niet goed weten wat.
Ik vind het aardig om te horen als men in het buitenland ons koningshuis so cute vindt en de tulpen so lovely. Ik beaam het als men onze voorliefde voor baggeren en droogmalen roemt en ben het natuurlijk volkomen eens met degenen, die vinden dat dat kleine Nederland altijd zo mooi voetbal speelt. En toen ik deze week las dat de firma ten Cate uit Nijverdal, voormalig fabrikant van onderbroeken, nu de chassis voor de nieuwe Alfa Romeo gaat leveren, begon er wel degelijk iets te gloeien in me. Als ik Berlusconi weer eens tegenkom, dan zal ik zeggen: ‘Lekker puh! Dat kan Dolce & Gabbana niet. Voor je zelfbeheersing kan je je beter een stevig chassis van ten Cate laten aanmeten. Hollands fabrikaat!’
Omgekeerd komen er genoeg affaires in mij op, waarover ik in het buitenland liever geen vragen zou willen horen. Leidenaren die een pedofiel op het schavot terecht willen stellen. Geert Wilders en het  Polenmeldpunt. Srebrenica. Mocht ik daar ooit komen, dan zou ik niet weten wat te zeggen. Juist vanwege het besef, dat als ik daar zelf gediend had, ik net zo vrolijk na afloop met Karremans de polonaise had gelopen.
Het minst wil ik herinnerd worden aan ons koloniale verleden, hoe Holland rijk werd van de slavenhandel in West-Afrika en hoe kapitein Westerling zijn executies uitvoerde in de kampongs van Zuid-Celebes.
De afgelopen tijd las ik het boek Na de bevrijding van Ad van Liempt. Dat gaat onder meer over de wijze waarop de Nederlandse politiek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog geprobeerd heeft om de  macht in Nederlands-Indië te herstellen. Een onthutsende geschiedenis.
Een belangrijke reden voor het herstellen van het gezag was dat de inkomsten uit de koloniën weer op gang moesten komen. Dat het leger van 135.000 soldaten een miljoen gulden per dag kostte, geld dat niet aan de wederopbouw besteed kon worden, is een van de ongerijmdheden in deze geschiedenis. Na de verkiezingen in 1948 trok de KVP alle posities in het Indië-beleid naar zich toe. Onder de verhullende noemer politionele actie werd er een oorlog gevoerd die op tal van momenten nog voorkomen had kunnen worden. Het voortdurend wankelende kabinet kreeg het voor elkaar dat de Veiligheidsraad van de VN eensgezind een resolutie tegen Nederland aannam. Nederland werd de risee van de internationale gemeenschap en moest zich met de staart tussen de benen uit de archipel terugtrekken.
Ik zal niet verder uitweiden. Lees het boek van van Liempt. Het leest als een spannend verhaal.
Waarschuwing: lezen vergroot het risico op het verlies van vertrouwen in de politiek en kan leiden tot schaamte voor het aanzien van Nederland in de wereld.
Overigens, waarom zouden Amerikanen geen last hebben van dit soort schaamtegevoelens?
0

WEEKBLAD PANORAMA, 39stejaargang, no 29

Herinnering

Vind ik een schroefje op straat, dan raap ik het op en gooi ik het thuis in de bak met losse schroeven. En als een boterkuipje nagenoeg leeg is, dan schraap ik heel grondig en nauwkeurig de laatste resten van de wanden en de bodem, totdat er niets meer in zit. Dat komt omdat mijn ouders de oorlog meegemaakt hebben.
De Ntr zendt op vrijdagavonden Na de bevrijding uit, een documentaireserie over Nederland in de jaren na de tweede wereldoorlog. Daarin komt naar voren, dat de euforie van de bevrijding weer snel verdwenen is. Delen van het land ligggen in puin, de infrastructuur vertoont grote gebreken. Er moet hard gewerkt worden aan de wederopbouw, terwijl veel bouwmaterialen nog ontbreken. Op de akkers moeten eerst de mijnen geruimd worden.  Leren leven met schaarste is voor de meeste gezinnen de belangrijkste opgave. Aan van alles is gebrek.  Brandstoffen, zeep, voedingsmiddelen zijn op de bon. Na het Zweedse wittebrood, dat smaakte als cake, komt het grijze regeringsbrood. Verschillende initiatieven om de samenleving opnieuw in te richten op basis van harmonie en samenwerking stranden. Na enkele jaren komen de oude verzuiling en de bekende politieke tegenstellingen weer terug. Wat was de vrede mooi toen het nog oorlog was  is de typerende titel van een boek over deze periode.

Door een toeval ben ik in bezit van een origineel exemplaar van de Panorama van 18 juli 1952. Dat is de dag  waarop ik geboren ben. Ik heb deze week het exemplaar uit mijn archief gehaald (ik bewaar niet alleen schroefjes) om eens te kijken of ik iets van de tijdgeest van de jaren na de oorlog kon vinden. Panorama, nu een mannenweekblad vol misdaad, motoren en memmen, was indertijd een keurig gezinsweekblad, dat net als de Avro niet gebonden was aan een religieuze zuil.
Op de voorkant van de uitgave van 18 juli 1952 staat een tekening van Pension Zomerlust, waar de gasten vanachter de ramen vertwijfeld en teleurgesteld naar de stortregen kijken. Blijkbaar was het een slechte zomer, in ieder geval tot aan die dag.
Wat staat er zoal in deze Panorama?
      Een artikel over Amerikaanse gevangenissen waar gevangen grof geld verdienen aan de handel in goederen
      Dit was Olympia, over de geschiedenis van de Olympische Spelen
      Sprinkhanen bedreigen het Midden-Oosten
      Het ontwerp van een nieuwe brandweerauto in de Verenigde Staten
      De bezeten athleet “thuis”, over de lenigheidsoefeningen die Emile Zatopek thuis in de vestibule doet
      De United States verovert de blauwe wimpel, over een wedstrijd tussen passagiersschepen.

De artikelen worden gelardeerd met feuilletons, een strip (Sjors en Sjimmie), een fotoquiz, een pagina humor en een pagina breipatronen. Daarnaast zijn er reclames van Maggi’s tomatensoep (‘Probeer ze eens’), een ontharingsapparaat voor vrouwen (‘Eis, indien U zich zonder moeite vlug en veilig wilt ontharen: “Tak”) en Wrigley’s P.K. Chewing Gum (‘Uw volgende sigaret smaakt beter na de gezonde en verfrissende Wrigley’).
Het blad is informatief en verstrooiend en bevat veel fotomateriaal en teksten uit Amerikaanse bronnen. Het lijkt alsof met de Marshall-hulp ook de informatie en het amusement uit Amerika is meegekomen. Geen woord over politiek, maatschappelijke thema’s, wederopbouw of armoede. Dat past bij de aard van het blad. Tegelijkertijd lijkt het mij ook typerend voor de wederopbouwjaren: niet zeuren, maar spaarzaam leven en jezelf nuttig maken. Dat was de sfeer waarin ik ter wereld kwam. Daarom liep ik met een poetsdoek achter mijn moeder aan, als zij de meubels in de boenwas zette. En hielp ik mee als er van verrotte valappels een voorraad appelmoes geweckt moest worden (‘niet schieten met die ringen!’). Daarom gooi ik  nu het boterbakje, als ik het terdege uitgeschraapt heb, niet weg, maar gebruik het om etensresten in de koelkast te bewaren.
Toen ik geboren werd was de oorlog al weer ver weg. Maar hoe langer de Tweede Wereldoorlog geleden is, hoe dichter 1952 bij 1945 komt te liggen.

 

 

 
0

JONGENS MET GROEISTUIPEN

Herinnering
Er is een tijd geweest, dat ik de eerste dag van het nieuwe jaar de vreselijkste dag van het jaar vond. ‘Dan heb je net een jaar gehad, moet je weer aan een nieuw beginnen’, ging er dan door mijn hoofd. Het was eind jaren zestig, ik was 16 / 17 jaar en  zat op het gymnasium. Ik kon daar behoorlijk meekomen, had genoeg contacten, was kerngezond en had in materieel opzicht niets te klagen. Toch was in die jaren het lijden nooit ver weg.

Ik deed altijd braaf mijn huiswerk en haalde dan zesjes. Mijn beste vriend Ton deed niet aan huiswerk. Vlak voor de les begon schreef hij zonodig de vertaling of de gemaakte sommen van mij over en met repetities haalde hij achten. Als ik de tien kilometer naar huis tegen de wind in fietste, dan waaide de wind altijd een stuk harder dan als ik ’s morgens de wind mee had. Mijn puistjes waren een stuk roder en opvallender dan die van anderen en al mijn leeftijdsgenoten hadden een flux de bouche, terwijl god mij met een spraakgebrek de wereld in gestuurd had.
Ik voerde tijdens de lessen een onderbankse correspondentie op minuscule briefjes met Trees en Hannie, maar was ik op een feestje, dan durfde ik niet op een meisje af te stappen en bleef ik de hele avond op dezelfde stoel zitten.  Na afloop bedankte ik dan met veel gestotter de moeder van het vriendje voor de ‘fijne avond’.
Kortom, ik had in die jaren het gevoel dat de hele wereld tegen mij was en dat anderen het altijd veel beter hadden dan ik.

We kregen aardrijkskundeles van een jonge leraar die moeilijk orde kon houden. Tijdens zo’n les, waarin de hele klas zat te keuvelen, het huiswerk voor de volgende les werd uitgewisseld en met de boterham in de hand spelletjes werden gedaan, viel de leraar tegen mij uit.
‘Nu is het genoeg met dat geklets, van Dijk, ga jij je maar bij de conrector melden’.
Blijkbaar was het zijn tactiek om de orde te herstellen door één leerling de les uit te sturen.
‘Hè, waarom ik?’, riep ik vanaf de achterste bank, ‘iedereen zit toch te kletsen!’.
Als ik boos werd, kon ik vaak opeens vloeiend spreken.
‘Van Dijk, pak je spullen en ga de klas uit’, sprak de jonge leraar elk woord beklemtonend.
Ik vond dit het toppunt van onrechtvaardigheid en een volgend bewijs dat de wereld tegen mij was.  Mijn boosheid groeide naar een hoogtepunt.
‘Ik ben toch niet de enige’, schreeuwde ik, ‘ouwe lul!’.
Na deze laatste woorden werd het doodstil in de klas. Iedereen voelde dat deze aanvaring buitengewoon uit de hand aan het lopen was. Het leek alsof mijn laatste woorden nog door de stille klas echoden. De leraar keek eerst verbouwereerd en siste toen met ingehouden woede dat ik mij direct uit de klas uit diende te verwijderen en dat hij mij voorlopig niet meer wilde zien.
Nog geheel vervuld van het onrecht dat mij was aangedaan klopte ik aan bij de conrector. Hij droeg mij op om in een leeg lokaal twee hoofdstukken aardrijkskunde in mijn kop te stampen. Toen later die middag de dialoog tussen de aardrijkskundeleraar en mij tot hem gekomen was, werd ik opnieuw bij hem geroepen. Ik verdedigde me door te zeggen, dat ik ‘flauwe kul’ geroepen had. Het mocht niet baten. Men nam de zaak zeer ernstig op. Ik werd voor drie dagen geschorst.

In dit nieuwe jaar staan de kranten bol van de artikelen over jongens die overlast bezorgen, auto’s in de fik steken en vuurwerk naar de politie gooien. In opiniërende artikelen vragen schrijvers zich af, wat er misgaat met de opvoeding van jongens.
Volwassen worden gaat niet vanzelf.
Overigens kan je ook op latere leeftijd last hebben van groeistuipen.

 

 
0

IT’S NOW OR NEVER

Herinnering, Muziek
Sommige dingen moet je eenmaal in je leven doen, ook al voel je er aanvankelijk niet zoveel voor. Campari drinken bijvoorbeeld. Dat kon ik op mijn 21e afvinken. Mijn snor laten staan deed ik een paar jaar later, in jeugdige onbevangenheid. Maar het zou nog tot mijn veertigste duren voor ik mij aan karaoke waagde. Met onverwachte gevolgen.
We kampeerden met onze nog jonge kinderen op een kasteelcamping in Bretagne. De kinderen wilden graag naar een karaoke-avond. ‘Ik ga wel met jullie mee’, zei ik, ‘maar ik ga niet zingen’ voegde ik er resoluut aan toe.
Het evenement vond plaats in een grote, rechthoekige zaal van het landhuis, dat bij de camping hoorde. Aan alle vier de zijden stonden tafels en stoelen opgesteld. In de lege ruimte in het midden waren een televisiescherm, een recorder en een microfoon geplaatst. De avond werd ons aangeboden door pastisbrouwer Ricard. Een goed gebruinde jongeman met de naam van de firma op zijn shirt verwelkomde ons met een brede glimlach. Hij deelde een lijst uit met liedjes die gezongen konden worden. Deze zag er uit als de menukaart van een jukebox met nummers als A 151 en B 212. De zaal was goed gevuld met campinggasten, vooral jongeren en moeders met kinderen. Blijkbaar was dit geen festijn voor vaders.
De animo om te zingen bleek aanvankelijk niet zo groot, zodat de Ricard-man zelf de eerste nummers voor zijn rekening nam. Het ijs werd gebroken door een jonge vrouw, die na Tous les garçons et les filles de mon age van Françoise Hardy luid werd toegejuicht. Daarna volgden meer gasten. Ze zongen staccato en soms te snel de regels die op het scherm verschenen. Na afloop kreeg iedere zanger een miniflesje Ricard, een aansteker of een pet van Ricard mee.
‘Als jij iets zou zingen, welk lied zou jij dan uitkiezen?’, vroeg zoon E. Ik liet mijn blik langs de nummers glijden. ‘All my loving’, denk ik. Het begon te kriebelen bij mij. Dat zingen moest toch niet zo moeilijk zijn.
‘Je gaat toch niet echt meedoen?’, vroeg A, de andere zoon. Het was mij niet duidelijk of dit hem met zorg of bewondering vervulde.
Toen het een paar ogenblikken duurde voordat de volgende zanger zich aandiende, stond ik op en stapte met bonzend hart de lege ruimte in. De microfoon die de Ricard-man mij gaf voelde zwaar aan. Hij startte het apparaat. All my loving begint zonder intro, dus voor Close your eyes and I’ll kiss you  was ik te laat. Daarna kwam ik er snel in.
‘Olluh mai lovingk, c’est formidable’, kraaide de presentator na afloop in de microfoon, terwijl hij me een aansteker en een flesje meegaf.
In de pauze kwam er een kleine vrouw op mij af. Verlegen vroeg ze of ik samen met haar iets wilde zingen. ‘Bien sur’, antwoordde ik, ‘quel numéro’. Ze wees op Da doo ron ron. ‘Okay, à bientôt’.
‘Je gaat toch niet met haar zingen’, vroeg A ontsteld. ‘Die vrouw kan helemaal niet zingen, dat zie je zo’.
Even later stond ik met de française in het midden. Ze tuurde geconcentreerd naar het scherm, bang om een fout te maken. Ik vond het al zo vanzelfsprekend gaan, dat ik rustig om mij heen keek.
Niet lang daarna stond er opnieuw een vrouw voor me.
‘Voulez-vous chanter avec moi?’, was haar vraag. Het ontbrak er nog aan dat ze ce soir aan haar vraag toevoegde. Ze zag er prachtig uit. Ze had wat weg van zangeres Vicky Leandros (Ich hab’die Liebe gesehen beim ersten Blick in deinen Augen). Ooit hadden mijn huisgenoten op de studentenflat tegen mij gezegd, dat ik met die woorden naar Vicky Leandros keek.
Ik liet genereus de keuze van het lied aan de franse vrouw over. Het werd It’s now or never.
‘Eh voilà, un autre couple, un autre duo’, kondigde circusdirecteur Ricard aan.
It’s now or never, come hold me tight. Kiss me my darling, be mine tonight. We klonken prachtig samen door de zaal. Ik keek de française niet veel aan. Ik wilde voorkomen, dat ze de woorden letterlijk zou opvatten. Of kwam die gedachte alleen in mijn hoofd op? Ik twijfelde of ik na afloop haar zou zoenen. Ze glimlachte toen we elkaar een hand gaven.
Ik keerde met flesjes en aanstekers terug bij ons tafeltje. Daarna moest ik een volgende vrouw teleurstellen. De Ricard-man vond het welletjes. In de drukte bij het verlaten van de zaal zocht ik Vicky Leandros. Ik zag haar nergens meer. 
Teruglopend naar de tent waren mijn zoontjes het niet eens over de verdeling van de flesjes en de aanstekers. Eén flesje was bovendien al aangebroken – rara, wie had dat gedaan?
Ik stond weer met beide benen op de grond.
 
 
 
 
 
0

EEN KWESTIE VAN CENTEN

Herinnering
In de nazomer van 1970 reed ik op een zondagavond met mijn blauwe Tomos van het ouderlijk huis in Vleuten naar mijn studentenkamer in Utrecht. De avondlucht voelde aangenaam fris. Achter mij in het westen verdween het laatste licht. De lantaarnpalen waren ontstoken.
Halverwege werd ik aangehouden door twee agenten.
Of ik wel wist, dat mijn achterlicht het niet deed. En of ik besefte in welke gevaren ik mij begaf. ‘U bent daarmee in overtreding’.
Dat ‘u’ vond ik raar klinken. Beide mannen waren veel ouder dan ik. Ik raakte bovendien geïrriteerd, want ik vreesde een bekeuring. Met de belofte, dat ik het licht de volgende dag direct zou herstellen en dat ik bereid was om dit op het bureau te laten controleren, probeerde ik het onheil te voorkomen.
Zij keken mij vanonder hun pet vastberaden aan. Een van hen pakte zijn bonboekje.
‘Komt u het morgen maar even laten zien, dan kunt u gelijk uw bekeuring van vijf gulden afrekenen.’
Ik moest mij beheersen om niet uit te vallen.
Als 18-jarige vond ik het in hoge mate onrechtvaardig dat ik moest boeten voor iets waarvan ik geen weet had. Daarnaast was ik van mening, dat er voor de politie op zondagavond wel betere dingen te doen waren dan het bekeuren van arme studentjes. Ik stond hierbij in een familietraditie. Het dorpsblad in Vleuten had ooit een ingezonden brief van mijn broer gepubliceerd, waarin hij kritiek had geuit op het functioneren van de politie. Dat was aanleiding geweest voor een corrigerend gesprek in onze huiskamer. Ik veronderstelde dat mijn ouders een herhaling niet op prijs zouden stellen.
Toen de agent uitgeschreven was, pakte ik zonder iets te zeggen de bon aan.
Ik zon op wraak.
De volgende dag wisselde ik op het postkantoor vijf gulden om in vijfhonderd centen, keurig verpakt in twintig papieren rolletjes van vijfentwintig centen elk. Ik vouwde de rolletjes open en deed alle munten bij elkaar in een plastic zakje. Met dat gewichtige bedrag in mijn jaszak ging ik op weg naar het politiebureau.
Ik werd in een kleine ruimte ontvangen door een blonde agent. Hij zat in zijn blauwe uniformoverhemd achter een bureau. Zonder pet zag hij er uiterst vriendelijk uit. Ik overhandigde hem de bekeuring en het zakje met de vijfhonderd centen. Zijn gezicht betrok.
‘Dus u wilt uw boete in eh…..centen afrekenen?’. Ongeloof en verontwaardiging streden bij hem om voorrang. Na enkele tellen stond hij zonder iets te zeggen op en verdween door een deur achter hem.
Ik ging zitten op een van de stoelen langs de wand van het kleine kantoor. Aan de wand hingen opsporingsposters en een kaart van de gemeente. Mijn hart bonsde. Een wandklok tikte.
De deur achter het bureau zwaaide weer open. Er kwam een oudere agent binnen, gevolgd door de blonde  collega. ‘Ik heb gehoord dat u uw boete hiermee wilt afrekenen’. Hij hield het zakje tussen duim en wijsvinger omhoog, alsof er een nog warme drol in zat. ‘Dat kan in Nederland niet. Volgens de regels mag je je boete maar met een beperkt aantal centen, dubbeltjes enz. voldoen.’ Hij keek me strak aan. Hij had zware wenkbrauwen, waar aan beide kanten een paar langere haren uitsprongen. Hij zag eruit als een conrector die niet van plan was om met zich te laten sollen.
Ik had nog nooit van regels voor het betalen van een boete gehoord. Ik geloofde er niets van.
‘Volgens mij is een cent nog altijd een wettig betaalmiddel. Mag ik…’
Ik wilde vragen waar ik die regels zou kunnen vinden, maar de agent was me voor.
‘Dat klopt, maar’, zijn toon werd nu harder en venijniger, hij sprak elk woord langzaam uit alsof ik doof was, ‘ik heb u net uitgelegd, dat u niet op deze wijze uw boete kunt voldoen, zo zijn de regels’. Hij reikte mij de zak met centen aan.
Ik kreeg sterk de indruk dat ik er beter aan deed het Bevoegd Gezag niet verder te irriteren. Ik hield mijn vraag voor me, haalde mijn portemonnee uit mijn kontzak en overhandigde een briefje van vijf gulden. Buiten voor het raam liet ik mijn Tomos nog een tijdje luidruchtig stationair draaien.
Die avond zat ik op mijn kamertje de centen te verdelen in hoopjes van vijfentwintig. De papiertjes waarin de centen waren geleverd had ik bewaard. Het kostte me de nodige moeite om er weer strak verpakte rolletjes van te maken. Ik hoopte maar dat ik bij teruggave op het postkantoor niet dezelfde kassière zou ontmoeten.
 
 
 
0

DON’T STOP

Herinnering
De popgroep Fleetwood Mac is weer bij elkaar. Onlangs was er een optreden in het Ziggo Dome in Arnhem. Ik hoorde een dag ervoor een overjarige fan in het Radio 1 Journaal die  ‘helemaal gek’ werd van het vooruitzicht van het concert.
Gisteravond zag ik op tv een documentaire over Rumours, het legendarische album uit 1977 waaraan Fleetwood Mac zijn roem te danken heeft. Tijdens de opnamen van de elpee lagen de twee stellen binnen de band in scheiding. Dat kan mooie muziek voortbrengen. Bill Clinton gebruikte in 1992 het nummer Don’t stop in de verkiezingscampagne, waarmee hij de populaire president George Bush sr. versloeg.
Rumours  was een van mijn favoriete elpees aan het eind van de zeventiger jaren. Ik danste vaak op Don’t stop door mijn studentenkamer aan de Oude Kamp. Verder zie ik beelden voor me van een groot feest in een duister Nijmeegs kraakcomplex, waar het nummer de hit van de nacht was.

Maar het meest blijft Don’t stop voor mij verbonden met een avond eind maart 1981 in Ons Centrum in Driebergen. Demosthenes, de nederlandse vereniging van stotteraars, vierde dat weekend het 25-jarig bestaan. De zaterdagavond was gereserveerd voor een feestelijk samenzijn. Enkele maanden  tevoren hadden Jules van der Staaij, Elisabeth Fetter en ik de koppen bij elkaar gestoken. Het leek ons een goed idee om de ernst van de Demosthenesleden, die immer op zoek zijn naar het einde van eigen en andermans ellende, te doorbreken met wat cabareteske humor en zelfkritiek.
De voorbereiding werd één uitbarsting van creativiteit. Binnen korte tijd schreven we een programma van meer dan een uur bij elkaar. Hoewel geen van ons drieën ervaring had met cabaret, schroomden we niet om al onze bedenksels op het toneel uit te voeren. We geloofden in wat we bedacht hadden.
De voorstelling sloeg in als een bom. De honderd aanwezigen bleven tot het einde geboeid.
Die avond ervaarde ik voor het eerst hoe het is om op te treden.

De aanvankelijke bedoeling om eenmalig een uitvoering te geven bleek niet houdbaar. Al snel werden we voor meer optredens gevraagd. Er kwam belangstelling van de pers, want stotteraars die cabaret maken is nieuws. Er werd een film gemaakt over stotteren, waarin ons cabaret, inmiddels Groen en Geel genaamd, de hoofdrol speelde. Er volgden radio- en tv-optredens. We gingen over de grens naar Belgie en voerden voor een duits gezelschap een vertaalde versie van ons programma uit.
‘Is dat nu niet eng om als stotteraar op het toneel te staan?’, was een vraag die we vaak kregen voorgelegd. De crux van het succes, was dat een optreden minder angst inboezemde dan het bestellen van een brood bij de bakker. Stotteren hoorde bij het optreden, stotteren mocht. En als het mag, dan ben je er niet bang voor en dan stotter je bijna niet. Het meeste gestotter op het toneel was, paradoxaal genoeg, nagemaakt. Dat was de reden voor de jury van het cabaretfestival Valt er nog wat te lachen, onder leiding van Hans van Willigenburg, om ons in de finale slechts een vierde plaats toe te kennen. Groen en Geel zou het elf jaar volhouden.
Terug naar maart 1981. We speelden onze emoties uit, we werden geïnspireerd door onze ervaringen. Zo zongen we onszelf moed toe op de melodie van Don’t Stop van Fleetwood Mac en op een tekst van Elisabeth:

Als je vindt, dat je niet perfect bent
Als je altijd naar anderen kijkt
Als je loenst, stottert of hinkt
Als je zielig bent en oh zo zeikt
Refrein:
Weg, weg, weg met die bezwaren
Weg, weg, weg met die flauwekul
Probeer nu eens moed te vergaren
Schijt aan alles, je bent geen nul.

Daarna nam Jules op de piano de gitaarsolo van Lindsey Buckingham over.
Don’t stop is een mooi adagium voor stotteraars. Je kunt het motto op twee manieren opvatten.

Met dank aan Fleetwood Mac.

0

TUSSENPERSOON

Herinnering
 
We schrijven de eerste helft van de jaren negentig. De economie groeit enorm. In de Tweede Kamer stelt Wim Kok voor om de wave in te zetten. De beurskoersen vestigen het ene record na het andere. Financiele dienstverleners bieden lease spaarplannen en winstverdriedubbelaars. Banken maken overuren in het verlenen van tweede hypotheken. Van het geleende geld koop je aandelen waarmee je tenminste 12% winst maakt. De overheid betaalt een deel van de rentekosten. Wie daar niet aan mee doet is een dief van zijn portemonnee.
Het was in die omstandigheden dat wij bezoek kregen van een financieel dienstverlener. Hij kwam ons de voordelen van een koopsompolis uitleggen. Het was een keurige man van in de veertig. Een opzichtige gele stropdas sprong uit zijn strakke pak naar voren (‘wie niet waagt, die niet wint’). Daarnaast had hij een wolk deodorant om zich heenhangen, die zijn weerga niet kende. Soms, wanneer ik bij de hoek van de bank sta, waar de man twintig jaren geleden zat, verbeeld ik mij, dat ik nog steeds zijn geur ruik.
De tussenpersoon had allerlei berekeningen meegenomen, die hij opgewekt en in rap tempo met ons doornam. Ik kon niet alles volgen, maar dat maakte niets uit. Het verhaal was eigenlijk heel simpel. De aanschaf van een koopsompolis of lijfrente kende alleen maar voordelen. Je spaarde een mooi bedrag voor later. Over je gespaarde geld hoefde je geen belasting te betalen. Sterker nog, de fiscus betaalde de helft mee. En het eindbedrag zag er woest aantrekkelijk uit.
Wij houden niet zo van gladde verkooppraatjes, maar toen onze verkoper in persoon verdwenen was en de deodorantgeur zich in hoog tempo door het gehele huis verspreidde, keken G en ik elkaar eens aan en trokken onze conclusies. Sparen is goed, dat wisten we. De fiscus betaalt mee, dus dat was meegenomen. De oude dag was nog ver weg, maar wie weet zouden onze kinderen over zoveel jaar wel wat extra’s kunnen gebruiken. We hakten de knoop door en kochten de polis.
En zo geschiedde.
De jaren verstreken, het financieel adviesbureau werd overgenomen, de tussenpersonen wisselden in hoog tempo. Elk jaar maakten we onze bijdrage over. Na zo’n 8 jaar maakte de overheid een einde aan het belastingvoordeel. Jammer natuurlijk, maar wie A zegt, moet ook B zeggen.
Dit voorjaar ontving ik een brief dat de datum nabij was, waarop het bedrag wegens expiratie beschikbaar zou komen.
Nu word ik vaak blij als er een bijzondere datum in aantocht is. Aan zo’n datum is altijd wel iets moois te ontdekken. Het is net als met de tegeltjeswijsheid Bezoek brengt altijd vreugde aan, is het niet bij het komen, dan wel bij het gaan.Ik worstelde mij door twaalf pagina’s uitleg heen en begreep dat de koopsompolis zijn laatste adem had uitgeblazen. Er waren voor mij tal van mogelijkheden om met het gespaarde bedrag weer andere, nog mooiere financiele producten te kopen.
Het leek mij tijd om de telefoon te pakken.
Waarschijnlijk zal er destijds bij de aanschaf van de koopsompolis in de kleine lettertjes wel iets gestaan hebben over de condities waaronder het geld zou worden uitgekeerd. En wellicht, je weet het maar nooit, zal onze geparfumeerde stropdas in een bijzin nog wel iets onverstaanbaars daarover hebben gemompeld. Hoe dan ook, tijdens het telefoongesprek kwam de ware gedaante van de koopsompolis tevoorschijn. Pas na mijn pensioen wordt het gespaarde geld in termijnen uitgekeerd, waarover ik dan alle denkbare sociale lasten betaal. Zo’n 40% van mijn spaargeld gaat dan weer in rook op.
Ik kon het mijn nieuwe tussenpersoon niet kwalijk nemen. Hij vroeg nog of ik verder advies van hem wilde. Heel even had ik de neiging om alles maar uit mijn handen te laten vallen en te zeggen: ‘zoekt u het zelf maar uit’!  Maar ver weg hoorde ik de stem van mijn moeder: ‘je moet je verstand gebruiken’ en dus bedankte ik beleefd voor zijn verdere ondersteuning. Een week later viel er wegens bemiddelingskosten een rekening van 225 euro op mijn mat. Zo gaat dat met tussenpersonen. Daar kopen ze gele stropdassen van.
Ik sprak mezelf toe: verman je! Neem je verlies en ga lekker genieten van het bedrag dat nu op je lijfrentespaarrekening staat.
Dat was een maand geleden. Nog steeds staat er 0.00 euro op mijn nieuw geopende rekening. Het bedrag is nog niet aangekomen. Verzekeringsmaatschappij ASR (ik hoef hier geen namen te verdoezelen) heeft het bedrag naar een verkeerde rekening bij ASR Bank overgemaakt.
Gelukkig heb ik nog een tussenpersoon.
——
Eind deze week ga ik met vakantie. In augustus volg ik nog een zangweek in Tsjechië.
In de loop van die maand pak ik mijn weblog weer op.
Eenieder een hele goede zomer toegewenst!
 
 
 
 
0

TWEEDE KANS

Herinnering

Ze zitten er weer. In een bocht langs de Vecht. Aan het Hoge Kampse pad. Langs vaarten in de polder. Mannen, van jong tot oud, in camouflagekleding of in het legergroen, achter of onder een grote paraplu, met hun rug naar de weg gekeerd. Sommigen hebben een tent meegenomen. Ze zitten daar urenlang in het veld, de koelbox met het bier naast de tuinstoel. Ze zitten daar maar en lijken tevreden. Ze staren naar hun dobber.
Er zijn 2 miljoen sportvissers in Nederland, waaronder bijna 300.000 vrouwen, zo is te lezen op sportvisserijnederland.nl. Zelf heb ik helemaal niets met de hengelsport. Ik hou van buiten zijn en van de natuur. Ook waterkanten kunnen mij nog wel bekoren. Maar dat stilzitten en voor je uitstaren, dat afwachten tot er iets gebeurt, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd.
Ik heb het ooit eens geprobeerd. Als kind had ik zo’n meterslange bamboehengel voor mijn verjaardag cadeau gekregen. Een gegeven paard kijk je niet in de bek, dus zo stond ik enkele dagen later langs de Vleutense wetering ingespannen te spieden of het roodwitte dobbertje al naar beneden getrokken werd. Ik had een flink bolletje natgemaakt witbrood aan het haakje gedraaid. Ongeduldig haalde ik regelmatig mijn lijn op om te constateren dat het aas er afgevallen was of door een slimme vis er afgesnoept.
Ik ving geen enkele vis, zodat ik na een half uur besloot, dat dat stilstaan en staren niets voor mij was. Ik moest bewegen, hollen, voetballen, in bomen klimmen. Mijn Ome Ries had me ooit de bijnaam Albert de Eekhoorn gegeven. Dat was niet omdat ik zo van beukennoten hield.
Sommige ouders willen dat hun kinderen bereiken wat hen zelf nooit is gelukt. Maar dat was niet de reden dat wij een hengel voor onze kinderen kochten. We stonden op een camping in Frankrijk, langs een traag stromende rivier. Er zaten veel kinderen te vissen langs de waterkant, er werd nog wel eens een visje van 6 centimeter naar boven gehaald, dus de uitdaging lag er.
Familiegeschiedenissen herhalen zich vaak. Je ziet het bij alcoholisten en bij burgemeesters. Blijkbaar geldt het ook voor de hengelsport. Na een uurtje vruchteloos vissen gaven onze kinderen er de brui aan.

Een paar jaar later kwam er een tweede kans. En tweede kansen moet je niet laten liggen. We waren opnieuw aan het kamperen, ditmaal in Zweden, aan een meer. De camping beschikte over een fiskecamp. Men had vis gekweekt in een klein, afgezet deel van het meer. Je hoefde er bij wijze van spreken maar een lijntje in te gooien of je haalde er een forel uit. Regelmatig zagen we vaders met kinderen trots met een flinke vis over de camping paraderen. ’s Avonds kwam de geur van gebakken forel je van alle kanten tegemoet. Kortom, dat vissen moesten we toch ook maar eens proberen.
We huurden een werphengel in de campingwinkel bij een aardige zweed, die naar alcohol rook. Dat we naast de huur van de hengel ook nog 9 gulden zouden moeten betalen voor elke gevangen kilo forel, was even een tegenvaller, maar dat namen we maar voor lief. Het was immers een mooie avond, de zon scheen nog volop. Het was echt zo’n avond dat je voelt dat alles gaat lukken.
In het fiskecamp aangekomen beseften we dat we geen gebruiksaanwijzing van de werphengel hadden. Niemand van ons had ervaring met zo’n apparaat. ‘Laat mij eens even’, zei echtgenoot G onverschrokken. Als je je kinderen wat wil leren, moet je immers niet te aarzelend doen. Ze rommelde wat met het rolmechaniek, haalde haar arm omhoog en naar achteren en wierp met een forse zwaai de lijn in het water.
Een fractie van een seconde later keken we elkaar verbouwereerd aan. G had enkel nog het handvat in haar hand. De complete hengel was drie meter bij ons vandaan in het meer terechtgekomen. De werphengel had zijn naam eer aangedaan.
Het oranje licht van de zon werd speels weerkaatst door de licht kabbelende golfjes van het Frykenmeer. De dennenbomen aan de oever stonden te stralen in hun groene pracht en de zachte wind woei aangenaam warm, toen wij de werphengel uiterst langzaam onder het wateroppervlak zagen verdwijnen.
Het vissen kon nu echt een aanvang nemen. De vraag was nog wel, wat gevangen werphengel per kilo zou doen bij onze benevelde vriend.

0

ZIEKENHUISNACHTEN

Herinnering

Als ik champignons klaarmaak, denk ik altijd aan de Limburgse champignonkweker met wie ik een etmaal op een kamer lag in het Sankt Vinzenz Krankenhaus in Zams, Oostenrijk.
Ik lag driehoog op de Afdeling Unfälle Männer. De meeste Omgevallen Mannen kwamen, net als ik,  van de vele skipistes in de wijde omgeving. Elk uur werden nieuwe Verletzte aangevoerd, ik zag de helikopters landen voor mijn raam.
Tegenover mij lag een jonge Duitse manager, een evenbeeld van Ronald Koeman. Zijn kniebanden waren op de piste afgescheurd. Naast mij lag M, een oude man uit het nabijgelegen Landeck. Hij was met zijn hoofd op de plavuizen van de keukenvloer gevallen. Daarnaast had hij stoflongen, omdat hij de kost had verdiend met het boren van tunnels.
Op vrijdagmorgen werd de champignonkweker binnengebracht. Hij had zijn skipak en zijn skischoenen nog aan. Hij had pijn aan een arm en een schouder en hij was duizelig. Uit foto’s was gebleken dat er niets gebroken was. Hij wilde daarom terug naar zijn familie en zijn appartement. Herr Doktor wilde echter nog een dag een oogje in het zeil houden. Dat zeiden tenminste de verpleegkundigen, want Herr Doktor zelf vertoonde zich niet.
De kweker drentelde wat om zijn bed heen, lachte eens naar ons, brekebenen, en ging uiteindelijk toch maar even op het bed liggen, dat twee Pflegerinnen zojuist routineus voor hem hadden opgemaakt. Hij dacht er nog juist aan om zijn skischoenen uit te doen.
Ik begreep wel waarom hij nog een dag in het Krankenhaus moest blijven. Toevallig had een duits journaal een paar dagen eerder een reportage uitgezonden over de oostenrijkse hulpindustrie. De hulp aan skigewonden is, zo werd verteld, perfect georganiseerd. Met de helicoptervluchten, ambulancetochten en ziekenhuisopnamen wordt een goede boterham verdiend. Vooral de Nederlanders worden goed verzorgd, ‘want die zijn het beste verzekerd’. 
De champignonkweker belde met zijn familie. Verbazing en teleurstelling over zijn opname streden om voorrang. Na een uur deed hij zijn skipak maar uit, ging in bed liggen en nam de medicijnen die gedistribueerd waren. In no time was hij gehospitaliseerd. Voor hem niet leuk, voor ons, zo zou later blijken, evenmin.

Een verpleegkundige vroeg mij op luide toon voor de tweede keer die dag naar mijn Stuhlgang. Zij vroeg dat alleen aan  mij. Dat vond ik wat vreemd. ‘Nein, noch nicht’, antwoordde ik schuldbewust. Ik vreesde het moment dat de vraag voor de derde keer gesteld zou worden en ik en plein public voor de derde keer ontkennend zou moeten antwoorden. Wie zou er dan gaan kraaien?
In het strakke dag- en nachtritme van Sankt Vinzenz ging om negen uur ’s avonds het licht uit, als aanbeveling om te gaan slapen. Omdat het slapen mij daar moeilijk afging, lag ik meestal nog lang bij een bedlampje te lezen. Of ik hinkelde nog wat over de afdeling. Onze champignonkweker was echter direct vertrokken. Al snelde galmde er een regelmatig snurkgeluid door kamer 304.  

In de loop van de week was ik gewend geraakt aan allerlei slaapgeluiden. De tunnelboorder was overdag een man met een zacht stemgeluid. Zodra hij echter horizontaal ging lag hij een aan stuk door te piepen, rochelen, blazen en fluiten. Regelmatig kreeg hij een verschrikkelijke hoestbui. Dan gooide hij er een hartgrondig ‘Scheisse Lunge’ tussendoor. De Limburger overstemde echter alles. Nog nooit heb ik iemand zo hard horen snurken. We vroegen of hij op zijn goede schouder kon gaan liggen. Dat hielp een paar minuten. Daarna kwam het eerste, zachte gereutel aarzelend uit zijn keel om geleidelijk aan te zwellen tot straaljagerniveau.
Koeman was al twee dagen bezig om te regelen dat hij zo snel mogelijk naar een ziekenhuis in zijn woonplaats, 800 km verderop, zou worden getransporteerd, desnoods met een taxi. Maar ook hij had nog geen toestemming van de geneeskundige. Nu regelde hij bij de verpleegkundige dat we een partij oordoppen kregen uitgereikt. Het mocht niet baten, het geronk drong door de dichtgeperste oorschelpen heen.
Zo werd het een lange nacht. ‘Denk maar aan iets leuks’, zei ik tegen mezelf en ik begon alle gezinsvakanties langs te lopen, alle plaatsen waar we gekampeerd hadden. Ik dwong mezelf niet op mijn horloge te kijken. Toen ik toch keek was het nog maar half twee. Tegen de ochtend viel ik af en toe in een onrustig slaapje.
Ik was blij dat ik het eerste bleke licht op de besneeuwde toppen zag komen. Daarna daalde het licht langzaam de hellingen af tot het tenslotte het dorp bereikte en de huizen weer hun kleuren gaf.
De champignonkweker had goed geslapen. Monter vertelde hij dat hij na het ontbijt zou worden ontslagen.
Ik hou nog steeds erg veel van champignons.

0

BIJ HET TONEEL

Herinnering
In het parochieblad  Wij Samen stond een oproep om je aan te melden voor de toneelvereniging. De bedoeling was om met de opvoering van een kerstspel de kwijnende vereniging nieuw leven in te blazen. Ik was een jaar of tien en ik was op zolder al regelmatig voorgegaan in een heilige mis. Gekleed in een heus kazuifel leidde ik de viering, staande achter een oude commode die als altaar diende, met perensap als miswijn en met medewerking van enkele vriendjes die de rol van misdienaar of gelovige op zich wilden nemen. In het echte leven zat ik als misdienaar bijna wekelijks met mijn magere knietjes op de trappen van het altaar. Ik kende de riten, gebaren en gebeden van buiten. In de viering op zolder kon ik eens een trapje hoger op het altaar staan.

Buiten het religieuze spel had ik tot op dat moment geen enkele blijk gegeven van interesse voor een of andere vorm van acteren.  De oproep in het parochieblad opende voor mij echter perspectieven op een optreden voor een grotere schare toeschouwers. Ik zag een uitverkocht Verenigingsgebouw voor me met een ademloos vanuit het donker toekijkend publiek.
Zus H, vier jaar ouder,  was ook geïnteresseerd in de toneelvereniging. Dat kwam goed uit, want zonder haar aanwezigheid zou ik van mijn ouders nooit de toestemming hebben gehad om mee te doen. Zo gebeurde het dat H en ik ons op een doordeweekse avond naar het Verenigingsgebouw begaven voor de eerste repetitie.
In het gebouw, schuin tegenover de kerk, was een grote, hoge rechthoekige zaal met een houten vloer. Ik kende de kale zaal van allerlei parochie-activiteiten, zoals de jaarlijkse fancy fair, met het intrigerende rad van avontuur, een tentoonstelling over jongeren in de missie of een film voor alle kinderen van de lagere school (op weg ernaartoe riepen we: film in de broek van willem!).
Er was die avond een kleine groep belangstellenden voor de toneelvereniging gekomen, genoeg voor het aantal rollen dat er in het kerstspel te vergeven was. Een man met een verweerd gezicht en een vrouw met krullen bespraken de inhoud van het stuk en de rolverdeling. Zij keken voortdurend langs mij heen. In de oproep waren geen leeftijdsgrenzen genoemd, maar het was duidelijk dat men niet op tienjarigen gerekend had. Voor het kind in de kribbe was ik te groot en voor een herder of koning te klein. Pakken voor een os en een ezel waren er niet.
De repetities begonnen zonder dat er voor mij een plan was. Ik mocht zolang toekijken aan de rand van het podium. Toen duidelijk was dat er voor mij geen glansrol was weggelegd, vond ik het repeteren ongelooflijk stom. Volwassen mensen die een beetje raar stonden te doen, daar wilde ik  niet bij horen. Mijn lidmaatschap van de toneelvereniging bleef beperkt tot één avond.
Zus H had een onbeduidend rolletje toegewezen gekregen. Niettemin was het spelen zo enerverend dat het woord plankenkoorts 50 jaar na dato bij haar nog altijd het beeld oproept van de planken op  het podium van het R.K. Verenigingsgebouw in Vleuten.

Op de avond dat het kerstspel werd opgevoerd, vulde de zaal zich bijna tot aan de laatste rijen. Even voordat het toneelstuk zou beginnen liep ik nog naar de wc. Toen ik weer terug wilde gaan naar de zaal, kon ik het slot van de wc-deur niet meer openkrijgen. Hoezeer ik ook probeerde, ik slaagde er niet in om de knop  weer terug te schuiven. Ik kreeg het opeens heel warm. In de hal voor de toiletten was het oorverdovend stil. Ik begon te bonzen op de deur, eerst zacht, daarna wat harder. Tussendoor luisterde ik scherp of de redding al nabij was. Daarna begon ik erbij te roepen, hoewel ik dat eigenlijk heel gek vond. Ik begon een hekel te krijgen aan dit Verenigingsgebouw.
Na een paar minuten hoorde ik een vrouwenstem aan de andere kant van de deur. Ze zei, dat ze hulp ging halen. Weer enige tijd later hoorde ik gemorrel aan het slot en binnen een paar seconden ging de deur open. Er stond een man voor de deur met een schroevendraaier in zijn handen, daarachter de vrouw die mij kennelijk als eerste had gehoord. Zonder hen verder aan te kijken, liep ik langs beiden heen. Opgelucht snelde ik de zaal in. Daar zag ik nog juist op tijd, dat de bruine gordijnen voor het podium halverwege het opentrekken bleven steken. De man met het verweerde gezicht, hoofdrolspeler en regisseur tegelijk, schoof de gordijnen toen eigenhandig opzij. De voorstelling kon beginnen.