Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

2

IJSKOUD VASTHOUDEND

Herinnering

Het mechanisme werkt als volgt. Je hebt een bepaalde opvatting en alle argumenten en zelfs feiten, die daar tegen ingaan, ontken je, negeer je of bestrijd je; alles om maar vast te houden aan je eigen standpunt of waarheid. Dat kan ver gaan.

ijs polderHet is winter en er staat een straffe noordoosten wind. Na enkele dagen vorst is mijn verwachting dat  er wel geschaatst kan worden. Ik woon sinds een paar jaar op kamers in Utrecht, maar voor het schaatsen ga ik terug naar Vleuten. Ik zie de bevroren dauw in de winterse polder al voor mij, ik hoor het goddelijke geluid van schaatsen over hard, maagdelijk huis. Ik ruik de balkenbrij, waar mijn moeder mij na afloop op zal trakteren.
Het ijs van de spoorsloot voelt stevig aan, een enkeling heeft hier al geschaatst. De ijsvloer kraakt  waar deze losraakt van de slootkant. Met de wind schuin in de rug ben ik al snel bij de Bijleveld. Ook hier ziet ik schaatsstrepen. Mijn idee wordt bevestigd: het ijs is dik genoeg.
Dan kom ik bij een kruising, waar vanuit het noordoosten een sloot in de Bijleveld uitkomt. Die sloot ligt door de wind nog helemaal open. Aan de overzijde van de kruising spelen enkele jongens ijshockey. Ik hou even in, want het ijs, zo vlak bij die open sloot, ziet er dunnetjes uit. Vlak langs de oever lijkt het ijs dikker, dus daar moet ik langs.
Dan gebeurt het. Het ijs zakt weg onder mijn voeten. Ik ga omlaag, mijn benen worden nat, ik val schuin voorover.

Mijn eerste gedachte is: dit kan niet, het bestaat niet dat ik hier door het ijs zak. Ik heb al zoveel geschaatst, ik ken de polder, vertel mij wat. Ik zak dieper weg en het water komt aan mijn borst, maar ik geloof nog niet dat het waar is. Alles gebeurt in een flits van een seconde. Dan voel ik dat mijn benen traag door het water bewegen en met mijn kin kom ik op een scherpe rand ijs terecht. Pas nu zeggen mijn hersenen dat ik ervoor moet zorgen, dat ik zo snel mogelijk weer uit het water kom. Als in één doorgaande beweging weet ik weer overeind te komen en op de oever te klimmen. De jongens kijken me geschrokken aan. Ik doe alsof er niets aan de hand is. Alsof ik regelmatig zo eventjes door het water struikel. Via het weiland keer ik terug naar waar het ijs sterk genoeg is.

ijs gezaktOp de spoorsloot zie ik opeens, dat mijn beige jas aan de voorzijde geheel rood  geworden is. Er druppelt in hoog tempo bloed uit mijn kin. Vreemd, want ik voel geen pijn. Met mijn zakdoek op de wond probeer ik de vloed te stelpen. Als ik uiteindelijk tegen de wind in bibberend bij mijn schoenen aankom, zijn mijn vingers zo koud dat het me niet lukt om de inmiddels bevroren veters van mijn schaatsen los te knopen. Gelukkig is er een Florence Nightingale nabij die mij te hulp schiet.
In mijn ouderlijk huis blijkt de jaap in mijn kin zo groot dat het verstandig lijkt een arts te raadplegen. Uiteindelijk beland ik op een operatietafel in het Antonius Ziekenhuis, waar men de wond weer keurig dicht naait. Onderwijl dringt mijn ontkenning van de werkelijkheid die middag langzaam tot mij door. Ik ben met mijn vasthoudendheid aardig door het ijs gezakt.
Er zijn naasten, en zeker niet de minsten, die vinden dat ik me nog altijd onvoldoende heb losgemaakt van dit mechanisme. Misschien hebben zij gelijk. Maar misschien houden ook zij teveel vast aan hun eigen oordeel.

5

MIJN EERSTE KLANT

Herinnering

De oude man heeft zijn jas open geknoopt. Zijn pet ligt voor hem op het tweedehands salontafeltje. Hij zit op de rand van de fauteuil, alsof hij elk moment weer wil opstappen. Door het hoge raam valt  zonlicht op een fris uitziende plant.
De man vertelt, dat hij in de Molenkruier gelezen heeft over de opening van ons centrum. Dat iedereen binnen kan komen lopen voor een gesprekje.
Hij wil graag iets vertellen.

Ik behoor tot een groep studenten, die vanuit de Vakgroep Klinische Psychologie een centrum in Nieuwegein hebben opgezet, De Aanloop. We bieden laagdrempelige psychologische hulp in de wijk. Het is het midden van de jaren zeventig, alles moet anders. Dus we willen een verband leggen tussen de problemen van het individu en zijn omgeving: het sociale netwerk, de woonomstandigheden, de man-vrouwverhoudingen. Bewoners kunnen binnen lopen voor een praatje, een kopje koffie of om een tijdschrift in te zien.

‘Ik wil iets vertellen over lang geleden’, begint mijn eerste klant, ‘toen ik nog een jongeman was’.
Vanuit mijn fauteuil knik ik hem bemoedigend toe. Ik probeer een ontspannen houding te vinden. Ik heb het erg warm.
Op een dorpsfeest had hij een aardige vrouw ontmoet. Ze waren met zijn tweeën gaan wandelen, weg uit het feestgedruis, het dorp uit, over stille landwegen. Ze hadden uren gesproken met elkaar en waren gaan liggen in een grasberm. Toen de duisternis was ingevallen, hadden zij  – op dit punt aarzelt de man enkele ogenblikken  – de liefde bedreven.
Ik knik hem nogmaals toe, uiterlijk kalm, maar in mijn hoofd ben ik koortsachtig op zoek naar waar dit verhaal naar toe gaat en hoe ik moet reageren.
We hebben ons goed voorbereid op de hulpverlening. We hebben niet alleen stapels literatuur bediscussieerd over de relatie tussen psychische problemen en maatschappelijke omstandigheden. We hebben ook geoefend met het bespreken van angsten, relatieproblemen, en sombere gevoelens.
De man kijkt mij kalm, maar indringend aan.
‘Dat was de mooiste nacht, die ik ooit heb meegemaakt’, zegt hij op bijna fluisterende toon.

Twee medewerkers van de Aanloop

Hij voegt eraan toe, dat hij nooit getrouwd geweest is en dat het dus bij die ene nacht gebleven is. Maar dat hij nog altijd, ook nu, warm wordt bij de herinnering aan het samenzijn met die vrouw.
Wat moet ik hiermee, flitst er door mijn hoofd. Ik ben op zoek naar een probleem dat ik kan analyseren, maar dat heb ik nog niet ontdekt. Ik voel medelijden opkomen en moet de gedachte onderdrukken dat ik zelf al zoveel meer ervaring heb met mooie nachten.
Zoekend naar woorden geef ik een samenvatting van wat de man verteld heeft. Dat is een van de gesprekstechnieken, die we geleerd hebben. Die kan je inzetten om te toetsen of je het goed begrepen hebt. Samenvatten is ook een uitnodiging aan de cliënt om verder te vertellen.Dat doet deze man dan ook. Zonder een spoor van berouw, spijt of een ander negatief gevoel, vertelt hij nog eens over die aardige vrouw en het samenzijn op de landweg.

Wat brengt hem er toe om hier nu zijn verhaal te vertellen, vraag ik mij af?
Terwijl ik nog zit te broeden op een goede formulering van deze vraag, geeft de man zelf al het antwoord. Het is een gebeurtenis van jaren geleden en hij is nu op leeftijd. Hij heeft er heel zijn leven lang over willen vertellen, maar het nooit aangedurfd. Niet één keer. Tegen niemand. Daarom is hij blij dat hij het nu een keer heeft kunnen vertellen.
Hij bedankt mij voor mijn aandacht, pakt zijn pet, geeft mij een hand en loopt de deur uit.
‘En hoe ging het?’, vragen mijn collega’s als ik beduusd en met zweetplekken onder mijn oksels de spreekkamer uitkom.

0

MET DE AUTO OP STAP

Herinnering

Op een mooie lentemorgen rijd ik met mijn ome Ries in zijn VW-bus door Haarzuilens. Hij slaat een doodlopend gedeelte van de Ockhuizerweg in, een smal weggetje met aan weerszijden sloten. Wij zijn op weg naar een boerderij, naar een van zijn klanten. Ome Ries is smid.

Wanneer ik in de smederij kom, roept hij altijd: ‘Ha, volle neef!’. Als kind sta ik geboeid te kijken hoe hij een vuurrood stuk ijzer uit het vuur haalt om dat met zijn hamer te bewerken. Dan hou ik mijn vingers in mijn oren. Als hij aan het lassen is kijkt hij door een grote zwarte kap met mica ruitjes. Ik kan maar beter niet naar al die vonken kijken, heeft ie gezegd. Dat is niet goed voor mijn ogen.
Ik ben er ook wel eens bij als er buiten een paard beslagen wordt. Dat geeft zo’n weeë, branderige geur. Soms moet mijn ome Do eraan te pas komen om het tegenstribbelende paard in bedwang te houden.
Het leukste van alles is als ik met ome Ries mee mag rijden. De motor van de VW-bus ronkt als ie optrekt. Het stuur ligt horizontaal op de stuurstang die recht uit de laag gelegen bodem komt. De versnellingshendel is een lange ijzeren pook. Beweeg je de richtingaanwijzer dan komt er buiten uit de carrosserie een oranje verlicht balkje tevoorschijn, alsof iemand een te klein armpje uitsteekt.
Ik rij mee met ome Ries naar boeren in de omgeving. Of naar een groothandel in Utrecht. Ome Ries zit altijd op zijn gemak achter het stuur, pratend over van alles en nog wat.
Op een kruispunt in Utrecht moet hij een keer plotseling boven op zijn rem gaan staan, omdat er een auto van rechts komt. De rem werkt uitstekend. Ik vlieg van de zitting af, bijna met mijn hoofd tegen de kleine voorruit.
‘Zo’, zegt ie nonchalant terwijl hij de auto weer start,  ‘die had voorrang’.
Op een ander tochtje zegt hij leunend met zijn armen op het stuur: ‘Auto rijden is geen kunst’. Hij kijkt me glimlachend van opzij aan: ‘dit kan jij net zo goed’.
Zijn kinderen rijden ook, al zijn ze nog jong. Zoon Brord was nog geen vijftien toen hij na een verjaardag enkele gasten naar Utrecht bracht. Hij reed in de koffiebruine Kever, die mijn vader van Douwe Egberts had overgenomen. Ik mocht ook mee. De eerste winterse buien waren net gevallen. Op de rotonde voor de Leidseveer tunnel gleden we naar rechts in plaats van naar links.

Halverwege de Ockhuizerweg komt ons een auto tegemoet. Er is weinig ruimte om te passeren. Ome Ries mindert vaart en rijdt met de rechterwielen door de grassige berm. Bij het passeren wijkt hij nog verder uit naar rechts. De auto helt over en staat nu nagenoeg stil. Als de tegenligger voorbij is en ome Ries weer door wil rijden, slippen de wielen in het gras. De motor slaat af en de auto zakt nog verder de berm in. Het busje hangt nu gevaarlijk schuin boven de sloot. Door het raampje rechts zie ik het heldere water vlakbij mij. Wat mij nog meer benauwt is dat ome Ries langzaam maar onontkoombaar mijn kant op komt glijden en mij met al zijn gewicht strak tegen de deur aan klemt.
‘Ik denk dat we maar beter niet aan jouw kant kunnen uitstappen’, zegt ie met een lachje om zijn mond. Hij trekt zich omhoog naar zijn eigen portier en stapt uit. Ik volg hem. Op het geluid van de buitelende kieviten na is het stil in de polder. Het is een prachtige lentemorgen, het gras is oogstrelend groen.
Ome Ries zit in zijn blauwe overall op zijn knieën op de weg en kijkt met gebogen hoofd onder de auto. Dan gaat ie op weg om hulp te halen. Er komen een tractor, zes boerenarmen en een paar planken aan te pas om de auto weer op de weg te krijgen. Daarna stappen we in en rijden verder alsof er niets gebeurd is.

3

OME KEES

Herinnering

Op zondagmiddag nam mijn vader mij nog wel eens mee naar Ome Kees in Jutphaas. Ome Kees, destijds al in de 80, was een broer van mijn opa. Hij had de smederij van zijn vader aan de Nedereindseweg voortgezet, was ongetrouwd gebleven en woonde nog in het ouderlijk huis, tezamen met een huishoudster, die Tante Trui werd genoemd. Wij als kinderen vonden dat een lachwekkende naam. We kenden toch ook geen ome Broek. Maar grappen maken over de naam was niet toegestaan, ook al was Tante Trui een goedlachse vrouw. Ze lachte om het minste of geringste, een hikkende lach, die lang kon voortduren.

Ome Kees zelf stond bekend om zijn grappen. Hij was daarnaast een uitstekend zanger en een gedreven schaatser. Op zijn 73e schaatste hij over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag drie maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis in Utrecht.
Ondanks zijn grapjes leidde Ome Kees een streng en gelovig leven.
Nergens in de familie duurde het avondgebed langer dan in Jutphaas. Men was  geabonneerd op zo’n beetje elk denkbaar missie- en congregatieblad dat in Nederland werd uitgegeven. En het hele huis stond vol met heiligenbeelden, forse Duitse modellen van gekleurd steen en ouderwetse witte exemplaren, sommige onder een glazen stolp. Maria en Jozef waren beide tweemaal vertegenwoordigd en er was een zwaar beeld van Jezus met een lammetje. Voor de heiligen konden kaarsen worden opgestoken. Op een slaapkamer hing een foto van een slaafje dat door de familie was vrijgekocht.

Als ik met mijn vader binnenkwam, overviel mij de stilte in het huis, ondanks de gulle lach van Tante Trui. Misschien ook was ik geïmponeerd door de tijd, die hier stil was blijven staan, de negentiende-eeuwse meubels, de heiligenbeelden.
Vooral één herinnering is mij bijgebleven. Die van het eitje.
Achter het huis in de tuin, naast de poepdoos met het hartje in de deur, hield Ome Kees nog wat kippen. Als het eerste kopje thee was gedronken en de nieuwtjes waren uitgewisseld, zei ome Kees tegen mij: “Zullen we eens kijken of de kippen nog een eitje hebben gelegd?”
Diep bukkend en door zijn knieën buigend ging ome Kees dan het kippenhok binnen, terwijl ik rechtop nieuwsgierig achter hem aan liep. Kippen vlogen fladderend aan de kant.
‘En ja hoor, kijk daar eens’, zei Ome Kees, terwijl hij me een eitje aanwees.
Triomfantelijk bracht ik het eitje als een schat naar de keuken, waar Tante Trui het voor mij bakte. De kippen stelden mij nooit teleur, er lag altijd een eitje in het hok. Toen ik ouder was hoorde ik, dat Ome Kees iedere keer na onze aankomst snel en ongezien een eitje uit de keuken in het hok legde.

Nadat Tante Trui in 1962 was overleden, werd aan Ome Kees voorgesteld om te verhuizen naar een verzorgingshuis. Dat vond hij echt niet nodig.  Hij deed nog dagelijks gymnastische oefeningen.
In 1964 bracht hij de laatste maanden van zijn leven in Vleuten door bij mijn Tante Jo en Ome Do, die net als hij ongetrouwd in hun ouderlijk huis waren blijven wonen. Ik kwam daar vaak om televisie te kijken. In die periode wilde ik niets missen van de Olympische Spelen in Tokio. Ome Kees noemde me daarom prins Akihito.
Op zijn sterfbed kreeg hij het sacrament der zieken toebedeeld. De kapelaan die hem niet kende informeerde naar zijn leven: ‘Bent u getrouwd geweest?’, waarop Ome Kees antwoordde: ‘Tot op heden nog niet’.
Na zijn overlijden was het de taak van de familie om het huis in Jutphaas op te ruimen. Het was een ware beeldenstorm. Alle heiligenbeelden verdwenen in stukken onder het smidsbed in het afvalgat. Voor dergelijke vooroorlogse beelden betaal je nu meer dan 100 euro.

0

KOUDE OORLOG

Herinnering

Ik was tien jaar toen ik in 1962 in de kelderkast iets onbekends zag staan.
De kast naast de keldertrap werd gebruikt voor de voorraad custard pudding, Royco soepen en Honig vermicelli. In het duister achter de broodtrommel zag ik een blikken doos. Daar moest ik het mijne van weten. Het bleek een blik biscuit.
Het was de tijd, dat wij op doordeweekse dagen een biscuitje bij de thee kregen en in het weekend een koekje van de bakker. Aan de boodschappen die kruidenier Broekhuyse wekelijks bij ons afleverde ontbrak daarom nooit een rol biscuit. Maar waarom hadden we dan nu die voorraad biscuit voor een halfjaar? En waarom stond dat blik verstopt achter in een donkere kast? Mijn moeder gaf aarzelend uitleg.
Er zou misschien wel weer oorlog komen. De Sovjet-Unie was van plan om raketten op Cuba te plaatsen. Dat kon Amerika natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. Misschien werd het wel een oorlog met kernwapens. Bij een onverhoopt langdurig verblijf in onze (schuil-)kelder zouden we ons behalve met custardpoeder en vermicelli met biscuits nog enige tijd in leven kunnen houden.
Ik vond het sympathiek dat mijn ouders voor biscuit hadden gekozen, zodat we tenminste niet onze tanden in de bloembollen hoefden te zetten. Maar ik kon me er niets bij voorstellen. Cuba was een heel eind weg. Mijn moeder zei dat de Russen Oost-Europa hadden ingenomen. Daar mochten de christenen niet meer naar de kerk en er waren priesters in de gevangenis opgesloten. In Hongarije had de Sovjet-Unie een volksopstand bloedig neergeslagen. Chroetsjov was voor geen cent te vertrouwen. Als je in de vergadering van de VN met je schoen op tafel slaat, dan ben je een onberekenbare man. Dan zag zijn Amerikaanse collega er toch heel wat betrouwbaarder uit.

Een jaar later was die Amerikaanse collega er niet meer. Het schijnt dat veel mensen nog weten waar zij waren en wat zij deden op het moment dat Kennedy op 22 november 1963 werd vermoord.
Welnu, dat weet ik inderdaad nog precies.
Op de 23e november van dat jaar zou mijn moeder 50 jaar worden. Dat werd natuurlijk gevierd en daar wilde ik werk van maken. Daarom had ik bij de katholieke bibliotheek in Vleuten een boek met goocheltrucs geleend. Mijn keuze was onder meer gevallen op een bijzondere verdwijntruc. Er was een oud tafeltje voor nodig. In het tafelblad diende een gat van ongeveer 5×5 cm gezaagd worden. De schrijver van het goochelboek ging er blijkbaar van uit, dat ieder Hollands huisgezin wel over een voorraad oude tafeltjes beschikte waarvan er één kon worden opgeofferd ten behoeve van sluimerende goochelbehoeften.  Gelukkig stond er bij ons ergens in de schuur onder het stof een afgedankt salontafeltje, dat ik – na instemming van mijn vader – mocht gebruiken voor mijn goochelshow.

Op 22 november 1963 stond ik derhalve verdekt opgesteld achter in de schuur, op de plek waar ooit varkens hadden liggen knorren. Ik bewerkte een oud tafeltje met een al even oud figuurzaagje, een riskant werkje voor een 11-jarige, wat ik met ingehouden adem zonder verwondingen tot een goed einde wist te brengen. De koude oorlog was voor mij op dat moment ver weg.
Teruggekeerd in huis hoorde ik dat in Dallas de man was vermoord, die een jaar eerder de wereld van een derde wereldoorlog had gered. Althans, zo zagen wij het toen. Enkele jaren later zou met de berichten over de Vietnamoorlog het positieve beeld van Amerika volledig kantelen.
Het blik biscuit was toen al lang en breed leeggegeten. Er zou niet meer gehamsterd worden. Wel klinkt tot op heden elke eerste maandag van de maand de sirene. En Rusland plaatst weer raketten.

1

DE VOORBEREIDING OP HET LEVEN

Herinnering

In september 1962 begon ik aan de vijfde klas van de Willibrordusschool in Vleuten. Het was een gecombineerde vijfde/zesde klas voor kinderen die door zouden gaan naar mulo of hbs. Wij hadden meester Theunissen als onderwijzer. Meester Theunissen was het Hoofd der School. Hij was een strenge, maar rechtvaardige onderwijzer, een autoriteit, die kaarsrecht op zijn fiets door het dorp reed. In de borstzak van zijn colbert zaten de pennen geklemd, waarmee hij het schoolwerk corrigeerde. De telefoon van de school stond in zijn lokaal. Als hij aan de telefoon was, telden wij het aantal keer dat hij achter elkaar het woord ‘ja’ gebruikte. Het record stond op achttien. Meester Theunissen werd door ons Piet Konijn genoemd. Als je tenminste zeker wist dat hij het zelf niet kon horen.

De eerste vier klassen was ik speels en onbezorgd doorgekomen. Ik leerde waar Apeldoorn lag en dat Mozes in een rieten mandje aan de dood ontsnapte. Maar de school was er ook voor het aanleren van discipline. Daar wrong bij mij nog wel eens de schoen. Als jongste van de vier kinderen genoot ik thuis enige regelvrijheid. Die ervaring nam ik mee naar school. Bij juffrouw Wortelboer in de tweede klas kwam ik hollend het lokaal binnen. Dat bleek niet de bedoeling. Ik gilde  ‘Loemoemba!’ en ‘Kasavoeboe!’. Die namen uit de oorlog in Congo kende ik uit het ANP-nieuws waar wij in stilte onder het avondeten naar moesten luisteren. Ik begreep niet waarom je die namen niet mocht roepen. In de derde klas bij juffrouw Witkamp (‘Witscheet’) zat ik in de middenrij, vlak voor de kast met nuttige handwerken, waar doorlopend een geur van mottenballen hing. Tijdens een gebed had ik een keer volgens de juffrouw mijn ogen niet goed gesloten. Zij liep al biddend met haar ogen open rond om te controleren. Zo had ze gezien, dat ik ‘door de kiertjes van mijn ogen gekeken had’. Nu was dat iets waartoe ik zeer wel in staat was. Die ochtend echter had ik mijn ogen stijf dichtgeknepen. Dus ik vond het een grote onrechtvaardigheid, dat ik een half uur  lang op mijn blote knieën voor het bord moest zitten. Tussen juffrouw Witkamp en mij is het daarna niet meer goed gekomen.

Bij meester Haarhuis in de vierde zaten we met meer dan vijftig kinderen in één klas. Dus dat hij het niet kon waarderen, dat er een rode rubberen weckring, waarmee ik zat te spelen, per ongeluk uit mijn handen schoot en bij hem op tafel belandde, kon ik me nog wel voorstellen. Dat ik moest nablijven totdat de school leeg was ook. Maar dat ik in een kromme, beschamende houding moest gaan staan zodat hij me hard op mijn billen kon slaan, vond ik te ver gaan. Voor een ander vergrijp kwam meester Haarhuis bij ons aan huis strafwerk afleveren. Dat zinde mij nog minder. Zo kwamen mijn ouders alles te weten en dat leek mij niet nodig. Ik overwoog even spijkertjes op het erf te strooien, zodat de meester met zijn mooie sportfiets een lekke band zou krijgen. Dat deden ze bij achtervolgingen in Kuifje immers ook.

Eenmaal in de doorleer-klas bij meester Theunissen was het afgelopen met dit soort aanvaringen. Het leven van later kwam om de hoek kijken. Door goed je best te doen op school moest je zo ver mogelijk zien te komen. Daarvoor kregen we alvast Franse les (‘papa fume une pipe’). De  meester nam mij nog wel eens als voorbeeld voor anderen, omdat ik alle boeken van Pim Pandoer had gelezen en de betekenis van het woord silhouet kende. Door die complimenten ging ik nog beter mijn best doen. Ik haalde met glans het toelatingsexamen voor het St. Bonifatiusgymnasium, tezamen met drie medeleerlingen. Daarna hoefden wij geen lessen meer te volgen. In de laatste weken voor de zomervakantie zaten we met zijn vieren boeken te kaften in de kamer van de onderwijzers. We draaiden net zo lang aan de zenderknop van het transistorradiootje tot we radio Veronica gevonden hadden. Love, love me do. We ontstegen de lagere school. Het leven kon beginnen.

0

DE KLOOSTERTUIN

Herinnering

Wie onder Tilburg op de A65 rijdt en naar het Zuidoosten kijkt ziet daar op enige afstand twee ranke torens boven de maisvelden en bomen uitsteken. Via een oude ophaalbrug over het Wilhelminakanaal kan je een weg volgen onder statige eiken. In een haakse bocht naar links sta je dan opeens voor het poortgebouw van de Abdij van Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven, een klooster van cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten. De paters in hun wit-zwarte habijt houden er strenge leefregels op na. Zij blijven binnen de muren van het klooster, waar ze in stilte en afzondering bidden, zingen en studeren. Er zijn elke dag zeven gezamenlijke gebedsdiensten, de eerste om 4.30 uur, de laatste om 19.30. Tussen het bidden door werken de monniken in de tuin of  de bierbrouwerij. Zo voorzien ze in hun eigen onderhoud. Het werken, zo lees ik op de website, wordt gezien als een vorm van geestelijke en lichamelijke ontspanning.

Als kind ben ik vaak met familieleden in Koningshoeven geweest. Mijn heeroom was er destijds abt.  Ook mijn vader was ooit bijna ingetreden in deze abdij. Hij werd echter niet geschikt geacht voor het harde kloosterleven. Was hij  gebleven, dan zat ik nu niet hier te schrijven. Een bezoek aan Koningshoeven was altijd een hoogtepunt in het familieleven. We luisterden naar de gregoriaanse gezangen in de abdijkerk en wandelden door de uitgestrekte tuinen. Heeroom leidde ons rond door de lange stille gangen langs de eenvoudige kamertjes, waar de paters op harde stromatrassen sliepen. En natuurlijk door de bierbrouwerij, waar een geur hing die ik nooit eerder geroken had en waar monniken in bruin habijt met leren voorschot de lopende band controleerden.

Ik had ontzag voor de gewijde sfeer in het klooster. Maar ik begreep niet waarom de paters niet met elkaar mochten praten. En dat de vrouwen niet verder mochten komen dan het poortgebouw. Dat gaf ons neven overigens wel weer een voorsprong op de nichten. In 1989 was ik er voor het laatst, ter gelegenheid van de begrafenis van mijn heeroom.

Afgelopen zondag ben ik weer bij Koningshoeven geweest. We lunchten bij het Proeflokaal, een drukbezochte horecagelegenheid naast de brouwerij. Op de golven van de populariteit van speciale bieren is de brouwerij onder de naam La Trappe aan een tweede leven begonnen. Het is de enige trappistenbrouwerij van Nederland. Er werken nu uitsluitend leken, maar de overgebleven monniken van de abdij, twintig in getal, zijn volledig eigenaar. Zij beslissen over alles mee, tot aan de kleur van het etiket. De opbrengsten worden gebruikt voor het onderhoud van het klooster en voor goede doelen. Er wordt nagenoeg geen reclame gemaakt, maar mede dankzij het Proeflokaal en de rondleidingen door de brouwerij is het bier niet aan te slepen.

We aten zondag dikgesneden volkorensneeën met  abdijkaas, waardige opvolgers van de reusachtige boterhammen die wij vroeger in het gastenverblijf voorgeschoteld kregen. Als de laatste boterham van het bord verdwenen was, bracht de gastenpater een nog grotere stapel, die wij tot zijn plezier dan weer compleet wegwerkten. We zaten bij het Proeflokaal aan een soort kloostertafels in wat voorheen de ‘vrouwentuin’ was, een prachtig park met monumentale bomen.Hier ontving mijn heerom zijn familieleden, inclusief de vrouwen. Hier klom ik als een eekhoorn in de bomen en sprong ik in wit overhemd met stropdas van de schommel af. Hier speelden wij boompje verwisselen. Ik wandelde zondag weer over de kronkelende paden, op zoek naar het verleden. Helemaal achterin de tuin, waar bij een wit prieeltje onder donker gebladerte de dikke kloostermuren een hoek maken was ik weer even terug in de tijd. Voor even dan.

 

2

HELLO JOSEPHINE

Herinnering

1965. Ik fiets in de Dorpsstraat in Vleuten en wil afslaan bij bakker van Dijk, als mij voor Hotel Het Oude Raadhuis iets opvalt. Midden op het grindterrein staat een VW-busje. De portieren staan wijd open.
Ik rem af en rijd het grindterrein op naar de werkplaats van schilder van Hoogstraten. Vanaf een afstandje zie ik, dat het busje volgestouwd is met apparaten die er uitzien als versterkers en ingepakte instrumenten. Eromheen lopen figuren, zoals ik die nog niet eerder in het dorp gezien heb. Mannen met lange, vettige haren, slordig gekleed in paarse en goudkleurige broeken. Wat doen die hier? Vanaf de overkant komt er nog een langharige type aangelopen. Hij heeft verschillende puntzakken friet in zijn handen. Hij moet even inhouden voor een vrouw in een keurige regenjas en met een hoofddoek om haar grijze kapsel.
De man in de paarse broek roept iets naar mij in het Engels. Ik versta niet wat hij zegt. Hij draait zich om, haalt iets uit het dashboardkastje en steekt zijn hand uitnodigend naar mij uit. Aarzelend pak ik het aan. Het is een foto van een beatband. De naam naast de foto doet mij duizelen: The Scorpions.
Ik kan het niet geloven. Dat kunnen toch niet dé Scorpions zijn, die Engelse band, die nog geen half jaar geleden een enorme hit had in Nederland met Hello Josephine? De band stond wekenlang in de top 40. Die bandleden staan hier toch niet zomaar midden in Vleuten een patatje te eten?
De man ziet mijn verwarring. Hij zegt weer iets onverstaanbaars. Aan de achterkant van de kaart zie ik de handtekeningen van de bandleden.
In de Jaarbeurshallen had ik nog niet zo lang daarvoor the Motions gezien, the Golden Earring en the Kinks. Ik had het laatste lesuur van de middelbare school gespijbeld om een goed plekje te bemachtigen. Maar desondanks stond ik ergens achter in de hal op een richeltje me uit te rekken om maar iets te kunnen zien van die beroemde figuren op het podium.
En nu sta ik dan hier vlakbij een andere befaamde band. Mijn ongeloof gaat langzaam over in een juichstemming. Ik ben de enige die hier staat en ik heb de handtekeningen van the Scorpions! Zomaar, toevallig en voor niets.

The Scorpions was een Engelse rock-n-rollband. Het was de jongens in eigen land niet gelukt om een platencontract te krijgen. De groep probeerde het daarom in Nederland. Pas bij  de derde single brak de band door. Hello Josephine, een ruige cover van een nummer van Fats Domino, bereikte de tweede plaats in de top 40.
Het hoogtepunt voor the Scorpions was een optreden in oktober 1965 bij het Grand Gala du Disque, op hetzelfde podium als the Everly Brothers, Lucille Starr en the Supremes.
Met de volgende singles haalden zij nauwelijks succes.  Omdat zij slechts voor een beperkte tijd een werkvergunning konden krijgen, moest de band regelmatig weer terug naar Engeland.

Ik prevel iets van Senk you, spring met bonzend hart op mijn fiets en rijd langs de patatkraam van Jo Janssen naar huis, de foto van the Scorpions stevig vastgeklemd tussen mijn vingers.
Had ik eigenlijk niet meer kaarten moeten vragen, gaat er dan door mijn hoofd.
Had ik niet iets moeten zeggen: Where are you going to? Do you like Holland?
Zal ik omkeren?
Thuisgekomen vertel ik opgwonden stotterend dat the Scorpions bij van Berkel stonden. Ik laat de foto zien.
‘Bof jij even’, zegt mijn moeder.
Als ze de kaart bekijkt, zie ik aan haar gezicht, dat zij nog nooit van de groep gehoord heeft en dat zij  dat liever zo wil houden. Zij moet niets hebben van langharig tuig.
Ik hol naar mijn slaapkamer en zet de kaart naast de foto met handtekening van Reinier Paping.
In mijn hoofd hoor ik het einde van Hello Josephine: Ha, ha, ha, ha, ha.

Reageren? Klik linksonder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen. Op de hoogte blijven? Vul dan in de rechterkolom je naam en mailadres in.

0

OP DE FOTO

Herinnering

trouwfoto 43Dit zijn mijn vader en moeder, Kees van Dijk en Anna Ekelschot.
Het is 23 november 1943, de 30e verjaardag van mijn moeder. Mijn vader is een half jaar jonger.
Het is een waterig koude dinsdag, de temperatuur komt niet veel hoger dan 4 graden. Voor de foto is het paar de tuin van het ouderlijk huis van mijn moeder ingelopen. Ze zijn neergezet voor een boom die het wit van de bruidsjurk goed doet uitkomen. Iemand heeft scheef over het gras een oude mat neergelegd. De trouwkledij ziet er onberispelijk uit. De schoenen zijn glimmend gepoetst. De grote dag is aangebroken.
Beiden kijken serieus, onbewogen en onbestemd naar de fotograaf. Als dat zijn bedoeling is geweest, dan is hij er goed in geslaagd.
Ze trouwen – voor die jaren – op late leeftijd, maar ze hebben tenminste een partner gevonden. In een tijd zonder sociale verzekeringen was dat niet onbelangrijk. En nog belangrijker: ze kunnen nu een gezin stichten. Zij kunnen de oproep van de bisschoppen volgen om het katholieke geloof te verbreiden.

Verbeeld ik het me nu of is het werkelijk zo, dat mijn moeder er iets steviger bij staat? De armen van mijn vader lijken niet echt ontspannen. In zijn rechterhand houdt hij die malle hoed. Die ligt nu op mijn kamer. London Manufactory staat er in, Wilson Oxford Street 647, Superior Quality. Het stijve hoofddeksel is voor mijn hoofd veel te klein. Ik vraag me af of  ie mijn vader gepast heeft. Achter de hoed zie je nog net, dat hij in zijn linkerhand een paar handschoentjes draagt. Misschien moest hij de handschoentjes en de hoed alleen maar in zijn handen houden.
Het paar was op 4 oktober in Vleuten voor de burgerlijke stand getrouwd. Voor de wet trouwen hoorde er wel bij, zo leerde ik nog in mijn jeugd, maar het ware huwelijk was de kerkelijke inzegening.

In de Tweede Wereldoorlog ging het aantal huwelijken omlaag. Trouwplannen werden uitgesteld in afwachting van betere tijden. Maar mijn vader en moeder waren niet de jongste meer. Het wachten was alleen nog op een woning. Die kwam beschikbaar, toen er een alleenstaande, oude man overleed. De pastoor adviseerde nog wel om de wind eens goed door het huis te laten waaien. Hij kon het weten, blijkbaar.
Mijn ouders liepen vele winkels in en rond Utrecht af voor de inrichting van het huis. Het was een tijd van schaarste. Vooral aan zeil en vitrage konden zij moeilijk komen. Op zo’n tocht was mijn vader ook nog eens zijn tas met vergunningen en bonkaarten kwijtgeraakt.
Gelukkig had hij goede ruilmiddelen: koffie, thee en tabak. Dat waren schaarse artikelen. Maar niet voor mijn  vader, hij werkte bij Douwe Egberts.
Daarom ook kan er op de bruiloft een goed maal geserveerd worden:
Vooroorlogsch Menu (zonder bon!)
Vermicellisoep
Runderlappen met jus (géén surrogaat)
Aardappelen met bloemkool en spinazie
Compôte
Caramelpudding – Vanillepudding
Fruit.
Er wordt flink gezongen. Er is een liederenbundel van 10 volgetikte pagina’s over de jeugd van de bruid en de bruidegom. Er wordt gezongen over die keer, dat Kees, die zangoefeningen leidde op de jeugdvereniging, boos was weggelopen, omdat Anna voortdurend aan het kletsen was.

Welke toekomst zien zij daar voor zich op die oude mat in de tuin?
Waarschijnlijk denken ze daar op dat moment niet aan. Ze zijn bezig de aanwijzingen van de fotograaf te volgen. Ze moeten stil blijven staan in de kou. Laten zien dat het een gewichtig moment is.
Dan drukt de fotograaf af.

0

GENERATIEBOTSING

Herinnering

In 1962 zond Radio Veronica tussen 17.30 en 18.00 uur een top 10 uit. Mijn zus van 14 zat in de huiskamer vlakbij de Philips radio met het groene oog. Een paar minuten voor zes vond mijn vader het genoeg. Hij wilde het ANP nieuws van 18.00 uur niet missen en draaide eigenhandig de rode zenderwijzer naar Hilversum 1. ‘Er komt nòg een plaat, de nummer één’, riep mijn zus verontwaardigd. ‘Het is zes uur’, zei mijn vader afgemeten. ‘The Young Ones van Cliff Richard, die is echt wel voor zes uur afgelopen’. Mijn vader was echter onverbiddelijk.
Het conflict liep hoog op. Huilend en stampvoetend vertrok mijn zus naar haar slaapkamer. Zij weigerde die avond nog aan tafel te komen. Geschrokken en in stilte prakten wij de aardappels.

Een paar jaar later drong de vernieuwing nog dieper aan de avondmaaltijd door. Na het gebruikelijke ANP Nieuws werd er verder gesproken over de toestand in de wereld. Mijn vijf jaar oudere broer liet toen opeens het woord socialisme vallen. Om er na een korte pauze aan toe te voegen: ‘En daar moeten we toch nog naar toe’.
Er viel een meer dan ijzige stilte. Ik zat op mijn krukje voor de nieuwe gashaard. Door het raam zag ik in de verte een lange goederentrein passeren. Het regelmatige kedeng van de wagons drong zachtjes aan de eettafel door. Ik voelde dat er een onomkeerbare scheiding der geesten het gezin binnen was gekomen. Mijn vader, die immer onder woorden bracht hoe een katholiek behoorde te leven, had blijkbaar op deze onverwachte inbreng geen antwoord paraat. We kenden geen traditie van uitwisseling van standpunten of het naast elkaar bestaan van verschillende meningen.
Zo groeiden de werelden uit elkaar.

Dat mijn broer na een feest met een vriendin verdwenen was, dat hij bier ging drinken en na de middelbare school direct op kamers ging wonen, waren zaken die niet geheel in het wereldbeeld van mijn ouders pasten, maar die met enige moeite nog gezien konden worden als behorend bij zijn leeftijd. Dat hij echter op een gegeven moment besloten had om niet meer naar de kerk te gaan was een volgende bom die insloeg. Er werd geen ruzie gemaakt, er werd niet met deuren geslagen, maar de spanningen en de onmacht waren voelbaar.
En ik?
Ik had een fikse botsing met mijn ouders over de lengte van mijn haar. Mijn moeder had al een paar keer voorzichtig geïnformeerd of het niet eens tijd was voor een afspraak met de kapper. Mijn haren raakten nog niet eens mijn oren. Ik negeerde haar vragen, zodat mijn vader zich ermee ging bemoeien. ‘Je gaat de komende week gewoon naar de kapper’, riep hij met flinke stemverheffing. Ik droop af. Conflictmijding was destijds bij ons de meest gebruikelijke manier van probleemoplossing.
Voor het overige maakte ik als jongste dankbaar gebruik van de paden, die mijn broer en zussen voor mij geplaveid hadden. Ik volgde hun weg naar vernieuwing.  En dus riep ik tijdens de geschiedenisles, dat Nederland de Navo moest verlaten. We moesten tenslotte naar het socialisme toe. Veel meer argumenten kon ik er niet bij leveren.
En terwijl ik een paar jaar daarvoor in mijn logboek nog had geklaagd over het geringe aantal verkenners, dat de ochtendmis had bijgewoond, ging ik op een gegeven moment op zondagmorgen ook niet meer naar de kerk. Ik zat in de luie stoel naast het nieuwe radiomeubel, toen mijn moeder na afloop van het kerkbezoek de kamer binnenkwam. Ik deed alsof ik geheel verdiept was in mijn huiswerk, maar ik voelde me zwaar schuldig, dat ik haar verdriet had aangedaan. Ik verwachtte een lastig gesprek.
Mijn moeder vroeg, wie er nog koffie wilde.

N.B. De NTR zendt op zaterdagavond  Ondersteboven!  uit, een serie over de jaren zestig.