Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

3

SPAREN IS EEN FEEST

Herinnering

Wat zien we op deze foto? Een uitreiking van witte envelopjes, zoveel is zeker. De foto van J. Verheul stond in november 1967 in het Utrechtse dagblad Het Centrum. Vier volwassen mannen in hun nette pak omringen drie jonge lieden.
In het najaar van 1967 werd bij de coöperatieve Raiffeisenbank in Vleuten het spaarbedrag van 7 miljoen bereikt. De spaarder die dit bedrag volmaakte, de 18-jarige J. de Goeij uit Haarzuilens, ontving ƒ 150,- uit handen van de voorzitter. De spaarders die net vóór en net na hem een bedrag gestort hadden, de 15-jarige Piet van der Linden uit Haarzuilens (rechts) en ik, eveneens 15 jaar oud, (midden) ontvingen een enveloppe met ƒ 75,-. De voorzitter toonde zich verheugd over de toenemende spaarzin.
Het was de tijd dat het geld eerst gespaard werd en daarna pas uitgegeven. De banken waren nog niet uit op winstmaximalisatie, maar hadden een sociale functie. Er werd wat afgespaard. Niet alleen geld, maar ook Ring-zegeltjes, D.E.-punten, de zegeltjes van de margarine, enz. Denken aan later, voorbereid zijn op de toekomst, daar ging het om.
Wat opvalt is dat de drie spaarders allen tiener zijn. Was dat toeval of heeft de bank ten behoeve van dit festijn de volgorde wat gemanipuleerd? Wilde men hiermee iets duidelijk maken naar alle jongemannen in Vleuten en Haarzuilens?
Zo te zien zijn de heren van de bank in een goed humeur. Ze glimlachen alsof zij zojuist in het geheim gehoord hebben dat zij zelf een tien keer zo grote bonus hebben binnengehaald.
Het tableau staat opgesteld tegen de achtergrond van een zestiger jaren gordijn. Tussen de pakken en kostuums ziet Piet van der Linden er met zijn coltrui en gedekte haar redelijk eigentijds uit. Mijn trui mag er ook wezen. Het was een  goudbruine velours sweater, toen mijn lievelingstrui. Mijn moeder heeft nog wel gezorgd voor een keurig wit overhemdje daaronder.
Wat nog het meest opvalt, is dat alle betrokkenen naar de overhandiging van de envelop aan de winnaar kijken en dat ik als enige naar de fotograaf kijk.  Had Verheul mij hiervoor niet kunnen waarschuwen? Nu sta ik, met die lok op mijn voorhoofd, als een soort jonge wethouder Hekking de aandacht naar mij toe te halen.
Terwijl alle aanwezigen doordrongen zijn van de heuglijke betekenis van het moment, straal ik een lijdzaam wachten uit. Voor mij heeft de zitting blijkbaar lang genoeg geduurd. Het envelopje heb ik binnen en die eerste prijs is toch niet meer haalbaar. Het kan ook zijn, dat ik weer thuis wilde zijn voordat Rawhide begon.
Ik weet niet meer wat ik met die 75 gulden gedaan heb. Er is een grote kans, dat ik het geld de volgende dag tijdens kantooruren naar de Raiffeisenbank teruggebracht heb om het te laten bijschrijven op mijn spaarbankboekje. Het kan ook de Rijkspostspaarbank zijn geweest in het postkantoor aan de Dorpsstraat. Want ook daar had ik een spaarrekening. Ik geloof niet dat ik in die tijd al aan risicospreiding deed. Waarschijnlijk had ik twee rekeningen, omdat mijn vader de diverse bankmedewerkers, die hij persoonlijk kende, te vriend wilde houden.
De bijschrijving van het geld was een nauwkeurige transactie. Een medewerker van de bank schreef met vulpen in fraai handschrift (zegge) vijfenzeventig gulden in het spaarbankboekje. Dan volgden een paraaf en twee harde klappen van stempels. Dichtgevouwen werd het boekje weer teruggeschoven naar de klant. Het appeltje voor de dorst was weer wat groter geworden.

0

FRATER LUDGERUS

Herinnering

Hoe kan het gebeuren, dat ik, op 65-jarige leeftijd, een groot gevoel van medeleven ervaar met mijn vader, vanwege een gebeurtenis die hem overkwam op zijn 21e , in 1935?

Mijn vader met zijn broers rond 1928. Hij staat in zijn korte broek links van mijn Heeroom.

Van een neef ontving ik onlangs een dikke map met welgeteld 191 brieven, die frater Willibrordus, mijn Heeroom, tussen 1927 en 1963 naar zijn ouderlijk huis geschreven heeft. Mijn oom was trappist, ik schreef hier eerder over hem.
Omdat ik het familie-archief beheer, ben ik zeer geïnteresseerd in alle informatie over mijn familieleden, hun gewoonten, omgangsvormen enz. Daarom ben ik blij verrast met deze onvermoede vondst. Nieuwsgierig begin ik de epistels uit het klooster te lezen.
Ik kom niet alleen iets te weten over het strenge leven in het klooster, maar ook over de verkering van mijn ooms, de ziekte van mijn oma en de vorderingen van mijn vader op de mulo.
Al snel na zijn intrede in 1927 haalt mijn Heeroom zijn oudste zus over om ook het klooster in te gaan. Vervolgens wordt mijn vader, de jongste in het gezin, geadviseerd om goed te bidden en om alvast maar Grieks en Latijn te leren als voorbereiding op het kloosterleven.
Mijn vader heeft daar wel oren naar en in september 1934, hij is dan 20 jaar, meldt hij zich bij het poortgebouw van het trappistenklooster in Tilburg met de vaste bedoeling om daar als frater Ludgerus zijn verdere leven aan O.L. Heer te wijden.
Het zal vanwege mijn wettige aanwezigheid op deze aarde duidelijk zijn, dat mijn vader geen monnik is gebleven. Dat hij maar anderhalf jaar in het klooster heeft doorgebracht is ons bekend. Maar over de vraag hoe hij het kloosterleven ervaren heeft en waarom hij gestopt is, weten we weinig. Brieven die hij naar zijn ouders heeft geschreven zijn er niet meer. Ik ben daarom zeer benieuwd of ik in de nu opgedoken brieven van zijn broer een antwoord op deze vragen kan vinden.

De eerste berichten over de intrede zijn hoopvol. Frater Ludgerus doet overal flink aan mee, hij is opgeruimd en zal, schrijft frater Willibrordus met een knipoog, worden aangesteld als baas van ‘de afdeeling vegerij en schrobberij op het noviciaat’. Onderaan de brief staan in keurig handschrift enkele regels die mijn vader geschreven heeft, zie de foto rechts. Enkele weken later schrijft Ludgerus: ‘Alles best hier. Waar zou het beter zijn dan den geheelen dag met Jezus te leven’. Als kerkdienaar schiet hij een aantal bokken, maar in de Griekse les blinkt frater Ludgerus uit.
Een jaar later is de toon anders. Heeroom schrijft dat er een gouden jubileum van een broeder gevierd zal worden. ‘Dan kan ik met fr. Ludgerus een sigaretje smoken en een beetje praten.
In de volgende brief wordt het probleem benoemd.
U moet maar niet schrikken van den brief van fr. Ludgerus. ’t Is waar dat hij soms een beetje zwaar op de hand is. Weet u nog, dat hij toen hij nog heel klein was dat versje al zoo mooi vond: ‘Ja het leven is een zware strijd’.
Ach, hier breekt mijn hart. Hier staat zwart op wit dat de sombere buien van mijn vader niet alleen maar een last in de laatste twaalf jaar van zijn leven zijn geweest.
Ik lees dat de novicenmeester mijn vader flink aanpakt, ‘vooral nu hij in de eenzaamheid gelegenheid heeft om altijd te piekeren’. Maar zonder resultaat. Het gepieker houdt aan, zodat aan mijn Heeroom een zware zucht ontsnapt: ‘en dan gaat hij over Moeder tobben en met al dat getob loopen wij met z’n allen gevaar O.L. Heer en den hemel te vergeten’.
Tenslotte, in februari 1936, schrijft mijn vader (hiernaast op de foto links): ‘heel veel hartelijke groeten en dringende aanvragen om te willen bidden voor die arme stakker van een fr. Ludgerus’.
Kon ik nog naar hem toegaan, dan zou ik dat direct doen. Alsof het mijn zoon is.

Voorjaar 1936 keert hij terug naar huis. Ik lees dan, dat het met mijn vader, die inmiddels de naam Kees terug heeft, weer goed gaat. God zij dank, denk ik. (Het lezen van zoveel stichtelijke brieven heeft zelfs invloed op die woorden die in mij opkomen). Eigenlijk vind ik dat we O.L. Heer op onze blote knieën mogen danken, dat mijn vader het niet volgehouden heeft. Het strenge regime in het klooster was abnormaal, niet mijn vaders reactie hierop. Zijn neiging tot somberheid heeft hem in dit geval geholpen.

1

ONDER BOUWVAKKERS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (11)

 

foto: Jasper de Boer

Broekje in de branding, oh jee, daar drijft het weg.
Het lied van Gerard Cox schalt door de timmerwerkplaats. De oude schilder staat zijn verfkrabbers te slijpen en brult het lied mee. Als hij daarna langs mij loopt, zingt hij: bh’tje in de branding! Zijn ogen fonkelen. Hij blijft staan en monstert mij. Ik weet niet hoe ik moet reageren en kijk naar de balk die in de schaafbank verdwijnt.
‘Zeg. Jij studeert toch aan de universiteit, hè?’.
Ik kijk weer op.
‘Als ik zoveel hersens had als jij, was ik hier allang vertrokken’.
Ik zoek naar een antwoord.
‘Altijd maar weer die tocht op de steiger. Elke dag weer die pijn in mijn donder. En ’s winters is het helemaal erg’. Zijn ogen achter zijn stoffige bril staan weer dof.
Nadat hij doorgelopen is, draait hij zich nog eens om: ‘Bovendien zie je in de winter je vrouw alleen in het weekend nog bij daglicht’.

Vanaf september 1973 werk ik als leerling-timmerman in de werkplaats van aannemer Verstegen in Montfoort. Ik mag sjouwen, opruimen, machinaal schaven en zagen. Ik leer van alles over meten, verbindingen maken, en soorten hout.
De eerste weken vind ik het werk interessant. Maar omdat er weinig afwisseling inzit, wordt het allengs saaier. We leven van ontbijtpauze naar koffiepauze naar lunchpauze. Op dinsdag kijken we al uit naar het einde van de week, op woensdag zijn we alweer halverwege. Donderdag is het dan nog even doorbijten.
Telkens als ik om 6.30 uur het station passeer op weg naar mijn bus en ik in het donker de wachtende gele treinen zie staan, heb ik de neiging in zo’n trein te stappen. Naar de Achterhoek, naar Friesland, het maakt niet uit waarheen. Maar elke dag rijd ik door naar mijn bus.
Soms mag ik mee op een klus. Een zolderkamer timmeren, een plavuizen vloer leggen of beton storten in een klein nieuwbouwproject. Ik duw acht uur lang een zware kruiwagen vol deinend beton over een smalle loopplank en weet de inhoud zonder te knoeien precies op goede plaats tussen de beschoeiingen te deponeren. Op dat moment heb ik voor het eerst even het gevoel dat ik een echte bouwvakker ben.

Ik kijk uit naar de pauzes, maar als het zover is verveel ik me al snel. We pauzeren met zijn vieren en echt op mijn gemak voel ik me niet. Het spelprogramma van de TROS met Willy Dobbe en Jan Theys heb ik niet gezien en het nieuws uit de Telegraaf bevalt me niet. Soms ga ik wel eens de discussie aan. Waarom de baas in een dure Mercedes moet rijden. Nou, als ik dat niet weet, dan heb ik er weinig van begrepen, is de reactie. Als ik stel dat de baas winst maakt ten koste van de arbeiders, is het antwoord, dat hij wel wat extra’s verdient. Het ontzag voor de baas is unaniem groot.
Ik probeer iets te vinden waarop we gezamenlijk actie kunnen ondernemen: er ontbreekt zeep en een handdoek in de WC. Dat vinden mijn collega’s iets voor watjes. ‘Als je een wondje op je hand hebt, dan kan je er het beste overheen pissen. Dat werkt ontsmettend’, zegt een sjouwer.

Ik heb me aangemeld als lid van de bouwbond NVV. Met hoge verwachtingen bezoek ik een ledenvergadering. Maar ook hier tref ik veel ontzag aan, ditmaal voor de vakbondsbestuurders. De enige reuring ontstaat als iemand eist dat zijn loon weer handje-contantje wordt uitbetaald in plaats van via de giro.
Ik verhuis nog naar een andere aannemer, maar daar val ik als timmerman door de mand. In juni 1974 word ik in mijn proeftijd ontslagen. Ik vind het wel goed zo en zet de tv aan voor het WK voetbal. Op de universiteit heb ik een projectgroep arbeids- en organisatiepsychologie ontdekt. Die doet onderzoek ten dienste van de arbeidersbeweging. Dat lijkt me wel wat.

1

KANDIDAAT

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (10)

Senaatszaal

Het is 2 juli 1973, een schitterende zomerse dag. De strakblauwe hemel houdt een belofte in.
Ik heb alle vakken voor het kandidaatsexamen met goed gevolg afgerond. Vandaag is de diploma-uitreiking in het Academiegebouw. Een erkenning van de kennis die ik heb vergaard, maar ik vind zo’n plechtigheid een achterhaald ritueel. Van mij hadden ze het papiertje gewoon over de post mogen sturen.
In de Senaatszaal aangekomen zie ik dat velen daar anders over denken. Menige kandidaat loopt keurig in het pak. Vele ouders vullen de rijen, een bloemetje ligt klaar onder de stoel. Ik zit er in mijn korte broek en t-shirt, ik heb niemand uitgenodigd. Vanaf de monumentale wanden kijken de hooggeleerde professoren mij streng aan. Had ik dit anders moeten doen? Ik val nu wel erg uit de toon.
Als mijn naam genoemd wordt en ik door het gangpad naar voren loop, meen ik dat ik gefluister achter mij hoor. De voorzitter van de examencommissie, de veelbelovende wetenschapper dr. Piet Vroon, staat al klaar om mij de hand te schudden. Ook hij is gekleed in een keurig kostuum. (Enkele maanden later zal ik het verhaal over deze uitreiking in verbasterde vorm terug horen als ik iemand hoor vertellen dat Vroon gekleed in korte broek de diploma’s uitreikte).
Tot mijn verrassing vertelt Vroon, dat ik mijn examen cum laude heb gehaald. Even flakkert een gevoel van trots op. Dat heb ik toch maar mooi beter gedaan dan die stropdassen. Maar al snel verdwijnt dat gevoel. Mijn mooie cijfers zijn het resultaat van braaf en plichtmatig studeren, schamper ik in mijzelf. Ik ben alleen een uitblinker in zelfkritiek.

Ik was aan de studie psychologie begonnen met het idee, dat ik ‘iets met mensen wilde doen’. In plaats daarvan heb ik de afgelopen drie jaar geleerd hoe je duiven kunt leren tafeltennissen en hoe ver je kunt gaan met het toedienen van elektrische schokken aan muizen. Ik wilde sportpsycholoog worden, maar werd vooral geraakt door het onrecht in de maatschappij, de armen in de derde wereld, de arbeiders die uitgebuit worden. De maatschappij moet veranderd worden, niet het individu. Ik ben bezig geweest met acties op de faculteit, ik zag mijn naam onder opruimende pamfletten staan. Maar ik ben ermee gestopt omdat de resultaten gering waren. Nu weet ik niet meer hoe ik aan mijn linkse idealen kan werken.
Ik heb bovendien geen enkel idee wat ik met mijn studie aan moet, wat voor werk ik later zou willen gaan doen. Ik maak ruzie met mijn huisgenoten om niks en ik ben van de kaart als mijn moeder een opmerking over mijn haren maakt. Mijn zelfvertrouwen is tot bij het nulpunt gedaald. Ik ken veel mensen, maar er is niemand met wie ik over dit soort problemen praat. Ik stotter af en toe zo heftig, dat ik het liefste zou weglopen. Ik word er depressief van. Ik heb vooral medelijden met mijzelf.
Zoals mijn spreken ongenadig vastloopt, zo is mijn leven vastgelopen. In een brij van idealen, normen en onmacht. Ik loop er uit weg door dagdromerijen over een vakantiehuisje in de stralende morgenzon, waar vogelgekwetter zich mengt met een sonate van Beethoven, die jij, mooi meisje, voor mij speelt.

Ik heb mijn kandidaatsexamen psychologie gehaald en ben kandidaat voor de psychiater.
Dit kan zo niet langer doorgaan, zeg ik tegen mijzelf. Er moet iets gebeuren. Ik meld mij aan voor een stottertherapie. En ik besluit te stoppen met mijn studie. Voor tenminste een jaar. Murw geworden van al die Amerikaanse handboeken en gedreven door idealen ga ik een jaar in de bouw werken. Iets met mijn handen doen, de wereld van de arbeiders leren kennen.

0

BESTE FAMILIE,

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (9)

Ondanks de horde vliegen die een gezamenlijke aanval ondernamen op onze blote benen was zowel de binnen- als de buitenband in een mum weer hersteld en konden we onze tocht vervolgen, door het prachtige dal van de rivier de Rhue westwaarts, alweer over verlaten wegen, waar slechts een enkel eenzaam huis stond, bewoond door een aftands vrouwtje, vroeger heks genaamd, die haar eten verzamelde uit planten in de berm van de weg en wier enige gezelschap bestond uit een woest grommend monster-aan-ketting, de mildere vormen waarvan men hond pleegt te noemen.
Deze volzin komt uit een brief die ik in 1973 vanuit Frankrijk aan het thuisfront stuur.
Op mijn eerste racefiets maak ik samen met studievriend Paul een fietstocht door de Auvergne en Dordogne. De jaren daarvoor zond ik mijn ouders tijdens vakanties een ansichtkaart of een korte briefje. Ik schreef over het weer en over de plaatsen die we bezochten. De onderliggende boodschap was steeds: het gaat goed. Mijn ouders moesten het ermee doen dat ze soms twee weken lang niets van mij hoorden. Telefoneren naar huis kostte me teveel.
Maar dan, op mijn 21e ontdek ik het genot van het schrijven. Liggend voor de tent pen ik het ene na het andere vel vol over de Franse cultuur, het landschap, de campingbewoners, de middenstanders, de dorpsfeesten.
…een saaie treinrit door Noord-Frankrijk (één groot korenveld), die slechts het vermelden waard is vanwege de allerzuurste snoepjes, merk Napoleon, die door een Franse non kwistig werden uitgedeeld (‘neemt hiervan en gaat heen in vrede’).
…wij allebei in een breed uitstaand regenpak, waarvan de wijde broekspijpen over elkaar heen schuurden als de nylons van een oude, doch niet onaanzienlijke dame.
…waar we in een klein straatje bij een oud mannetje belandden, dat onder het motto Tout pour le cycle zich inderdaad bezighield met het repareren van allerhande Solexen, daarbij natuurlijk gesteund door een doofstomme knecht met zenuwtrek.
…het is hier zo droog, dat je zelfs met het kaarten nog niet nat kunt gaan.
Wat mij nu opvalt zijn de volzinnen en het soms archaïsche taalgebruik (verpozing, lokaliteit, al ras, onledig houden met). Ik ben aan het spelen met taal en maak veelvuldig gebruik van overdrijvingen. Wellicht was ik beïnvloed door De Bovenkamer van J.M.A. Biesheuvel of door een roman van Gerard Reve.
Geconfronteerd met andere gewoonten en met andere mensen ben ik op zoek naar mijn eigen waarden, naar wat ik belangrijk vind en naar manieren om me te uiten.
Toen het donker geworden was en de overburen, in het bezit van twee auto’s, twee honden en twee kinderen, en de vrouw in het bezit van een onuitputtelijke garderobe, die haar noodzaakt zich tweemaal daags in weer een nieuwe populaire uitrusting te steken, toen zij dus de televisie aangezet hadden, hebben wij nog een wijle doorgebracht aan de oever van het meer, dat slechts beschenen werd door een halfvolle maan, die langzaam achter het silhouet van de bosrand zakkend, op zijn beurt weerspiegeld werd in het rimpelloze oppervlak van het water, een zeer romantisch ogenblik dus, dat bijna een zonsondergang op de Finse meren (zie het deeltje: Arnold op reis in Finland) evenaart.
Waar ik in al die vellen weinig  van mijn eigen gevoel laat blijken, voeg  ik aan deze volzin opeens iets persoonlijks toe. Iets wat een breuk betekent met de voorzichtige, emotieloze manier waarop we in ons gezin met elkaar communiceerden. Op zo’n moment zou je willen dat je tegen een meisje aan zat, met niet te lang haar, ietwat bolle wangen, eventueel een verbrande neus en gevoel voor romantiek.
Wat ik niet zeggen kon, schreef ik op.

2

AFSTAND

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (8)

Er wordt aangebeld in mijn studentenflat. Als ik open doe, staat mijn vader voor de deur. Hij heeft een bromelia in zijn hand en glimlacht flauwtjes.
Ik schrik. Wat hij komt  hij hier doen, is mijn eerste gedachte. Ik wil geen inmenging in mijn domein. Geen opmerkingen over de kratten bier, de stofvlokken of de poster van de NVSH. Bovendien was ik net begonnen met een hoofdstuk Statistiek.
Zwijgend ga ik hem voor naar mijn kamer.
Hij geeft me de bromelia. Mijn moeder had mij de plant beloofd en ik kon hem niet op de fiets meenemen, is zijn korte uitleg.
We staan tegenover elkaar, geremd. In zijn dikke jas en met zijn hoed nog op zijn hoofd ziet hij er stijf uit. Hij oogt verlegen in deze voor hem onbekende omgeving. Het is de eerste keer dat hij hier is.
Ik sta er ook onzeker bij. Mijn vader weet niet zo gauw iets te zeggen, ik ook niet. We staan vlak bij elkaar, maar de afstand is enorm.

Mijn vader heeft al vele jaren last van depressieve gevoelens en angsten. Toen ik zeven jaar was, merkte ik er voor het eerst iets van. Papa lag overdag ziek op bed, de gordijnen stijf dicht. Wij mochten niet bij hem komen. Familieleden kwamen om met hem te praten. Dit was geen gewoon griepje, zoveel was mij wel duidelijk.
In de jaren daarna werd hij regelmatig door een van zijn collega’s thuis gebracht, omdat hij het niet kon uithouden op zijn werk. Dan was hij daarna weken thuis en lag de ernst als een wollen deken over ons gezin. Hij kwam alleen zijn stoel uit om zwijgend de tafel te dekken of de prullenmand te legen.
Toen ik in de puberteit nog als enige van de vier kinderen thuis woonde, leek hij nog meer verlamd. Terwijl ik zat te zweten op een Tacitusvertaling, dacht hij dat hij een hartaanval had gehad. Soms zat hij met het zweet van angst op zijn voorhoofd, omdat hij meende dat er mensen buiten waren die het op hem hadden gemunt. Om hem af te leiden speelde ik dan een spelletje kaart met hem. Gevangen in zijn eigen problemen, had hij weinig aandacht voor mij. Behalve als hij vond dat ik naar de kapper moest.
Een heel enkele keer sijpelde er even iets anders door zijn muur van zware gevoelens. Aan het begin van een kerstmaaltijd, toen mijn vader en ik als enigen al aan de versierde tafel zaten en de anderen nog druk heen en weer liepen, legde hij opeens zijn hand, met de handpalm naar boven open, naast de mijne neer. Woorden had hij er niet bij, alleen een glimlach. Ik voelde de warmte en de nabijheid.

Zo ligt er nu ook een zweem van genegenheid in zijn houding, dezelfde manier van glimlachen. Ik zet de bromelia op mijn bureautje en bied  een kop thee aan.
Hij aarzelt en zegt dan dat hij liever weer gaat.
Hij is nooit meer op mijn kamer geweest. Een paar maanden later wordt hij opnieuw opgenomen op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis Overvecht. Hij loopt een longontsteking op en er ontstaan complicaties omdat hij niet meer goed kan slikken en niet meer kan hoesten. Zijn toestand wordt kritiek. Om beurten blijven we ’s nachts bij hem waken. In de stille ziekenhuiskamer neem ik bij gedempt licht mijn collegedictaten over Noam Chomsky door. Af en toe loop ik naar de man die met zijn ogen dicht en zijn mond licht open onbeweeglijk op het bed ligt. Ik bevochtig de lippen van de man. Het voelt heel onwerkelijk. Na enkele dagen overlijdt hij, 57 jaar oud, aan algehele spierontsteking. Het afscheid dat jaren daarvoor al was begonnen is nu definitief.
In de maanden daarna zit ik regelmatig bij mijn moeder thuis te studeren.

 

0

EEN NON-CONFORMIST

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (7)

 

Studenten in de jaren zeventig

Behalve de man die zich als prediker door Utrecht liet rondrijden, het Rode Boekje van Mao hoog geheven en onafgebroken roepend: ‘Het marxisme is humaan!’, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan J.
In het kader van het voorkandidaatsvak Sociale Psychologie volgde ik de temagroep Groepsdynamika. De groep werd begeleid door een jonge wetenschappelijk medewerkster, van wie ik de naam na 45 jaar nog direct weet: Nina Kaasjager-Schuilwerve. Nina, gespecialiseerd in sensitivity-trainingen, probeerde ons warm te maken voor The planning of Change van Bennis en Benne, een Amerikaanse theorie over verandering in groepen. Al snel werd zij overruled door linkse types die eisten dat we de verandering van de maatschappelijke structuren tot studieobject zouden maken.
Na vier groepsbijeenkomsten werden subgroepen geformeerd die een deelonderwerp zouden uitdiepen. Met twee medestudenten koos ik voor de rol van de wetenschapper in de sociale actie. Toen stond daar opeens J., een slungelig type met het haar tot op de schouders, slordig gekleed in een Indiaas vest, een ketting met het ban-de-bom-teken om zijn nek. Ik herkende in hem onmiddellijk de jongen die op een feest  onder invloed van geestverruimende middelen met zijn handen alle muren van de zaal had afgetast. J. vertelde, dat hij een tijdlang niets aan zijn studie had gedaan en dat hij deze nu weer wilde oppakken. Sociale actie, dat sprak hem wel aan. Dat was zo ongeveer het enige, dat er die middag uit hem kwam. Met voorstellen kwam hij niet, taken nam hij niet op zich. Hij zweeg en keek dromerig naar buiten.

Ik stortte mij vol overgave op de literatuur, schreef uittreksels en tikte op mijn kleine typemachine een opzet voor de te schrijven paper, met 3 carbon doorslagen voor de groepsleden. Tijdens onze groepsbijeenkomsten concludeerden we dat de wetenschapper stelling moet nemen ten gunste van de onderdrukten in de maatschappij. Het onderzoek moet via sociale actie leiden tot structurele veranderingen van de maatschappij.
J. was soms wel en soms niet aanwezig en als hij er was, zei hij bijna niets. Gevraagd naar zijn standpunt zei hij in omslachtige bewoordingen dat hij niet mee wilde doen aan een ratrace.
Op een middag kwam de subgroep bijeen op zijn kamer. We pasten er krap in. Niet dat de kamer zo klein was, maar de ruimte werd voor het grootste deel gevuld met het bed. De kamer stond gelijk aan het bed. Het bed was de plaats waar alles gebeurde. Daarboven, vlak onder het plafond, hing horizontaal een spiegel van bijna een zelfde grootte als het bed. Lag je op je rug op het bed, dan zag je jezelf levensgroot weerspiegeld. De subgroep vergaderde op het bed, het kopje kruidenthee stond ernaast op de grond.
Hoe verder we kwamen met onze paper over de ‘sosjale aktiedemikus’, hoe vaker J. ontbrak. We spraken elkaar niet aan op aanwezigheid of inbreng, zelfs niet in deze module over groepsdynamica. Het einde van de subgroep en de module heeft hij niet gehaald. Desondanks stond zijn naam op onze paper. Zonder noemenswaardige inspanning kreeg J. zijn studiepunten binnen.

Vijf jaar later kwam ik hem weer  tegen, tijdens een grote demonstratie tegen kernwapens in Utrecht. Op de hoek van de Catharijnesingel zag ik hem tien meter bij mij vandaan. Hoewel hij te midden van de mensenmassa stond, leek het of hij op zijn eentje aan het demonstreren was. Hij staarde in de verten en droeg een klein, maar opvallend bord met de tekst: OORLOG = KUT.
Niet lang daarna hoorde ik dat J. naar Noord-Groningen verhuisd was. Vlak onder de kust had hij een holwoning voor zichzelf gegraven. Zo bracht hij als kluizenaar Marcuse’s ontkenning van het bestaande in de praktijk.

0

WE ARE THE CHAMPIONS

Herinnering

De huldiging van Feyenoord bracht me deze week weer terug naar zondag 8 mei 2011 en het Raadhuisplein in Waalwijk. Ook de Coolsingel van Waalwijk stond destijds barstenvol voetbalsupporters. Vooraan op het plein, een heel eind bij G. en mij vandaan, zagen we een in zwarte kleuren opgetrokken podium, waar felle spots heen en weer zwaaiden op de maten van een happy hardcore beat. Het was een teringherrie. In afwachting van de kampioensploeg werden er rookpotten aangestoken, in de clubkleuren geel en blauw. De stinkende rook ontnam ons haast de adem. De massa deinde heen en weer, het plastic van lege bierglazen knisperde onder de voeten.
Wij voelden ons een beetje een vreemde eend in de bijt. We dansten niet mee, scandeerden geen leuzen, we klommen niet met een glas bier in een lantaarnpaal. We waren supporter vanuit familiaal verband.

Twee dagen daarvoor zat ik met zoon E. in een bus vol voetbalsupporters onderweg naar Geleen. Het is de enige keer in mijn leven dat ik in een supportersbus gezeten heb. Omdat het verplicht was. Vanaf de afslag Susteren werden de bussen door een grote batterij politiemotoren begeleid, alsof we twee weken daarvoor de fans van Fortuna Sittard nog met fietskettingen te lijf waren gegaan.
Het was een weinig spectaculaire wedstrijd. RKC Waalwijk had de overhand en kwam na rust met 0-2 voor. Desondanks zat ik gespannen op de tribune bij elke tegenstoot van Fortuna. Mocht de keeper mistasten of een hoge bal uit zijn handen laten vallen, dan is hij de schlemiel van de avond. Maar als hij de bal uit de kruising ranselt, dan wordt hij de man van de wedstrijd. De grens daartussen is erg smal, het is een dubbeltje op zijn kant.
Geen van beide gebeurde overigens. Zoon Arjan hield zijn doel netjes schoon, tot hij een paar minuten voor tijd door een eigen verdediger gepasseerd wordt. Dat deerde echter niet, RKC won en werd daarmee kampioen van de Jupiler League 2010 – 2011. Het confettikanon deed zijn werk, de schaal werd tientallen malen op het ritmische gejuich van de supporters omhoog geheven, de spelers dansten de polonaise. Pas om half twee ’s nachts  waren we weer terug bij het stadion in Waalwijk. Busdeuren die geopend werden gaven lucht aan tientallen supporters die op een rij in een greppel hun blaas leegden. Op het plein voor het stadion werden de feestelijkheden nog eens overgedaan.

Als voetbalvader ben ik vele jaren het land doorgereisd, naar saaie of opwindende partijen die ik als  gast, zonder te betalen, kon bijwonen. Ook al stond er niets op het spel, ik vond het altijd spannend als Arjan meedeed. Ik genoot ervan als hij positief in de aandacht stond. Als hij in interviews met de media rustig zijn antwoorden gaf. Als hij van het veld liep en mij met zijn ogen op de tribune zocht en tevreden een vuistje maakte.
Maar als hij snel in de kleedkamer verdween en niet naar mij keek, dan wist ik dat hij niet tevreden was. En ik kreeg de kriebels als hij na een minder optreden op social media voor ik weet niet wat werd uitgemaakt. De voetbalwereld is geen schoolplein waar je kunt zorgen dat de kinderen zich netjes gedragen.

Terwijl op zondagmiddag de confetti op het publiek neerdaalde en er vuren werden ontstoken, kwamen de spelers één voor één het podium op. Hoewel hij niet van de schijnwerpers houdt, liep ook Arjan vrolijk naar voren om het verdiende applaus in ontvangst te nemen. Hij was voor ons een wit stipje in de verte, maar we zagen zijn gezicht glimmen op de twee grote schermen naast het podium. In deze overmaat van geluid, licht en rook, bezorgde het mij een brok in de keel. Maar geen mens om ons heen die er weet van had.

0

RADICALISERING

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (6)

In 1972 volg ik de werkgroep Wetenschapskritiek. De begeleider vertelt, dat de psychologie ervoor moet zorgen dat mensen blijven functioneren in de maatschappij. De psychologie is het oliespuitje voor het kapitalisme. Maar, legt hij geduldig uit, de machine knerst hier en daar. Er openbaren zich grote tegenstellingen in het kapitalisme. Dat geeft mogelijkheden om het bestaande te ontkennen en te overstijgen, lees Habermas, lees Marcuse!
Ik volg zijn advies en sluit me aan bij een leesgroep. Overdag leer ik braaf voor mijn tentamens statistiek en methodologie. ’s Avonds discussieer ik in de leesgroep over vervreemding. Marx schreef, dat de mens vervreemd is van de natuur, van de producten die hij maakt, van de medemensen en van zichzelf. Maar omdat de arbeider volgens Marcuse zoet wordt gehouden met een autootje en een tv heeft hij zelf niet meer in de gaten hoe hij wordt uitgebuit. Studenten zijn in deze visie de dynamo van het verzet tegen de bestaande maatschappelijke structuren.
Ik consumeer gretig de maatschappijkritische literatuur, grote idealen verschijnen aan de horizon, inclusief de rituelen uit de socialistische kerk. De wereld steunt op nieuwe krachten, begeerte heeft ons aangeraakt. Hoe meer ik lees, hoe minder ik echter nog weet wat ik met mijn studie psychologie aan moet.
De Organisatie van Psychologiestudenten in Utrecht organiseert een congres over de beroepspraktijk van de psycholoog. Jan Foudraine, auteur van het net uitgebrachte boek Wie is van hout pleit voor het opengooien van de inrichtingen. Een andere spreker noemt bedrijfspsychologen een verlengstuk van de verfoeide ondernemer. Psychologen zouden samen moeten werken met actiecomités van arbeiders en onderzoek moeten doen naar onderdrukkende werkomstandigheden. Onderwijspsycholoog Co van Calcar roept op niet langer te lullen over de beroepspraktijk, maar materiaal te timmeren voor scholen in achterstandswijken. Ik lever een kleine bijdrage aan de organisatie van het congres  door stencils te rapen en congresmappen te verkopen. Met het rode organisatielintje om mijn arm voel ik mij heel wat.

Karl Marx

In de theoretische verhandelingen die we in de leesgroep bespreken staan de maatschappelijke structuren centraal, niet de psychologische. Het gaat over andere mensen, nooit over onszelf. Ik heb in die tijd geen vriendin, voel me onzeker in groepen en mis in mijn studentenflat het warme contact. Maar in mijn leesgroep pleit ik er voor om de zaken fundamenteler aan te pakken. We beginnen aan de Inleiding in de marxistische economie.
Tegelijkertijd vind ik dat ik niet alleen maar moet lezen en discussieren. Ik moet ook iets doen en dus sluit ik me aan bij de oppositiegroep van studenten op de subfaculteit Psychologie. Het onderwijs in het voorkandidaats vinden we belabberd. Wij kunnen te weinig meepraten. Er is 1 medewerker op 40 studenten, terwijl de landelijke norm 1 op 12 is. We schrijven pamfletten over de noodtoestand op de subfaculteit Psychologie en organiseren een protestavond. Er komen meer dan honderd studenten op af. De ontevredenheid is massaal. We weten precies wat er mis is, maar we hebben er nog niet over nagedacht hoe we deze onvrede kunnen omzetten in actie.
Enkele aanwezige studentenleiders van de studentenvakbond USF klampen ons na afloop aan. Als leden van de CPN zijn zij inmiddels gepokt en gemazeld in de organisatie van verzet. ‘Zo’n groep mag je nooit zo maar naar huis laten gaan. Dat demotiveert. Schrijf alle namen op, richt werkgroepen op, ontwerp petities’.
Ik sta er wat bedremmeld bij. De dynamo van verzet slipt over de band.

1

STUDENTENFLAT

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (5)

Uitzicht over Tuindorp

Mijn kamer aan de van Lieflandlaan 50 in Utrecht meet 3 x 4 meter en staat vol met planten, zoals citroengeraniums en sierasperges. Vanaf de bovenkant van de klerenkast heb ik een netwerk van touwtjes gespannen, waarover een snel groeiende ficusachtige plant een groen bladerdak heeft gevormd, waar de verse scheuten omlaag hangen als in een prieeltje. Op een kastje staat een grote bandrecorder en het kleine stalen bureau ligt vol met studieboeken en collegedictaten. Hier bereid ik iedere dag plichtsgetrouw mijn colleges en tentamens voor.
Mijn kamer ligt op de vijftiende verdieping en kijkt uit over Tuindorp en treinstation Overvecht. Ik kijk vaak naar buiten en ken de vertrektijden van de treinen. Zie ik er een gaan, dan weet ik hoe laat het is. Ik hoor het continue geluid van de auto’s op de Kardinaal de Jongweg diep onder mij. Ik zie de wolken langstrekken, de mist verdampen.
Staande voor het raam kijk ik uit over mijn toekomst,  mijn idealen, mijn onzekerheden.

Ik woon hier met negen andere jongvolwassen mannen. Wij zijn de eerste bewoners. De Stichting Studentenhuisvesting meende er in 1971 goed aan te doen om de jongens gescheiden te houden van de meisjes. Die wonen naast ons. We kijken op uit de Volkskrant als zij over de galerij het raam van onze woonkeuken passeren. En vervolgens strelen we onze kat. Die heet Maup, naar de minister van Onderwijs, de Brauw.
Langzaam bouwen we een gemeenschap op, met lijsten bij de biervoorraad en de telefoon, met briefjes en discussies over schoonmaken (‘de douche elke week met lysol!’), over kookplaten die aan zijn blijven staan, koekenpannen die krom zijn getrokken en boterkuipjes die zijn verdwenen.

Maaltijd op de galerij voor de studentenflat

We beginnen met gezamenlijke maaltijden. Als er tenminste iemand bereid is om te koken. Tijdens de maaltijden nemen we elkaar de maat over welk onderwerp je ook maar kunt bedenken. Soms gaat het over de gewenste veranderingen in onderwijs en maatschappij. Ik ben daarin het meest principieel en idealistisch. Alles moet anders: democratie op de universiteit, zelfbestuur voor arbeiders in de bedrijven, verbanning van honger en uitbuiting uit de derde wereld. Het socialisme is mijn doel, maar dat gaat velen in ons huis ietsje te ver. Ik vind dat ik tekort schiet als ik hen niet kan overtuigen. Dan kijk ik na het eten weer uit het raam. Mijn onzekerheid wordt alleen maar groter. En ik noteer in mijn aantekeningen: ‘de banden hier in huis zijn losjes, er is nauwelijks werkelijk contact, we leven langs elkaar heen’. ‘De onderwerpen die tijdens het eten besproken werden, vond ik niet interessant, de meningen staan ver van mij af’.

Maar het huisfeest verbroedert. Het is een goede aanleiding om de kamer eens flink op te ruimen. Dan kunnen de gasten op de grond zitten. De firma Nectar levert met een steekwagen een grote hoeveelheid kratten af.
Het eerste huisfeest heb ik niet tot het einde meegemaakt. Huisgenoot Frans had, met de kennelijke bedoeling om de buurvrouwen te behagen, een aantal grote mandflessen sherry voor een spotprijsje ingekocht.  Iemand had mij geadviseerd om eens sherry te proberen. Met mijn moeders gezegde Onderzoekt alles en behoudt het goede in mijn achterhoofd was ik er niets vermoedend aan begonnen. Halverwege het feest stond ik op mijn kamer met mijn hoofd boven de wastafel, achter mijn groene prieeltje. Ik zag alle zorgvuldig gemaakte hapjes weer naar buiten komen. Dat leek mij niet het goede wat behouden dient te worden.