Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

1

OPGETROKKEN KNIEËN

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (4)

Studentenflat van Lieflandlaan

Ik had wat kortdurende relaties met vriendinnetjes gehad, toen ik I. ontmoette. Het was tijdens een feest in de studentenflat aan de van Lieflandlaan, waarheen ik in 1971 was verhuisd. I. stond in een deuropening, haar lange rode haren glansden in het licht van de gang. Wij lieten elkaar die avond niet meer los en dat ging de dagen daarna zo door. Het was duidelijk dat het Grote Wonder van het Gezamenlijk Genoegen nu zeer nabij was. Ik had er al lang naar uitgekeken. In mijn jongensbrein had het verlangen naar het hoogst haalbare genot mythische proporties aangenomen. Zou ik ongeneeslijk ziek worden en nog één wens mogen doen, dan wist ik het wel.
Voor de inwijding in het Grote Wonder had ik in I. een goede partner. Zij had al met verschillende vriendjes gevreeën, onder meer met de bekende actievoerder van de Rode Jeugd, L. van H., die voor het plegen van een bomaanslag een tijd de bak was ingedraaid. I. wist dus van wanten.
Toen wij na een filmavondje ’s avonds op haar bed lagen, voelde het als heel natuurlijk, dat het ene na het andere kledingstuk werd uitgetrokken en met naar binnen gekeerde mouwen en pijpen naast het bed werd gedropt. Ik had goed begrepen dat je in dit samenzijn niet je kleren netjes op een stoel hangt.

Het zou een historische avond worden, een mijlpaal, daar was ik mij zeer wel van bewust. ‘Dit is het’, dacht ik, toen ik voor het eerst haar blanke borsten kuste. Toen mijn broek uitging, schoot ik  onder de dekens. Ik schaamde me voor mijn opwinding, niemand had dat ooit gezien. Ik vond het zelf ook geen gezicht.
Ondertussen (een saillant woord in dit verband) had I. haar beide benen tot over haar naakte buik opgetrokken. Daar had ik niet op gerekend. Dat hoort er toch niet bij, dacht ik. Haar knieën drukten zich in mijn borst. Het leek alsof zij een verdedigingswal wilde optrekken tegen een horde aanstormende, van hoogspanning trillende roeden.
Ik moest ook denken aan die bommengooier. Je weet niet wat de omgang met zo’n jongen achterlaat. Net toen ik vriendelijk wilde vragen of zij die hinderlijke knieën kon laten zakken, fluisterde I. met een vanzelfsprekend overwicht in mijn oor: ‘We moeten wel veilig vrijen. Morgen maar eens iets kopen bij de apotheek’. Het moet gezegd: dat was haar wel toevertrouwd. Als gewezen apothekersassistente kende zij het gehele assortiment. Wel irritant dat je nu pas op dat idee komt, dacht ik.

Terwijl wij doorgingen met de liefkozingen, schoot mij te binnen dat ik in de introductietijd voorgelicht was over het fenomeen condoomautomaat. Dus pijnigde ik mijn hersens af, waar er in Utrecht zo’n verdomde automaat zou staan. Ik wist waar alle bioscopen waren, de wetenschappelijke boekwinkels, de platenzaken. Maar de locaties van de condoomautomaten kende ik niet. Als die kennis een teken is van volwassen worden, dan was ik blijkbaar nog niet erg gegroeid. Dit soort gepeins was helaas niet bevorderlijk voor mijn opwinding.
Ik kon desondanks leven met de gang van zaken. Want zo ervaren als I. was in vrijages, zo gepokt en gemazeld was ik in uitstel van behoeftebevrediging. Eerst de zuurkool, dan de pudding. Eerst jaren sparen, dan een brommer. Eerst hard studeren, dan pas tv kijken. Het kon me niet extreem genoeg zijn, zolang er maar daadwerkelijk uitzicht bleef op de hemel.
Ik had haar borsten gezoend, de rest zou later volgen.
Ik hoop, dat jij, lezer, ook met dit uitstel kunt leven.

0

DE GROTE COLLEGEZAAL

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (3)

We zijn met meer dan driehonderd. De grote zaal aan de Varkenmarkt in Utrecht zit in september 1970 meer dan vol met eerstejaars studenten psychologie. Lange haren, spijkerjackjes en pakjes shag vullen de grijze, kale ruimte, die verlicht is met tl-buizen.
Voorin de zaal discussiëren de veelbelovende wetenschapper Köster, de kin in de lucht, en de ouderwetse pedagoog baron van Ittersum, de deliriumhandjes in de zakken van zijn colbert, over de waarde van de fenomenologie. Wat is dat, fenomenologie, vraag ik me af. Heeft dat iets met vrouwen te maken? Ik durf het niet te vragen voor de volle zaal. Het zal wel dom zijn, dat ik dit niet weet.
Daarna zit ik in een werkgroep waar stevig wordt gediscussieerd. De student-assistent die de groep begeleidt zegt, dat hij het spannend vindt: ‘Het zweet staat in mijn handen’. Mijn mond valt open. Dat je onder woorden durft te brengen, dat je iets emotioneel moeilijk vindt! Dat heb ik nog nooit meegemaakt. En wat een ontspanning geeft zijn bekentenis. Het komt helemaal niet zwak over, integendeel. Dit wil ik ook leren, neem ik mij voor.
Later gebeurt er iets, waarvan ik nog meer onder de indruk ben. In zijn colleges vertelt Köster over de resultaten van zijn reukonderzoek. De grote zaal reageert kritisch. Wat is de maatschappelijke relevantie hiervan, wordt gevraagd. Wordt dit gefinancierd door het bedrijfsleven? Als zich hierover een discussie ontspint, roept een jongen in een Afghaanse jas: ‘Wat heb je nu aan dit gelul, terwijl de wereld klote is!’
Ik ben diep geraakt. Er is honger in de derde wereld, oorlog in Vietnam, overal worden arbeiders uitgebuit. Het moet allemaal anders, radicaal anders. Ik voel me schuldig dat ik nog niets hieraan gedaan heb.

De democratiseringsgolf op de universiteiten is vanuit Tilburg en Amsterdam overgewaaid naar Utrecht. Hier hebben studenten de kamer van de curatoren bezet. Ze eisen medebeslissingsrecht, one man, one vote. Minister Veringa bereidt de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming voor. Daarmee worden we ingekapseld, zeggen de radicalen. Ik vind dat ze gelijk hebben.
De Organisatie van Psychologiestudenten (OPSU) belegt een massavergadering waarvoor men dezelfde collegezaal aan de Varkenmarkt kan gebruiken. Er worden stencils uitgedeeld tegen de hoogleraren en hun onderonsjes. Boycot Veringa met zijn inspraakorganen, daar word je alleen maar ingepakt! De eis is dat psychologiestudenten voor elk onderdeel zelf een alternatief mogen voorstellen. Er wordt gepleit tegen massale hoorcolleges en voor projectonderwijs. Ik hoor het  instemmend aan.  De sportpsychologie, die de reden was waarom ik voor deze studierichting had gekozen, verdwijnt geruisloos aan de horizon.

Enige weken later kan de OPSU de grote collegezaal opnieuw gebruiken, nu voor een groot feest op een zaterdagavond. Dit weekend ga ik daarom niet met een tas vol vuile was naar huis.
De zaal ziet er zonder het tl-licht duister uit. Bij de ingang staan de kratjes bier hoog opgestapeld. Zou dat er allemaal deze avond doorheen gaan, vraag ik me af. Het lijkt me onmogelijk. Ik herken enkele actievoerders van de massavergadering. Student J. loopt op zijn eentje een beetje vreemd rond. Hij tast met zijn handen alle muren en het schoolbord af. Wat is hier aan de hand?
In het lawaai en gedrang speur ik naar meisjes die ik van colleges en werkgroepen ken. Als ik na een tijdje nog geen bekende gezien heb, stap ik maar weer op mijn oranje fiets. Op de Jutfaseweg word ik aangehouden door een Noorse vrachtwagenchauffeur op zoek naar ‘u kul’. Ik kijk hem niet-begrijpend aan. ‘Now, you arru a boy, I wanttu u kul’. Nu wordt het me duidelijk.
Dat juist ik dat niet begrepen had.

0

OP KAMERS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (2)

Runstraat

De stapel Amerikaanse studieboeken ging mee en een weekendtas met schone kleren. Verder had ik nog een campinggasje ingepakt en een pannetje. Veel meer was het niet, waarmee ik in augustus 1970 verhuisde naar mijn eerste kamer aan de Runstraat in de Rivierenwijk in Utrecht. In het kamertje van 2 bij 3 stonden al een bed, een bureautje en één stoel. Daar kwam nog een butagaskacheltje bij, dat ik tevens als broodrooster gebruikte.
Alleen de muziek ontbrak nog. Daarom werkte ik drie weken bij stomerij Hartevelt. Ik sjorde broeken rond een pasvorm en joeg er dan een lading stoom doorheen. Bij de wekelijkse partij broeken uit het Willem Arntszhuis vermengde de chemische geur zich met de stank van urine. Zo verdiende ik mijn eerste bandrecorder.
Het houtwerk in mijn kamer was vijftiger-jaren-grijs van kleur. Met toestemming van de hospita verfde ik de deur en de balken van het dakbeschot oranje. Dat paste mooi bij een affiche van de NVSH dat ik een prominente plaats aan de muur had gegeven.
Mijn vader had geregeld dat ik mijn blauwe Tomos achter het huis in het gangpad mocht parkeren, dit met het oog op het criminele tuig in de grote stad. Toen ik merkte, dat iedereen op de fiets naar college kwam, liet ik mijn brommer ongebruikt staan roesten in de regen. Omdat ook fietsen vaak gestolen werden en ik nog wat oranje lak over had, verfde ik mijn fiets oranje. Alleen op Koninginnedag stapte ik wat beschroomd op.

Het ontdekken van het leven kon beginnen.
De uren overdag waren voor de studie, de avonden voor het bezoek. Als je ’s avonds alleen op je kamer zit, komen de muren op je af, had ik iemand horen zeggen. En dus trok ik er elke avond op uit om iemand op te zoeken, of er werd bij mij aangebeld, soms wel drie keer op een avond. Als bed en stoel bezet waren, nam de rest plaats op de grond. Kwam er iemand rond etenstijd langs, dan bakte ik wel eens pannenkoeken op mijn campinggasje. Mijn kleine kamer stond voortdurend stijf van de rook. Ik deed voor het eerst mee met een joint.
T. vertelde vol trots over zijn eerste vrijpartij. Vriend M., die op jongens viel, verzekerde dat stimulering van de tepels ook tot een orgasme kon leiden.  Ik aanbad in stilte het schuchtere meisje dat mij bij de bakker om de hoek hielp.
We spraken over alle zaken des levens, over studie en kamers, en vooral over wat goed en fout was. Verlost van ouders en school waren we bezig nieuwe kaders te ontwikkelen. We waren tegen de Amerikanen en tegen milieuvervuiling en voor Monty Python en voor Ajax.
Mijn oudere broer haalde huis-aan-huis handtekeningen op in de Rivierenwijk. Hij studeerde sociologie, maar was de wijk ingekomen om actie te voeren. Een andere tijd kondigde zich aan.
Ik weigerde mee te doen met de Volkstelling. Die viel in de categorie ‘fout’. Al hoopte ik vurig dat ik niet thuis zou zijn, als de teller aanbelde, want op weigering stond een  boete van f 500,-. Met mijn uitgavenpatroon van f 5,- per dag zou dat betekenen, dat ik weer broeken moest gaan stomen.
Het lukte me om afgekeurd te worden voor militaire dienst. Op S5, onaangepastheid. Er werd gezegd, dat ik nu nooit meer een baan bij de overheid zou kunnen krijgen. Het leger was echter overduidelijk fout en onaangepast wilde ik wel zijn, een oranje fiets had ik al. Bovendien, als ik als soldaat zou schieten zoals ik sprak, dan viel er met mij geen oorlog te winnen.

1

NAAR DE UNIVERSITEIT

Herinnering

Deel 1 Serie Studeren in de jaren ’70

Ik had priester moeten worden. Op zolder had ik al vaak de mis opgedragen, de handen  omhooggericht, achter een oud dressoir dat als altaar diende. Maar op mijn 12e wilde ik voor geen goud naar een jongensinternaat. Daarna veranderden de tijden, de kerken liepen leeg en ik liep mee.
Sport was mijn lust en leven: gymnastiek, voetballen, tafeltennis. Ik organiseerde sportwedstrijden die ik vervolgens glansrijk won. Sportleraar worden leek een logisch vervolg, totdat ik een boek las over de psychologie van de sport. Over de schoonspringster die zich concentreert voor een sprong en de speerwerper die zijn aanloop inzet. De helft van de prestatie wordt bepaald door het zelfvertrouwen en de instelling, schreef psycholoog Grunwald. Dat sprak mij enorm aan. Want hoe ouder ik werd, hoe meer ik begon te twijfelen en hoe meer mijn zelfvertrouwen verschrompelde. Toen in de keuze van een studie mijn lievelingsvak Geschiedenis ook afviel – ik zag mij met een spraakgebrek niet voor de klas staan – was het besluit duidelijk.

Zomer 1970 meld ik mij bij de universiteit Utrecht voor de studierichting psychologie.
Weg van het schoolse gymnasium, weg uit het benauwde ouderlijk huis, de vrijheid tegemoet. Op eigen benen staan, zelf beslissen, ik kijk er erg naar uit. Maar al in de introductieweek ontdek ik ook een andere kant. Ik word bedolven onder een berg informatie over studentenverenigingen en kamerverhuur. Over hulpinstanties en condoomautomaten. Over derdewereldwinkels en aksiegroepen. De keuzemogelijkheden maken me onzeker. Binnen de introductiegroep ben ik een verlegen deelnemer die braaf om 01.00 uur naar huis gaat, omdat het al zo laat is. Na het eten op de Mensa ga ik het liefst een potje voetballen.

Met vriend Ton meld ik mij aan bij studentenvereniging Veritas. Van ontgroening zou geen sprake meer zijn, maar al op de eerste avond commandeert een ouderejaars de pas aangekomen studentjes: ‘Zitten! Opstaan! Zitten! Opstaan!’ Als Ton en ik, heldhaftig anti-autoritair, uit protest hiertegen de zaal willen verlaten, blijkt de deur op slot gedaan. De volgende dag leveren we onze lidmaatschapskaart weer in.
We gaan nog eens een avondje naar Prometheus, een vooruitstrevende vereniging. Maar het groepje studenten dat bij het licht van vloeistofdia’s stoned naar Ummagumma van Pink Floyd zit te luisteren spreekt ons ook niet aan.
Het ouderlijk huis, het gymnasium, de kerk, de studentenvereniging: de bestaande kaders vallen af. Ik moet zelf op zoek naar een nieuw houvast.

Daar zit ik dan, begin september, op de bank voor het ouderlijk huis in een vriendelijke nazomerzon. Naast mij een stapel van 9 dikke Amerikaanse studieboeken.
Voor mij opengeslagen ligt Dember & Jenkins, General Psychology. ‘If perception can be a construction and memory is a construction, it may be that memory does not store a set of objects or their copies but rather consists of activating the set of rules that were used in constructing the original perception’. Ik lees de zin drie , vier, vijf keer en weet dan nog steeds niet wat er staat. Ik doe op deze manier een uur over een pagina en word er wanhopig van. Hoe kom ik hier ooit doorheen en wat heeft dit in godsnaam met die speerwerper te maken? De kinderen uit de buurt vragen of ik met hen kom spelen.
Twee maanden later haal ik een 8,5 voor het tentamen General Psychology, terwijl het om mij heen onvoldoendes regent. Ik ben teruggevallen op een oud kader: braaf studeren om goed voorbereid aan een proefwerk te beginnen. De jaren daarvoor kreeg ik 9 uur Grieks en 9 uur Latijn per week. Die stof zei me ook geen moer, maar ik heb toen wel geleerd om te leren.
Was ik ook voorbereid op het zelfstandig wonen?

1

DE KEUZE VAN JE LEVEN

Herinnering
Heeroom 1

Mijn oom als journalist in Rotterdam, 1926

Hoe komen belangrijke keuzen in het leven tot stand? Voor een loopbaan, een partner, een verhuizing? De omstandigheden, rationele afwegingen, intuïtie en gevoelens, van alles komt er bij kijken. De laatste jaren denk ik steeds vaker dat je persoonlijkheid of karakter doorslaggevend is.

Ik ben bezig om de kast met familie-documenten, die mijn vader heeft nagelaten, te ordenen. Daarin kom ik veel stukken tegen over mijn Heeroom (1903 – 1989). Deze broer van mijn vader werd in 1927 monnik bij de cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten.
De cisterciënzer monniken leven teruggetrokken achter de muren en wijden een groot deel van de dag aan zingen en bidden. De leefregels in het klooster waren zeker in de 20e eeuw zeer streng. De monniken stonden om 2 uur ’s nachts op, zeven minuten later waren zij allen aanwezig in de bijna geheel donkere en in de winter steenkoude kerk voor het eerste Ave Maria, gratia plena. In de loop van de dag volgden nog zes gebedsdiensten. Tussendoor waren er ‘vrije uren’, bedoeld voor studie. Daarnaast werd er flink gewerkt in de brouwerij of op het land, welke werkzaamheden werden beschouwd als ontspanning. Bij het ontbijt at men alleen een paar korsten droog brood. In de vasten was het menu nog kariger. De vastentijd bedroeg ongeveer de helft van het jaar. Een monnik leefde celibatair, een eigen kamer had hij niet en er gold een absoluut spreekverbod. Zo ging dat zeven dagen per week, jaar in, jaar uit.
Mijn oom was voor zijn intrede enkele jaren werkzaam als journalist in Rotterdam. Zo jong als hij was, had hij toch in korte tijd een enorme waardering opgebouwd bij zijn collega’s, ook van andere dagbladen. Hij had een uitgebreide vriendenkring en had onder meer contact met bekende schrijvers als Anton Coolen en Anton van Duinkerken. En, misschien nog belangrijker: hij had de grote liefde van zijn leven ontdekt, Do, een onderwijzeres. Ze keken samen in de duinen naar de ondergaande zon en zaten uren op een bankje in de Rotterdamse Diergaarde, waar hij moest zijn om een stukje te schrijven over de bijzondere victoria-bloem, die daar toen bloeide. Kortom, een mooie toekomst lag voor hem.
Op dat moment koos hij ervoor om in te treden in de strengste kloosterorde van Nederland.

heeroom 2

Na zijn wijding tot abt, 1945

Deze drastische keuze intrigeerde mij in hoge mate. Daar wilde ik meer over weten. Gelukkig kom ik in het archief enkele interviews tegen, waarin mijn Heeroom openhartig ingaat op zijn roeping. Voorop staat dat hij altijd een zeer gelovig man is geweest. Daarnaast was hij idealistisch. Hij zag veel armoede en onrecht in de wereld en meende dat hij als kloosterling méér aan een betere wereld kon bijdragen dan als journalist. Tenslotte was hij principieel en streng van aard.
Eén deel van zijn karakter vind ik in het roepingsverhaal onderbelicht: de emoties. Mijn Heeroom was een zeer gevoelige man. Beschermd opgegroeid kwam hij als journalist in de grote stad terecht waar hij geconfronteerd werd met de harde kanten van het leven: armoede, criminaliteit, losse zeden. In een interview  vertelt hij over de hoeren, die hem een keer bijna hadden meegelokt. En er was natuurlijk die grote liefde, die heftige gevoelens opriep. Sterke emoties kunnen beheerst worden door vaste regels te hanteren en de stilte op te zoeken. En waar kan dat beter dan in een kloostercongregatie?
Mijn oom heeft nooit spijt gehad van zijn keuze. Terugkijkend op de jaren vóór zijn intrede zegt hij: ‘wanneer ik terugdacht aan dat dynamische leven, kwam het me toch erg donker voor.’ En over Do, de grote liefde uit zijn jeugd, zegt hij op zijn tachtigste: ‘uit mijn geest is zij nooit verdwenen. Ik bid dagelijks voor haar’.

2

VALT ER NOG WAT TE LACHEN?

Herinnering

In het tv-programma Wissels

In de tachtiger jaren vormde ik met twee andere stotteraars de cabaretgroep Groen & Geel. De  lachwekkende situaties die we speelden en de gevoelige liedjes die we zongen gingen veelal over onze eigen handicap. Stotteraars op de planken, dat trok de aandacht van veel media. Toen wij onze kunsten op televisie vertoond hadden, haakte Freek de Jonge daar ’s avonds in zijn voorstelling in Utrecht op in: ‘cabaretiers mogen niet stotteren en stotteraars moeten geen cabaret maken’.
De Jonge maakte wel vaker grappen over de gehandicapte medemens. Daarop aangesproken door de toenmalige Gehandicaptenraad, de hoeder van elk gebrek in Nederland, werd het plan geboren een festival over cabaret en handicap te organiseren onder de titel: Valt er nog wat te lachen? De Gehandicaptenraad nam de organisatie op zich, Freek de Jonge schonk de hoofdprijs van 2000 gulden en de KRO, de omroep die altijd al een zwak had gehad voor de gebrekkige medemens, beloofde de finale uit te zenden – op de radio, wel te verstaan.

We zagen er wel wat in om via dit festival onze bekendheid te vergroten. En we wilden best de concurrentie aangaan met andere gebrekkigen, zoals de Vereniging van Incontinenten in Nederland. Dat waren, naar eigen zeggen, toch maar een stel zeikerds. De zelfrelativering nam bij gehandicaptengroepen een hoge vlucht.
De voorronde kwamen wij glansrijk door, geheel in overeenstemming met mijn verwachtingen. Tot dan toe hadden we immers alleen maar veel lof ontvangen voor onze durf, waardering voor de teksten en bescheiden gelach om de grappen. Die bescheidenheid kwam voort uit de onzekerheid van het publiek of je wel om andermans ellende mag lachen. Het oproepen van die onzekerheid beschouwden wij als onze missie.

Vol goede moed en verwachtingen over het eindresultaat reizen wij dan ook naar de finale in de KRO-studio in Hilversum. Vijf verschillende acts mogen hun kunsten vertonen. Er doet een groep medewerkers uit de gehandicaptenzorg mee en een spastisch meisje, dat tussen haar schokkende bewegingen door een paar korte, maar onverstaanbare zinnen laat horen.
De jury bestaat onder andere uit Boudewijn Paans, de spastische hoofdredacteur van de VPRO-gids, Jack Spijkerman, humordeskundige van de VARA en Hans van Willigenburg, de KRO-presentator  die immer gehandicapt door een zongebruinde kop door het leven gaat.
Onze uitvoering verloopt vlekkeloos. De vanzelfsprekend aanwezige doventolk heeft geen enkele moeite om ons bij te houden, al moet ze haar bewegingen wel vaak herhalen.
De jury roept aan het einde van de middag een blinde jongen van 22 jaar tot winnaar uit. Hij stond voor dit festival voor de eerste keer op het toneel en zou een grote carrière tegemoet gaan: Vincent Bijlo. Ik ben teleurgesteld, maar kan hier wel mee leven.
Groter is mijn frustratie als blijkt dat wij als vierde eindigen, zelfs nog achter het onverstaanbare spastische meisje. Ik kan vindt deze waardering zo belachelijk en onrechtvaardig, dat ik op de terugweg resoluut besluit om te stoppen met dit cabaret. Later die avond stel ik het besluit bij tot het stoppen met het meedoen aan festivals.

In de Volkskrant komt enkele dagen later de aap uit de mouw. Boudewijn Paans beschrijft in zijn wekelijkse column het cabaretfestival. Over ons schrijft hij: ‘Groen & Geel probeert de handicap stotteren op de korrel te nemen en slaagt daar niet in. Niemand van de groep stottert en dat kan natuurlijk niet’.
Diezelfde dag nog schrijf ik Paans een brief op poten en daag hem uit telefonisch contact met mij op te nemen, zodat hij zelf de mate van vloeiendheid van mijn spraak kan vaststellen. Mijn broer stuurt een ingezonden brief naar de Volkskrant. Een reactie blijft uit.
In een hoekje van mijn kamer staat nog altijd de wanstaltige, inmiddels doffe prijsbeker die ons deel werd na het behalen van de vierde plaats.

1

EEN PRANGENDE VRAAG

Herinnering

In 1965 schuifel ik met een groep leeftijdgenoten onwennig het parochiehuis van de Biltstraatkerk in Utrecht binnen. De zaal staat vol met houten tafels en stoelen. Er is een toneel, de gordijnen zijn dicht. Vandaag is de bezinningsdag voor de 2e klassen van het Sint-Bonifatiuslyceum.
Een godsdienstleraar spreekt over onze toekomstige taak in de maatschappij, over huwelijk, gezin en seksualiteit. Daarna praten we in kleine groepen verder onder leiding van een vrouw van middelbare leeftijd.
Ik hou niet van dit soort gesprekken. Ik zit liever in de klas waar je een goed antwoord kan geven of een fout antwoord. Hier moet ik een mening geven over iets wat ver van mij afligt. Maar ik heb wel een prangende vraag. Alleen weet ik nog niet of ik die durf te stellen.

Als kind kwam ik eens op een winterse dag mijn bed uit, het was nog donker. Ik liep in mijn pyjama de trap af, mijn ogen toegeknepen vanwege het licht in de gang. Beneden stond mijn moeder mij op te wachten. Ze was ook nog in pyjama.
Dat was nog nooit gebeurd. Als ik opstond was ze altijd al aangekleed.
Nu nam zij mij mee naar haar bed, ik mocht op de nog warme plek van mijn vader liggen. Ook dat was nog nooit gebeurd. In het duister vertelde zij met zachte stem dat kinderen in de buik van de moeder groeien. Dat zo’n vrucht eerst nog maar zo klein is als een boontje, maar na negen maanden groot genoeg is om geboren te worden. Ik zag dat boontje voor me en ik vond het maar een vreemd verhaal.
Een paar jaar daarna zat ik met een aantal jongens bij de kapelaan. Aan het einde van het gesprek deed de kapelaan ons nog even snel een openbaring: dat alle jongens, vroeg of laat, een zaadlozing krijgen. Ik vroeg me af hoe dat zou gaan. Maar ik zou er niet aan ontsnappen, zoveel was duidelijk.

Op de bezinningsdag komt de kwestie weer naar boven. Er is intussen een vraag in mij gerezen: hoe komt die zaadcel toch bij de eicel in de buik van de vrouw terecht, zodat dat boontje kan gaan groeien? Ik heb opgevangen dat man en vrouw in bed met elkaar iets doen, maar wat precies? Tijdens een kopje thee vertelt mijn moeder dat een neef iets gedaan heeft wat niet mag. Er is een kindje op komst, hij moet gaan trouwen. Wat hij dan precies gedaan heeft, durf ik niet te vragen. Het is een schaamtevol gebeuren.
Ik hoor mijn vriendjes niet hierover spreken en als we in de biologieles bij de anatomie van het menselijk lichaam aangekomen zijn, zegt Nagel, onze leraar, dat bij mannen het urinebuisje iets verder doorloopt dan bij vrouwen. ‘Dat is het enige verschil’, zegt hij luchtigjes, waarna hij snel overstapt naar de functie van de nieren.

De bezinningsdag lijkt mij wel een geschikt ogenblik om een vraag te stellen over hoe zaad- en eicel elkaar kunnen vinden. Maar omdat dit onderwerp omgeven is door duistere gesprekken en schaamte kan ik alleen via een grote omweg een vraag stellen.
Ik had me al eens afgevraagd hoe zeelieden, die altijd van huis zijn en nooit bij hun vrouw in bed liggen, kinderen kunnen krijgen. Aan het einde van de dag, als de gespreksleidster rondkijkt of er nog vragen zijn, spring ik – god zegene de greep – in het diepe en stel heftig stotterend mijn vraag over de zeeman. De gespreksleidster lijkt voorbereid op alle vragen over een goed huwelijk maar vragen over zeelieden heeft ze kennelijk nooit gehad. Als ik eindelijk klaar ben met mijn worsteling vraagt zij onzeker: ‘je bedoelt hoe zo’n huwelijk in stand kan blijven?’. Ik zak teleurgesteld achterover en durf niet te zeggen dat ik iets anders bedoel.
Bezonnen maar onbevredigd stap ik weer op de fiets naar huis. Het onbezorgde leven lijkt voorbij.

2

IJSKOUD VASTHOUDEND

Herinnering

Het mechanisme werkt als volgt. Je hebt een bepaalde opvatting en alle argumenten en zelfs feiten, die daar tegen ingaan, ontken je, negeer je of bestrijd je; alles om maar vast te houden aan je eigen standpunt of waarheid. Dat kan ver gaan.

ijs polderHet is winter en er staat een straffe noordoosten wind. Na enkele dagen vorst is mijn verwachting dat  er wel geschaatst kan worden. Ik woon sinds een paar jaar op kamers in Utrecht, maar voor het schaatsen ga ik terug naar Vleuten. Ik zie de bevroren dauw in de winterse polder al voor mij, ik hoor het goddelijke geluid van schaatsen over hard, maagdelijk huis. Ik ruik de balkenbrij, waar mijn moeder mij na afloop op zal trakteren.
Het ijs van de spoorsloot voelt stevig aan, een enkeling heeft hier al geschaatst. De ijsvloer kraakt  waar deze losraakt van de slootkant. Met de wind schuin in de rug ben ik al snel bij de Bijleveld. Ook hier ziet ik schaatsstrepen. Mijn idee wordt bevestigd: het ijs is dik genoeg.
Dan kom ik bij een kruising, waar vanuit het noordoosten een sloot in de Bijleveld uitkomt. Die sloot ligt door de wind nog helemaal open. Aan de overzijde van de kruising spelen enkele jongens ijshockey. Ik hou even in, want het ijs, zo vlak bij die open sloot, ziet er dunnetjes uit. Vlak langs de oever lijkt het ijs dikker, dus daar moet ik langs.
Dan gebeurt het. Het ijs zakt weg onder mijn voeten. Ik ga omlaag, mijn benen worden nat, ik val schuin voorover.

Mijn eerste gedachte is: dit kan niet, het bestaat niet dat ik hier door het ijs zak. Ik heb al zoveel geschaatst, ik ken de polder, vertel mij wat. Ik zak dieper weg en het water komt aan mijn borst, maar ik geloof nog niet dat het waar is. Alles gebeurt in een flits van een seconde. Dan voel ik dat mijn benen traag door het water bewegen en met mijn kin kom ik op een scherpe rand ijs terecht. Pas nu zeggen mijn hersenen dat ik ervoor moet zorgen, dat ik zo snel mogelijk weer uit het water kom. Als in één doorgaande beweging weet ik weer overeind te komen en op de oever te klimmen. De jongens kijken me geschrokken aan. Ik doe alsof er niets aan de hand is. Alsof ik regelmatig zo eventjes door het water struikel. Via het weiland keer ik terug naar waar het ijs sterk genoeg is.

ijs gezaktOp de spoorsloot zie ik opeens, dat mijn beige jas aan de voorzijde geheel rood  geworden is. Er druppelt in hoog tempo bloed uit mijn kin. Vreemd, want ik voel geen pijn. Met mijn zakdoek op de wond probeer ik de vloed te stelpen. Als ik uiteindelijk tegen de wind in bibberend bij mijn schoenen aankom, zijn mijn vingers zo koud dat het me niet lukt om de inmiddels bevroren veters van mijn schaatsen los te knopen. Gelukkig is er een Florence Nightingale nabij die mij te hulp schiet.
In mijn ouderlijk huis blijkt de jaap in mijn kin zo groot dat het verstandig lijkt een arts te raadplegen. Uiteindelijk beland ik op een operatietafel in het Antonius Ziekenhuis, waar men de wond weer keurig dicht naait. Onderwijl dringt mijn ontkenning van de werkelijkheid die middag langzaam tot mij door. Ik ben met mijn vasthoudendheid aardig door het ijs gezakt.
Er zijn naasten, en zeker niet de minsten, die vinden dat ik me nog altijd onvoldoende heb losgemaakt van dit mechanisme. Misschien hebben zij gelijk. Maar misschien houden ook zij teveel vast aan hun eigen oordeel.

5

MIJN EERSTE KLANT

Herinnering

De oude man heeft zijn jas open geknoopt. Zijn pet ligt voor hem op het tweedehands salontafeltje. Hij zit op de rand van de fauteuil, alsof hij elk moment weer wil opstappen. Door het hoge raam valt  zonlicht op een fris uitziende plant.
De man vertelt, dat hij in de Molenkruier gelezen heeft over de opening van ons centrum. Dat iedereen binnen kan komen lopen voor een gesprekje.
Hij wil graag iets vertellen.

Ik behoor tot een groep studenten, die vanuit de Vakgroep Klinische Psychologie een centrum in Nieuwegein hebben opgezet, De Aanloop. We bieden laagdrempelige psychologische hulp in de wijk. Het is het midden van de jaren zeventig, alles moet anders. Dus we willen een verband leggen tussen de problemen van het individu en zijn omgeving: het sociale netwerk, de woonomstandigheden, de man-vrouwverhoudingen. Bewoners kunnen binnen lopen voor een praatje, een kopje koffie of om een tijdschrift in te zien.

‘Ik wil iets vertellen over lang geleden’, begint mijn eerste klant, ‘toen ik nog een jongeman was’.
Vanuit mijn fauteuil knik ik hem bemoedigend toe. Ik probeer een ontspannen houding te vinden. Ik heb het erg warm.
Op een dorpsfeest had hij een aardige vrouw ontmoet. Ze waren met zijn tweeën gaan wandelen, weg uit het feestgedruis, het dorp uit, over stille landwegen. Ze hadden uren gesproken met elkaar en waren gaan liggen in een grasberm. Toen de duisternis was ingevallen, hadden zij  – op dit punt aarzelt de man enkele ogenblikken  – de liefde bedreven.
Ik knik hem nogmaals toe, uiterlijk kalm, maar in mijn hoofd ben ik koortsachtig op zoek naar waar dit verhaal naar toe gaat en hoe ik moet reageren.
We hebben ons goed voorbereid op de hulpverlening. We hebben niet alleen stapels literatuur bediscussieerd over de relatie tussen psychische problemen en maatschappelijke omstandigheden. We hebben ook geoefend met het bespreken van angsten, relatieproblemen, en sombere gevoelens.
De man kijkt mij kalm, maar indringend aan.
‘Dat was de mooiste nacht, die ik ooit heb meegemaakt’, zegt hij op bijna fluisterende toon.

Twee medewerkers van de Aanloop

Hij voegt eraan toe, dat hij nooit getrouwd geweest is en dat het dus bij die ene nacht gebleven is. Maar dat hij nog altijd, ook nu, warm wordt bij de herinnering aan het samenzijn met die vrouw.
Wat moet ik hiermee, flitst er door mijn hoofd. Ik ben op zoek naar een probleem dat ik kan analyseren, maar dat heb ik nog niet ontdekt. Ik voel medelijden opkomen en moet de gedachte onderdrukken dat ik zelf al zoveel meer ervaring heb met mooie nachten.
Zoekend naar woorden geef ik een samenvatting van wat de man verteld heeft. Dat is een van de gesprekstechnieken, die we geleerd hebben. Die kan je inzetten om te toetsen of je het goed begrepen hebt. Samenvatten is ook een uitnodiging aan de cliënt om verder te vertellen.Dat doet deze man dan ook. Zonder een spoor van berouw, spijt of een ander negatief gevoel, vertelt hij nog eens over die aardige vrouw en het samenzijn op de landweg.

Wat brengt hem er toe om hier nu zijn verhaal te vertellen, vraag ik mij af?
Terwijl ik nog zit te broeden op een goede formulering van deze vraag, geeft de man zelf al het antwoord. Het is een gebeurtenis van jaren geleden en hij is nu op leeftijd. Hij heeft er heel zijn leven lang over willen vertellen, maar het nooit aangedurfd. Niet één keer. Tegen niemand. Daarom is hij blij dat hij het nu een keer heeft kunnen vertellen.
Hij bedankt mij voor mijn aandacht, pakt zijn pet, geeft mij een hand en loopt de deur uit.
‘En hoe ging het?’, vragen mijn collega’s als ik beduusd en met zweetplekken onder mijn oksels de spreekkamer uitkom.

0

MET DE AUTO OP STAP

Herinnering

Op een mooie lentemorgen rijd ik met mijn ome Ries in zijn VW-bus door Haarzuilens. Hij slaat een doodlopend gedeelte van de Ockhuizerweg in, een smal weggetje met aan weerszijden sloten. Wij zijn op weg naar een boerderij, naar een van zijn klanten. Ome Ries is smid.

Wanneer ik in de smederij kom, roept hij altijd: ‘Ha, volle neef!’. Als kind sta ik geboeid te kijken hoe hij een vuurrood stuk ijzer uit het vuur haalt om dat met zijn hamer te bewerken. Dan hou ik mijn vingers in mijn oren. Als hij aan het lassen is kijkt hij door een grote zwarte kap met mica ruitjes. Ik kan maar beter niet naar al die vonken kijken, heeft ie gezegd. Dat is niet goed voor mijn ogen.
Ik ben er ook wel eens bij als er buiten een paard beslagen wordt. Dat geeft zo’n weeë, branderige geur. Soms moet mijn ome Do eraan te pas komen om het tegenstribbelende paard in bedwang te houden.
Het leukste van alles is als ik met ome Ries mee mag rijden. De motor van de VW-bus ronkt als ie optrekt. Het stuur ligt horizontaal op de stuurstang die recht uit de laag gelegen bodem komt. De versnellingshendel is een lange ijzeren pook. Beweeg je de richtingaanwijzer dan komt er buiten uit de carrosserie een oranje verlicht balkje tevoorschijn, alsof iemand een te klein armpje uitsteekt.
Ik rij mee met ome Ries naar boeren in de omgeving. Of naar een groothandel in Utrecht. Ome Ries zit altijd op zijn gemak achter het stuur, pratend over van alles en nog wat.
Op een kruispunt in Utrecht moet hij een keer plotseling boven op zijn rem gaan staan, omdat er een auto van rechts komt. De rem werkt uitstekend. Ik vlieg van de zitting af, bijna met mijn hoofd tegen de kleine voorruit.
‘Zo’, zegt ie nonchalant terwijl hij de auto weer start,  ‘die had voorrang’.
Op een ander tochtje zegt hij leunend met zijn armen op het stuur: ‘Auto rijden is geen kunst’. Hij kijkt me glimlachend van opzij aan: ‘dit kan jij net zo goed’.
Zijn kinderen rijden ook, al zijn ze nog jong. Zoon Brord was nog geen vijftien toen hij na een verjaardag enkele gasten naar Utrecht bracht. Hij reed in de koffiebruine Kever, die mijn vader van Douwe Egberts had overgenomen. Ik mocht ook mee. De eerste winterse buien waren net gevallen. Op de rotonde voor de Leidseveer tunnel gleden we naar rechts in plaats van naar links.

Halverwege de Ockhuizerweg komt ons een auto tegemoet. Er is weinig ruimte om te passeren. Ome Ries mindert vaart en rijdt met de rechterwielen door de grassige berm. Bij het passeren wijkt hij nog verder uit naar rechts. De auto helt over en staat nu nagenoeg stil. Als de tegenligger voorbij is en ome Ries weer door wil rijden, slippen de wielen in het gras. De motor slaat af en de auto zakt nog verder de berm in. Het busje hangt nu gevaarlijk schuin boven de sloot. Door het raampje rechts zie ik het heldere water vlakbij mij. Wat mij nog meer benauwt is dat ome Ries langzaam maar onontkoombaar mijn kant op komt glijden en mij met al zijn gewicht strak tegen de deur aan klemt.
‘Ik denk dat we maar beter niet aan jouw kant kunnen uitstappen’, zegt ie met een lachje om zijn mond. Hij trekt zich omhoog naar zijn eigen portier en stapt uit. Ik volg hem. Op het geluid van de buitelende kieviten na is het stil in de polder. Het is een prachtige lentemorgen, het gras is oogstrelend groen.
Ome Ries zit in zijn blauwe overall op zijn knieën op de weg en kijkt met gebogen hoofd onder de auto. Dan gaat ie op weg om hulp te halen. Er komen een tractor, zes boerenarmen en een paar planken aan te pas om de auto weer op de weg te krijgen. Daarna stappen we in en rijden verder alsof er niets gebeurd is.