Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

WE ARE THE CHAMPIONS

Herinnering

De huldiging van Feyenoord bracht me deze week weer terug naar zondag 8 mei 2011 en het Raadhuisplein in Waalwijk. Ook de Coolsingel van Waalwijk stond destijds barstenvol voetbalsupporters. Vooraan op het plein, een heel eind bij G. en mij vandaan, zagen we een in zwarte kleuren opgetrokken podium, waar felle spots heen en weer zwaaiden op de maten van een happy hardcore beat. Het was een teringherrie. In afwachting van de kampioensploeg werden er rookpotten aangestoken, in de clubkleuren geel en blauw. De stinkende rook ontnam ons haast de adem. De massa deinde heen en weer, het plastic van lege bierglazen knisperde onder de voeten.
Wij voelden ons een beetje een vreemde eend in de bijt. We dansten niet mee, scandeerden geen leuzen, we klommen niet met een glas bier in een lantaarnpaal. We waren supporter vanuit familiaal verband.

Twee dagen daarvoor zat ik met zoon E. in een bus vol voetbalsupporters onderweg naar Geleen. Het is de enige keer in mijn leven dat ik in een supportersbus gezeten heb. Omdat het verplicht was. Vanaf de afslag Susteren werden de bussen door een grote batterij politiemotoren begeleid, alsof we twee weken daarvoor de fans van Fortuna Sittard nog met fietskettingen te lijf waren gegaan.
Het was een weinig spectaculaire wedstrijd. RKC Waalwijk had de overhand en kwam na rust met 0-2 voor. Desondanks zat ik gespannen op de tribune bij elke tegenstoot van Fortuna. Mocht de keeper mistasten of een hoge bal uit zijn handen laten vallen, dan is hij de schlemiel van de avond. Maar als hij de bal uit de kruising ranselt, dan wordt hij de man van de wedstrijd. De grens daartussen is erg smal, het is een dubbeltje op zijn kant.
Geen van beide gebeurde overigens. Zoon Arjan hield zijn doel netjes schoon, tot hij een paar minuten voor tijd door een eigen verdediger gepasseerd wordt. Dat deerde echter niet, RKC won en werd daarmee kampioen van de Jupiler League 2010 – 2011. Het confettikanon deed zijn werk, de schaal werd tientallen malen op het ritmische gejuich van de supporters omhoog geheven, de spelers dansten de polonaise. Pas om half twee ’s nachts  waren we weer terug bij het stadion in Waalwijk. Busdeuren die geopend werden gaven lucht aan tientallen supporters die op een rij in een greppel hun blaas leegden. Op het plein voor het stadion werden de feestelijkheden nog eens overgedaan.

Als voetbalvader ben ik vele jaren het land doorgereisd, naar saaie of opwindende partijen die ik als  gast, zonder te betalen, kon bijwonen. Ook al stond er niets op het spel, ik vond het altijd spannend als Arjan meedeed. Ik genoot ervan als hij positief in de aandacht stond. Als hij in interviews met de media rustig zijn antwoorden gaf. Als hij van het veld liep en mij met zijn ogen op de tribune zocht en tevreden een vuistje maakte.
Maar als hij snel in de kleedkamer verdween en niet naar mij keek, dan wist ik dat hij niet tevreden was. En ik kreeg de kriebels als hij na een minder optreden op social media voor ik weet niet wat werd uitgemaakt. De voetbalwereld is geen schoolplein waar je kunt zorgen dat de kinderen zich netjes gedragen.

Terwijl op zondagmiddag de confetti op het publiek neerdaalde en er vuren werden ontstoken, kwamen de spelers één voor één het podium op. Hoewel hij niet van de schijnwerpers houdt, liep ook Arjan vrolijk naar voren om het verdiende applaus in ontvangst te nemen. Hij was voor ons een wit stipje in de verte, maar we zagen zijn gezicht glimmen op de twee grote schermen naast het podium. In deze overmaat van geluid, licht en rook, bezorgde het mij een brok in de keel. Maar geen mens om ons heen die er weet van had.

0

RADICALISERING

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (6)

In 1972 volg ik de werkgroep Wetenschapskritiek. De begeleider vertelt, dat de psychologie ervoor moet zorgen dat mensen blijven functioneren in de maatschappij. De psychologie is het oliespuitje voor het kapitalisme. Maar, legt hij geduldig uit, de machine knerst hier en daar. Er openbaren zich grote tegenstellingen in het kapitalisme. Dat geeft mogelijkheden om het bestaande te ontkennen en te overstijgen, lees Habermas, lees Marcuse!
Ik volg zijn advies en sluit me aan bij een leesgroep. Overdag leer ik braaf voor mijn tentamens statistiek en methodologie. ’s Avonds discussieer ik in de leesgroep over vervreemding. Marx schreef, dat de mens vervreemd is van de natuur, van de producten die hij maakt, van de medemensen en van zichzelf. Maar omdat de arbeider volgens Marcuse zoet wordt gehouden met een autootje en een tv heeft hij zelf niet meer in de gaten hoe hij wordt uitgebuit. Studenten zijn in deze visie de dynamo van het verzet tegen de bestaande maatschappelijke structuren.
Ik consumeer gretig de maatschappijkritische literatuur, grote idealen verschijnen aan de horizon, inclusief de rituelen uit de socialistische kerk. De wereld steunt op nieuwe krachten, begeerte heeft ons aangeraakt. Hoe meer ik lees, hoe minder ik echter nog weet wat ik met mijn studie psychologie aan moet.
De Organisatie van Psychologiestudenten in Utrecht organiseert een congres over de beroepspraktijk van de psycholoog. Jan Foudraine, auteur van het net uitgebrachte boek Wie is van hout pleit voor het opengooien van de inrichtingen. Een andere spreker noemt bedrijfspsychologen een verlengstuk van de verfoeide ondernemer. Psychologen zouden samen moeten werken met actiecomités van arbeiders en onderzoek moeten doen naar onderdrukkende werkomstandigheden. Onderwijspsycholoog Co van Calcar roept op niet langer te lullen over de beroepspraktijk, maar materiaal te timmeren voor scholen in achterstandswijken. Ik lever een kleine bijdrage aan de organisatie van het congres  door stencils te rapen en congresmappen te verkopen. Met het rode organisatielintje om mijn arm voel ik mij heel wat.

Karl Marx

In de theoretische verhandelingen die we in de leesgroep bespreken staan de maatschappelijke structuren centraal, niet de psychologische. Het gaat over andere mensen, nooit over onszelf. Ik heb in die tijd geen vriendin, voel me onzeker in groepen en mis in mijn studentenflat het warme contact. Maar in mijn leesgroep pleit ik er voor om de zaken fundamenteler aan te pakken. We beginnen aan de Inleiding in de marxistische economie.
Tegelijkertijd vind ik dat ik niet alleen maar moet lezen en discussieren. Ik moet ook iets doen en dus sluit ik me aan bij de oppositiegroep van studenten op de subfaculteit Psychologie. Het onderwijs in het voorkandidaats vinden we belabberd. Wij kunnen te weinig meepraten. Er is 1 medewerker op 40 studenten, terwijl de landelijke norm 1 op 12 is. We schrijven pamfletten over de noodtoestand op de subfaculteit Psychologie en organiseren een protestavond. Er komen meer dan honderd studenten op af. De ontevredenheid is massaal. We weten precies wat er mis is, maar we hebben er nog niet over nagedacht hoe we deze onvrede kunnen omzetten in actie.
Enkele aanwezige studentenleiders van de studentenvakbond USF klampen ons na afloop aan. Als leden van de CPN zijn zij inmiddels gepokt en gemazeld in de organisatie van verzet. ‘Zo’n groep mag je nooit zo maar naar huis laten gaan. Dat demotiveert. Schrijf alle namen op, richt werkgroepen op, ontwerp petities’.
Ik sta er wat bedremmeld bij. De dynamo van verzet slipt over de band.

1

STUDENTENFLAT

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (5)

Uitzicht over Tuindorp

Mijn kamer aan de van Lieflandlaan 50 in Utrecht meet 3 x 4 meter en staat vol met planten, zoals citroengeraniums en sierasperges. Vanaf de bovenkant van de klerenkast heb ik een netwerk van touwtjes gespannen, waarover een snel groeiende ficusachtige plant een groen bladerdak heeft gevormd, waar de verse scheuten omlaag hangen als in een prieeltje. Op een kastje staat een grote bandrecorder en het kleine stalen bureau ligt vol met studieboeken en collegedictaten. Hier bereid ik iedere dag plichtsgetrouw mijn colleges en tentamens voor.
Mijn kamer ligt op de vijftiende verdieping en kijkt uit over Tuindorp en treinstation Overvecht. Ik kijk vaak naar buiten en ken de vertrektijden van de treinen. Zie ik er een gaan, dan weet ik hoe laat het is. Ik hoor het continue geluid van de auto’s op de Kardinaal de Jongweg diep onder mij. Ik zie de wolken langstrekken, de mist verdampen.
Staande voor het raam kijk ik uit over mijn toekomst,  mijn idealen, mijn onzekerheden.

Ik woon hier met negen andere jongvolwassen mannen. Wij zijn de eerste bewoners. De Stichting Studentenhuisvesting meende er in 1971 goed aan te doen om de jongens gescheiden te houden van de meisjes. Die wonen naast ons. We kijken op uit de Volkskrant als zij over de galerij het raam van onze woonkeuken passeren. En vervolgens strelen we onze kat. Die heet Maup, naar de minister van Onderwijs, de Brauw.
Langzaam bouwen we een gemeenschap op, met lijsten bij de biervoorraad en de telefoon, met briefjes en discussies over schoonmaken (‘de douche elke week met lysol!’), over kookplaten die aan zijn blijven staan, koekenpannen die krom zijn getrokken en boterkuipjes die zijn verdwenen.

Maaltijd op de galerij voor de studentenflat

We beginnen met gezamenlijke maaltijden. Als er tenminste iemand bereid is om te koken. Tijdens de maaltijden nemen we elkaar de maat over welk onderwerp je ook maar kunt bedenken. Soms gaat het over de gewenste veranderingen in onderwijs en maatschappij. Ik ben daarin het meest principieel en idealistisch. Alles moet anders: democratie op de universiteit, zelfbestuur voor arbeiders in de bedrijven, verbanning van honger en uitbuiting uit de derde wereld. Het socialisme is mijn doel, maar dat gaat velen in ons huis ietsje te ver. Ik vind dat ik tekort schiet als ik hen niet kan overtuigen. Dan kijk ik na het eten weer uit het raam. Mijn onzekerheid wordt alleen maar groter. En ik noteer in mijn aantekeningen: ‘de banden hier in huis zijn losjes, er is nauwelijks werkelijk contact, we leven langs elkaar heen’. ‘De onderwerpen die tijdens het eten besproken werden, vond ik niet interessant, de meningen staan ver van mij af’.

Maar het huisfeest verbroedert. Het is een goede aanleiding om de kamer eens flink op te ruimen. Dan kunnen de gasten op de grond zitten. De firma Nectar levert met een steekwagen een grote hoeveelheid kratten af.
Het eerste huisfeest heb ik niet tot het einde meegemaakt. Huisgenoot Frans had, met de kennelijke bedoeling om de buurvrouwen te behagen, een aantal grote mandflessen sherry voor een spotprijsje ingekocht.  Iemand had mij geadviseerd om eens sherry te proberen. Met mijn moeders gezegde Onderzoekt alles en behoudt het goede in mijn achterhoofd was ik er niets vermoedend aan begonnen. Halverwege het feest stond ik op mijn kamer met mijn hoofd boven de wastafel, achter mijn groene prieeltje. Ik zag alle zorgvuldig gemaakte hapjes weer naar buiten komen. Dat leek mij niet het goede wat behouden dient te worden.

1

OPGETROKKEN KNIEËN

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (4)

Studentenflat van Lieflandlaan

Ik had wat kortdurende relaties met vriendinnetjes gehad, toen ik I. ontmoette. Het was tijdens een feest in de studentenflat aan de van Lieflandlaan, waarheen ik in 1971 was verhuisd. I. stond in een deuropening, haar lange rode haren glansden in het licht van de gang. Wij lieten elkaar die avond niet meer los en dat ging de dagen daarna zo door. Het was duidelijk dat het Grote Wonder van het Gezamenlijk Genoegen nu zeer nabij was. Ik had er al lang naar uitgekeken. In mijn jongensbrein had het verlangen naar het hoogst haalbare genot mythische proporties aangenomen. Zou ik ongeneeslijk ziek worden en nog één wens mogen doen, dan wist ik het wel.
Voor de inwijding in het Grote Wonder had ik in I. een goede partner. Zij had al met verschillende vriendjes gevreeën, onder meer met de bekende actievoerder van de Rode Jeugd, L. van H., die voor het plegen van een bomaanslag een tijd de bak was ingedraaid. I. wist dus van wanten.
Toen wij na een filmavondje ’s avonds op haar bed lagen, voelde het als heel natuurlijk, dat het ene na het andere kledingstuk werd uitgetrokken en met naar binnen gekeerde mouwen en pijpen naast het bed werd gedropt. Ik had goed begrepen dat je in dit samenzijn niet je kleren netjes op een stoel hangt.

Het zou een historische avond worden, een mijlpaal, daar was ik mij zeer wel van bewust. ‘Dit is het’, dacht ik, toen ik voor het eerst haar blanke borsten kuste. Toen mijn broek uitging, schoot ik  onder de dekens. Ik schaamde me voor mijn opwinding, niemand had dat ooit gezien. Ik vond het zelf ook geen gezicht.
Ondertussen (een saillant woord in dit verband) had I. haar beide benen tot over haar naakte buik opgetrokken. Daar had ik niet op gerekend. Dat hoort er toch niet bij, dacht ik. Haar knieën drukten zich in mijn borst. Het leek alsof zij een verdedigingswal wilde optrekken tegen een horde aanstormende, van hoogspanning trillende roeden.
Ik moest ook denken aan die bommengooier. Je weet niet wat de omgang met zo’n jongen achterlaat. Net toen ik vriendelijk wilde vragen of zij die hinderlijke knieën kon laten zakken, fluisterde I. met een vanzelfsprekend overwicht in mijn oor: ‘We moeten wel veilig vrijen. Morgen maar eens iets kopen bij de apotheek’. Het moet gezegd: dat was haar wel toevertrouwd. Als gewezen apothekersassistente kende zij het gehele assortiment. Wel irritant dat je nu pas op dat idee komt, dacht ik.

Terwijl wij doorgingen met de liefkozingen, schoot mij te binnen dat ik in de introductietijd voorgelicht was over het fenomeen condoomautomaat. Dus pijnigde ik mijn hersens af, waar er in Utrecht zo’n verdomde automaat zou staan. Ik wist waar alle bioscopen waren, de wetenschappelijke boekwinkels, de platenzaken. Maar de locaties van de condoomautomaten kende ik niet. Als die kennis een teken is van volwassen worden, dan was ik blijkbaar nog niet erg gegroeid. Dit soort gepeins was helaas niet bevorderlijk voor mijn opwinding.
Ik kon desondanks leven met de gang van zaken. Want zo ervaren als I. was in vrijages, zo gepokt en gemazeld was ik in uitstel van behoeftebevrediging. Eerst de zuurkool, dan de pudding. Eerst jaren sparen, dan een brommer. Eerst hard studeren, dan pas tv kijken. Het kon me niet extreem genoeg zijn, zolang er maar daadwerkelijk uitzicht bleef op de hemel.
Ik had haar borsten gezoend, de rest zou later volgen.
Ik hoop, dat jij, lezer, ook met dit uitstel kunt leven.

0

DE GROTE COLLEGEZAAL

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (3)

We zijn met meer dan driehonderd. De grote zaal aan de Varkenmarkt in Utrecht zit in september 1970 meer dan vol met eerstejaars studenten psychologie. Lange haren, spijkerjackjes en pakjes shag vullen de grijze, kale ruimte, die verlicht is met tl-buizen.
Voorin de zaal discussiëren de veelbelovende wetenschapper Köster, de kin in de lucht, en de ouderwetse pedagoog baron van Ittersum, de deliriumhandjes in de zakken van zijn colbert, over de waarde van de fenomenologie. Wat is dat, fenomenologie, vraag ik me af. Heeft dat iets met vrouwen te maken? Ik durf het niet te vragen voor de volle zaal. Het zal wel dom zijn, dat ik dit niet weet.
Daarna zit ik in een werkgroep waar stevig wordt gediscussieerd. De student-assistent die de groep begeleidt zegt, dat hij het spannend vindt: ‘Het zweet staat in mijn handen’. Mijn mond valt open. Dat je onder woorden durft te brengen, dat je iets emotioneel moeilijk vindt! Dat heb ik nog nooit meegemaakt. En wat een ontspanning geeft zijn bekentenis. Het komt helemaal niet zwak over, integendeel. Dit wil ik ook leren, neem ik mij voor.
Later gebeurt er iets, waarvan ik nog meer onder de indruk ben. In zijn colleges vertelt Köster over de resultaten van zijn reukonderzoek. De grote zaal reageert kritisch. Wat is de maatschappelijke relevantie hiervan, wordt gevraagd. Wordt dit gefinancierd door het bedrijfsleven? Als zich hierover een discussie ontspint, roept een jongen in een Afghaanse jas: ‘Wat heb je nu aan dit gelul, terwijl de wereld klote is!’
Ik ben diep geraakt. Er is honger in de derde wereld, oorlog in Vietnam, overal worden arbeiders uitgebuit. Het moet allemaal anders, radicaal anders. Ik voel me schuldig dat ik nog niets hieraan gedaan heb.

De democratiseringsgolf op de universiteiten is vanuit Tilburg en Amsterdam overgewaaid naar Utrecht. Hier hebben studenten de kamer van de curatoren bezet. Ze eisen medebeslissingsrecht, one man, one vote. Minister Veringa bereidt de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming voor. Daarmee worden we ingekapseld, zeggen de radicalen. Ik vind dat ze gelijk hebben.
De Organisatie van Psychologiestudenten (OPSU) belegt een massavergadering waarvoor men dezelfde collegezaal aan de Varkenmarkt kan gebruiken. Er worden stencils uitgedeeld tegen de hoogleraren en hun onderonsjes. Boycot Veringa met zijn inspraakorganen, daar word je alleen maar ingepakt! De eis is dat psychologiestudenten voor elk onderdeel zelf een alternatief mogen voorstellen. Er wordt gepleit tegen massale hoorcolleges en voor projectonderwijs. Ik hoor het  instemmend aan.  De sportpsychologie, die de reden was waarom ik voor deze studierichting had gekozen, verdwijnt geruisloos aan de horizon.

Enige weken later kan de OPSU de grote collegezaal opnieuw gebruiken, nu voor een groot feest op een zaterdagavond. Dit weekend ga ik daarom niet met een tas vol vuile was naar huis.
De zaal ziet er zonder het tl-licht duister uit. Bij de ingang staan de kratjes bier hoog opgestapeld. Zou dat er allemaal deze avond doorheen gaan, vraag ik me af. Het lijkt me onmogelijk. Ik herken enkele actievoerders van de massavergadering. Student J. loopt op zijn eentje een beetje vreemd rond. Hij tast met zijn handen alle muren en het schoolbord af. Wat is hier aan de hand?
In het lawaai en gedrang speur ik naar meisjes die ik van colleges en werkgroepen ken. Als ik na een tijdje nog geen bekende gezien heb, stap ik maar weer op mijn oranje fiets. Op de Jutfaseweg word ik aangehouden door een Noorse vrachtwagenchauffeur op zoek naar ‘u kul’. Ik kijk hem niet-begrijpend aan. ‘Now, you arru a boy, I wanttu u kul’. Nu wordt het me duidelijk.
Dat juist ik dat niet begrepen had.

0

OP KAMERS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (2)

Runstraat

De stapel Amerikaanse studieboeken ging mee en een weekendtas met schone kleren. Verder had ik nog een campinggasje ingepakt en een pannetje. Veel meer was het niet, waarmee ik in augustus 1970 verhuisde naar mijn eerste kamer aan de Runstraat in de Rivierenwijk in Utrecht. In het kamertje van 2 bij 3 stonden al een bed, een bureautje en één stoel. Daar kwam nog een butagaskacheltje bij, dat ik tevens als broodrooster gebruikte.
Alleen de muziek ontbrak nog. Daarom werkte ik drie weken bij stomerij Hartevelt. Ik sjorde broeken rond een pasvorm en joeg er dan een lading stoom doorheen. Bij de wekelijkse partij broeken uit het Willem Arntszhuis vermengde de chemische geur zich met de stank van urine. Zo verdiende ik mijn eerste bandrecorder.
Het houtwerk in mijn kamer was vijftiger-jaren-grijs van kleur. Met toestemming van de hospita verfde ik de deur en de balken van het dakbeschot oranje. Dat paste mooi bij een affiche van de NVSH dat ik een prominente plaats aan de muur had gegeven.
Mijn vader had geregeld dat ik mijn blauwe Tomos achter het huis in het gangpad mocht parkeren, dit met het oog op het criminele tuig in de grote stad. Toen ik merkte, dat iedereen op de fiets naar college kwam, liet ik mijn brommer ongebruikt staan roesten in de regen. Omdat ook fietsen vaak gestolen werden en ik nog wat oranje lak over had, verfde ik mijn fiets oranje. Alleen op Koninginnedag stapte ik wat beschroomd op.

Het ontdekken van het leven kon beginnen.
De uren overdag waren voor de studie, de avonden voor het bezoek. Als je ’s avonds alleen op je kamer zit, komen de muren op je af, had ik iemand horen zeggen. En dus trok ik er elke avond op uit om iemand op te zoeken, of er werd bij mij aangebeld, soms wel drie keer op een avond. Als bed en stoel bezet waren, nam de rest plaats op de grond. Kwam er iemand rond etenstijd langs, dan bakte ik wel eens pannenkoeken op mijn campinggasje. Mijn kleine kamer stond voortdurend stijf van de rook. Ik deed voor het eerst mee met een joint.
T. vertelde vol trots over zijn eerste vrijpartij. Vriend M., die op jongens viel, verzekerde dat stimulering van de tepels ook tot een orgasme kon leiden.  Ik aanbad in stilte het schuchtere meisje dat mij bij de bakker om de hoek hielp.
We spraken over alle zaken des levens, over studie en kamers, en vooral over wat goed en fout was. Verlost van ouders en school waren we bezig nieuwe kaders te ontwikkelen. We waren tegen de Amerikanen en tegen milieuvervuiling en voor Monty Python en voor Ajax.
Mijn oudere broer haalde huis-aan-huis handtekeningen op in de Rivierenwijk. Hij studeerde sociologie, maar was de wijk ingekomen om actie te voeren. Een andere tijd kondigde zich aan.
Ik weigerde mee te doen met de Volkstelling. Die viel in de categorie ‘fout’. Al hoopte ik vurig dat ik niet thuis zou zijn, als de teller aanbelde, want op weigering stond een  boete van f 500,-. Met mijn uitgavenpatroon van f 5,- per dag zou dat betekenen, dat ik weer broeken moest gaan stomen.
Het lukte me om afgekeurd te worden voor militaire dienst. Op S5, onaangepastheid. Er werd gezegd, dat ik nu nooit meer een baan bij de overheid zou kunnen krijgen. Het leger was echter overduidelijk fout en onaangepast wilde ik wel zijn, een oranje fiets had ik al. Bovendien, als ik als soldaat zou schieten zoals ik sprak, dan viel er met mij geen oorlog te winnen.

1

NAAR DE UNIVERSITEIT

Herinnering

Deel 1 Serie Studeren in de jaren ’70

Ik had priester moeten worden. Op zolder had ik al vaak de mis opgedragen, de handen  omhooggericht, achter een oud dressoir dat als altaar diende. Maar op mijn 12e wilde ik voor geen goud naar een jongensinternaat. Daarna veranderden de tijden, de kerken liepen leeg en ik liep mee.
Sport was mijn lust en leven: gymnastiek, voetballen, tafeltennis. Ik organiseerde sportwedstrijden die ik vervolgens glansrijk won. Sportleraar worden leek een logisch vervolg, totdat ik een boek las over de psychologie van de sport. Over de schoonspringster die zich concentreert voor een sprong en de speerwerper die zijn aanloop inzet. De helft van de prestatie wordt bepaald door het zelfvertrouwen en de instelling, schreef psycholoog Grunwald. Dat sprak mij enorm aan. Want hoe ouder ik werd, hoe meer ik begon te twijfelen en hoe meer mijn zelfvertrouwen verschrompelde. Toen in de keuze van een studie mijn lievelingsvak Geschiedenis ook afviel – ik zag mij met een spraakgebrek niet voor de klas staan – was het besluit duidelijk.

Zomer 1970 meld ik mij bij de universiteit Utrecht voor de studierichting psychologie.
Weg van het schoolse gymnasium, weg uit het benauwde ouderlijk huis, de vrijheid tegemoet. Op eigen benen staan, zelf beslissen, ik kijk er erg naar uit. Maar al in de introductieweek ontdek ik ook een andere kant. Ik word bedolven onder een berg informatie over studentenverenigingen en kamerverhuur. Over hulpinstanties en condoomautomaten. Over derdewereldwinkels en aksiegroepen. De keuzemogelijkheden maken me onzeker. Binnen de introductiegroep ben ik een verlegen deelnemer die braaf om 01.00 uur naar huis gaat, omdat het al zo laat is. Na het eten op de Mensa ga ik het liefst een potje voetballen.

Met vriend Ton meld ik mij aan bij studentenvereniging Veritas. Van ontgroening zou geen sprake meer zijn, maar al op de eerste avond commandeert een ouderejaars de pas aangekomen studentjes: ‘Zitten! Opstaan! Zitten! Opstaan!’ Als Ton en ik, heldhaftig anti-autoritair, uit protest hiertegen de zaal willen verlaten, blijkt de deur op slot gedaan. De volgende dag leveren we onze lidmaatschapskaart weer in.
We gaan nog eens een avondje naar Prometheus, een vooruitstrevende vereniging. Maar het groepje studenten dat bij het licht van vloeistofdia’s stoned naar Ummagumma van Pink Floyd zit te luisteren spreekt ons ook niet aan.
Het ouderlijk huis, het gymnasium, de kerk, de studentenvereniging: de bestaande kaders vallen af. Ik moet zelf op zoek naar een nieuw houvast.

Daar zit ik dan, begin september, op de bank voor het ouderlijk huis in een vriendelijke nazomerzon. Naast mij een stapel van 9 dikke Amerikaanse studieboeken.
Voor mij opengeslagen ligt Dember & Jenkins, General Psychology. ‘If perception can be a construction and memory is a construction, it may be that memory does not store a set of objects or their copies but rather consists of activating the set of rules that were used in constructing the original perception’. Ik lees de zin drie , vier, vijf keer en weet dan nog steeds niet wat er staat. Ik doe op deze manier een uur over een pagina en word er wanhopig van. Hoe kom ik hier ooit doorheen en wat heeft dit in godsnaam met die speerwerper te maken? De kinderen uit de buurt vragen of ik met hen kom spelen.
Twee maanden later haal ik een 8,5 voor het tentamen General Psychology, terwijl het om mij heen onvoldoendes regent. Ik ben teruggevallen op een oud kader: braaf studeren om goed voorbereid aan een proefwerk te beginnen. De jaren daarvoor kreeg ik 9 uur Grieks en 9 uur Latijn per week. Die stof zei me ook geen moer, maar ik heb toen wel geleerd om te leren.
Was ik ook voorbereid op het zelfstandig wonen?

1

DE KEUZE VAN JE LEVEN

Herinnering
Heeroom 1

Mijn oom als journalist in Rotterdam, 1926

Hoe komen belangrijke keuzen in het leven tot stand? Voor een loopbaan, een partner, een verhuizing? De omstandigheden, rationele afwegingen, intuïtie en gevoelens, van alles komt er bij kijken. De laatste jaren denk ik steeds vaker dat je persoonlijkheid of karakter doorslaggevend is.

Ik ben bezig om de kast met familie-documenten, die mijn vader heeft nagelaten, te ordenen. Daarin kom ik veel stukken tegen over mijn Heeroom (1903 – 1989). Deze broer van mijn vader werd in 1927 monnik bij de cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten.
De cisterciënzer monniken leven teruggetrokken achter de muren en wijden een groot deel van de dag aan zingen en bidden. De leefregels in het klooster waren zeker in de 20e eeuw zeer streng. De monniken stonden om 2 uur ’s nachts op, zeven minuten later waren zij allen aanwezig in de bijna geheel donkere en in de winter steenkoude kerk voor het eerste Ave Maria, gratia plena. In de loop van de dag volgden nog zes gebedsdiensten. Tussendoor waren er ‘vrije uren’, bedoeld voor studie. Daarnaast werd er flink gewerkt in de brouwerij of op het land, welke werkzaamheden werden beschouwd als ontspanning. Bij het ontbijt at men alleen een paar korsten droog brood. In de vasten was het menu nog kariger. De vastentijd bedroeg ongeveer de helft van het jaar. Een monnik leefde celibatair, een eigen kamer had hij niet en er gold een absoluut spreekverbod. Zo ging dat zeven dagen per week, jaar in, jaar uit.
Mijn oom was voor zijn intrede enkele jaren werkzaam als journalist in Rotterdam. Zo jong als hij was, had hij toch in korte tijd een enorme waardering opgebouwd bij zijn collega’s, ook van andere dagbladen. Hij had een uitgebreide vriendenkring en had onder meer contact met bekende schrijvers als Anton Coolen en Anton van Duinkerken. En, misschien nog belangrijker: hij had de grote liefde van zijn leven ontdekt, Do, een onderwijzeres. Ze keken samen in de duinen naar de ondergaande zon en zaten uren op een bankje in de Rotterdamse Diergaarde, waar hij moest zijn om een stukje te schrijven over de bijzondere victoria-bloem, die daar toen bloeide. Kortom, een mooie toekomst lag voor hem.
Op dat moment koos hij ervoor om in te treden in de strengste kloosterorde van Nederland.

heeroom 2

Na zijn wijding tot abt, 1945

Deze drastische keuze intrigeerde mij in hoge mate. Daar wilde ik meer over weten. Gelukkig kom ik in het archief enkele interviews tegen, waarin mijn Heeroom openhartig ingaat op zijn roeping. Voorop staat dat hij altijd een zeer gelovig man is geweest. Daarnaast was hij idealistisch. Hij zag veel armoede en onrecht in de wereld en meende dat hij als kloosterling méér aan een betere wereld kon bijdragen dan als journalist. Tenslotte was hij principieel en streng van aard.
Eén deel van zijn karakter vind ik in het roepingsverhaal onderbelicht: de emoties. Mijn Heeroom was een zeer gevoelige man. Beschermd opgegroeid kwam hij als journalist in de grote stad terecht waar hij geconfronteerd werd met de harde kanten van het leven: armoede, criminaliteit, losse zeden. In een interview  vertelt hij over de hoeren, die hem een keer bijna hadden meegelokt. En er was natuurlijk die grote liefde, die heftige gevoelens opriep. Sterke emoties kunnen beheerst worden door vaste regels te hanteren en de stilte op te zoeken. En waar kan dat beter dan in een kloostercongregatie?
Mijn oom heeft nooit spijt gehad van zijn keuze. Terugkijkend op de jaren vóór zijn intrede zegt hij: ‘wanneer ik terugdacht aan dat dynamische leven, kwam het me toch erg donker voor.’ En over Do, de grote liefde uit zijn jeugd, zegt hij op zijn tachtigste: ‘uit mijn geest is zij nooit verdwenen. Ik bid dagelijks voor haar’.

2

VALT ER NOG WAT TE LACHEN?

Herinnering

In het tv-programma Wissels

In de tachtiger jaren vormde ik met twee andere stotteraars de cabaretgroep Groen & Geel. De  lachwekkende situaties die we speelden en de gevoelige liedjes die we zongen gingen veelal over onze eigen handicap. Stotteraars op de planken, dat trok de aandacht van veel media. Toen wij onze kunsten op televisie vertoond hadden, haakte Freek de Jonge daar ’s avonds in zijn voorstelling in Utrecht op in: ‘cabaretiers mogen niet stotteren en stotteraars moeten geen cabaret maken’.
De Jonge maakte wel vaker grappen over de gehandicapte medemens. Daarop aangesproken door de toenmalige Gehandicaptenraad, de hoeder van elk gebrek in Nederland, werd het plan geboren een festival over cabaret en handicap te organiseren onder de titel: Valt er nog wat te lachen? De Gehandicaptenraad nam de organisatie op zich, Freek de Jonge schonk de hoofdprijs van 2000 gulden en de KRO, de omroep die altijd al een zwak had gehad voor de gebrekkige medemens, beloofde de finale uit te zenden – op de radio, wel te verstaan.

We zagen er wel wat in om via dit festival onze bekendheid te vergroten. En we wilden best de concurrentie aangaan met andere gebrekkigen, zoals de Vereniging van Incontinenten in Nederland. Dat waren, naar eigen zeggen, toch maar een stel zeikerds. De zelfrelativering nam bij gehandicaptengroepen een hoge vlucht.
De voorronde kwamen wij glansrijk door, geheel in overeenstemming met mijn verwachtingen. Tot dan toe hadden we immers alleen maar veel lof ontvangen voor onze durf, waardering voor de teksten en bescheiden gelach om de grappen. Die bescheidenheid kwam voort uit de onzekerheid van het publiek of je wel om andermans ellende mag lachen. Het oproepen van die onzekerheid beschouwden wij als onze missie.

Vol goede moed en verwachtingen over het eindresultaat reizen wij dan ook naar de finale in de KRO-studio in Hilversum. Vijf verschillende acts mogen hun kunsten vertonen. Er doet een groep medewerkers uit de gehandicaptenzorg mee en een spastisch meisje, dat tussen haar schokkende bewegingen door een paar korte, maar onverstaanbare zinnen laat horen.
De jury bestaat onder andere uit Boudewijn Paans, de spastische hoofdredacteur van de VPRO-gids, Jack Spijkerman, humordeskundige van de VARA en Hans van Willigenburg, de KRO-presentator  die immer gehandicapt door een zongebruinde kop door het leven gaat.
Onze uitvoering verloopt vlekkeloos. De vanzelfsprekend aanwezige doventolk heeft geen enkele moeite om ons bij te houden, al moet ze haar bewegingen wel vaak herhalen.
De jury roept aan het einde van de middag een blinde jongen van 22 jaar tot winnaar uit. Hij stond voor dit festival voor de eerste keer op het toneel en zou een grote carrière tegemoet gaan: Vincent Bijlo. Ik ben teleurgesteld, maar kan hier wel mee leven.
Groter is mijn frustratie als blijkt dat wij als vierde eindigen, zelfs nog achter het onverstaanbare spastische meisje. Ik kan vindt deze waardering zo belachelijk en onrechtvaardig, dat ik op de terugweg resoluut besluit om te stoppen met dit cabaret. Later die avond stel ik het besluit bij tot het stoppen met het meedoen aan festivals.

In de Volkskrant komt enkele dagen later de aap uit de mouw. Boudewijn Paans beschrijft in zijn wekelijkse column het cabaretfestival. Over ons schrijft hij: ‘Groen & Geel probeert de handicap stotteren op de korrel te nemen en slaagt daar niet in. Niemand van de groep stottert en dat kan natuurlijk niet’.
Diezelfde dag nog schrijf ik Paans een brief op poten en daag hem uit telefonisch contact met mij op te nemen, zodat hij zelf de mate van vloeiendheid van mijn spraak kan vaststellen. Mijn broer stuurt een ingezonden brief naar de Volkskrant. Een reactie blijft uit.
In een hoekje van mijn kamer staat nog altijd de wanstaltige, inmiddels doffe prijsbeker die ons deel werd na het behalen van de vierde plaats.

1

EEN PRANGENDE VRAAG

Herinnering

In 1965 schuifel ik met een groep leeftijdgenoten onwennig het parochiehuis van de Biltstraatkerk in Utrecht binnen. De zaal staat vol met houten tafels en stoelen. Er is een toneel, de gordijnen zijn dicht. Vandaag is de bezinningsdag voor de 2e klassen van het Sint-Bonifatiuslyceum.
Een godsdienstleraar spreekt over onze toekomstige taak in de maatschappij, over huwelijk, gezin en seksualiteit. Daarna praten we in kleine groepen verder onder leiding van een vrouw van middelbare leeftijd.
Ik hou niet van dit soort gesprekken. Ik zit liever in de klas waar je een goed antwoord kan geven of een fout antwoord. Hier moet ik een mening geven over iets wat ver van mij afligt. Maar ik heb wel een prangende vraag. Alleen weet ik nog niet of ik die durf te stellen.

Als kind kwam ik eens op een winterse dag mijn bed uit, het was nog donker. Ik liep in mijn pyjama de trap af, mijn ogen toegeknepen vanwege het licht in de gang. Beneden stond mijn moeder mij op te wachten. Ze was ook nog in pyjama.
Dat was nog nooit gebeurd. Als ik opstond was ze altijd al aangekleed.
Nu nam zij mij mee naar haar bed, ik mocht op de nog warme plek van mijn vader liggen. Ook dat was nog nooit gebeurd. In het duister vertelde zij met zachte stem dat kinderen in de buik van de moeder groeien. Dat zo’n vrucht eerst nog maar zo klein is als een boontje, maar na negen maanden groot genoeg is om geboren te worden. Ik zag dat boontje voor me en ik vond het maar een vreemd verhaal.
Een paar jaar daarna zat ik met een aantal jongens bij de kapelaan. Aan het einde van het gesprek deed de kapelaan ons nog even snel een openbaring: dat alle jongens, vroeg of laat, een zaadlozing krijgen. Ik vroeg me af hoe dat zou gaan. Maar ik zou er niet aan ontsnappen, zoveel was duidelijk.

Op de bezinningsdag komt de kwestie weer naar boven. Er is intussen een vraag in mij gerezen: hoe komt die zaadcel toch bij de eicel in de buik van de vrouw terecht, zodat dat boontje kan gaan groeien? Ik heb opgevangen dat man en vrouw in bed met elkaar iets doen, maar wat precies? Tijdens een kopje thee vertelt mijn moeder dat een neef iets gedaan heeft wat niet mag. Er is een kindje op komst, hij moet gaan trouwen. Wat hij dan precies gedaan heeft, durf ik niet te vragen. Het is een schaamtevol gebeuren.
Ik hoor mijn vriendjes niet hierover spreken en als we in de biologieles bij de anatomie van het menselijk lichaam aangekomen zijn, zegt Nagel, onze leraar, dat bij mannen het urinebuisje iets verder doorloopt dan bij vrouwen. ‘Dat is het enige verschil’, zegt hij luchtigjes, waarna hij snel overstapt naar de functie van de nieren.

De bezinningsdag lijkt mij wel een geschikt ogenblik om een vraag te stellen over hoe zaad- en eicel elkaar kunnen vinden. Maar omdat dit onderwerp omgeven is door duistere gesprekken en schaamte kan ik alleen via een grote omweg een vraag stellen.
Ik had me al eens afgevraagd hoe zeelieden, die altijd van huis zijn en nooit bij hun vrouw in bed liggen, kinderen kunnen krijgen. Aan het einde van de dag, als de gespreksleidster rondkijkt of er nog vragen zijn, spring ik – god zegene de greep – in het diepe en stel heftig stotterend mijn vraag over de zeeman. De gespreksleidster lijkt voorbereid op alle vragen over een goed huwelijk maar vragen over zeelieden heeft ze kennelijk nooit gehad. Als ik eindelijk klaar ben met mijn worsteling vraagt zij onzeker: ‘je bedoelt hoe zo’n huwelijk in stand kan blijven?’. Ik zak teleurgesteld achterover en durf niet te zeggen dat ik iets anders bedoel.
Bezonnen maar onbevredigd stap ik weer op de fiets naar huis. Het onbezorgde leven lijkt voorbij.