Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

1

IN DE GEEST VAN LENIN (SLOT)

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (16)

(vervolg op het vorige blog, d.d. 28 juli)

Een winkel in de Sovjet-Unie

In Leningrad sta ik samen met Karin ‘s morgens vroeg in een lange rij. De muren van de winkel zijn wit betegeld. De schappen zijn halfvol. Er staan deegwaren, blikken vlees en vis. In manden liggen kolen, tomaten en eieren. Een vrouw in een witte stofjas rekent af met behulp van een telraam. Ik lees Karin voor wat er op de bordjes staat.
Ik ken het cyrillisch schrift en enkele Russische woorden. Ik heb het boek van John Reed gelezen over de Russische Revolutie. ‘Zonder voorbehoud beveel ik het de arbeiders van de hele wereld aan’, schreef Lenin in het voorwoord. Ik ken een couplet van de Internationale in het Russisch. Steeds vaker ben ik een vraagbaak voor mijn medereizigers.
Weer buitengekomen vertelt Karin in een bijzin over haar vriend die in Nederland gebleven is. Ik wist niet dat zij een vriend had en kan wel door de grond zakken. Ik neem mij voor haar verder te mijden, ik moet mijn hoofd erbij houden. Maar dat lukt van geen kant. We trekken steeds weer naar elkaar toe, als de helften van een magneet. De verliefdheid is niet tegen te houden.
Op een avond met jeugdleden van de communistische partij bevragen Nederlanders en Russen elkaar over werk, vrije tijd en politiek. Na afloop gaan de discussies in onze groep door. Als de Russische onvrijheden worden aangevallen, zeg ik dat het land in opbouw is. De opmerkingen over waardeloze spijkerbroeken en smakeloze cola kan ik tegengaan door de westerse consumptiemaatschappij te hekelen. Maar de vraag, waar ik zelf dan het liefst zou willen wonen, laat ik maar onbeantwoord.

Wachten op de bus. Ik maak een aantekening (uiterst links)

Op de voorlaatste avond gaat onze groep naar een luxe Amerikaanse bar in Leningrad. Ik ga niet mee. ‘Imperialistisch gedoe’, zeg ik tegen Karin. Maar de werkelijke reden is, dat ik met haar in het hotel wil blijven.
Voor het eerst van mijn leven heb ik een eigen hotelkamer. Het voelde de eerste dag als een enorme luxe: rustig op de wc zitten met de deur open. Totdat ik ontdekte dat het wc-papier ontbrak. Toen moest de folder van het Marx-Leninmuseum eraan geloven.
De deur van mijn kamer is nog niet dicht of Karin en ik omhelzen elkaar.
‘In de geest van Lenin’, zeg ik.
‘Genoeg, hou op!’
De tl-buis boven het bed bromt.
‘Of is het afluisterapparatuur?’, vraagt Karin.
Direct na het vrijen barst zij in huilen uit, ze voelt zich schuldig tegenover haar vriend. Bedremmeld probeer ik haar te troosten, terwijl ik me danig zit te verbijten, dat ik op de verkeerde ben gevallen.
De volgende morgen kies ik terneergeslagen een plaats achter in de bus, ver van de anderen. Er volgt een excursie naar een school, waar een leerkracht de zegeningen van de communistische opvoeding roemt. Als in een belendend lokaal iemand ongenadig weemoedig op een accordeon begint te spelen, kan ik wel janken. Maar ’s avonds zeg ik vermoeid tegen Karin: ‘het is jammer, maar we hebben mooie dingen meegemaakt met elkaar’.
‘Walgelijk’, reageert Karin en ze wil weglopen, ‘hou op met die verstandelijke overwegingen. Waar zit je gevoel, man?’
Ik weet niets te zeggen, ik wil alleen maar slapen.

 

0

IN DE GEEST VAN LENIN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (15)

De plannen van de partij – zijn de plannen van het volk

Met een groep Nederlanders ben ik in een bus onderweg naar het Rode Plein in Moskou. ‘Het leninisme is ons vaandel’. ‘De besluiten van het 25e congres worden uitgevoerd’. Het wordt ons vanaf spandoeken duidelijk gemaakt. We rijden te midden van vrachtwagens en bussen uit de vijftiger jaren. Bij een verkeerslicht staat een bus stil, de chauffeur staat gebogen over de geopende motorkap, een emmer water naast zich.
Wij hadden lang moeten wachten op onze bus en toen die er eenmaal was moest er nog een andere chauffeur komen. Op het Rode Plein volgt een nieuwe wachtperiode, ditmaal voor het mausoleum van Lenin. Enkele bouwvakkers stappen van een steiger bij de muur van het Kremlin. Pas op het laatste moment, zie ik dat het vrouwen zijn. Een vrouw in een overall vol met steengruis doet haar handschoenen uit en strijkt een piek haar achter haar oren.
Het is 1976 en ik ben met een groep op reis in de Sovjet-Unie. Na alle negatieve verhalen in Nederland over de vijand achter het IJzeren Gordijn wil ik eens met eigen ogen bekijken hoe men hier het ‘reële socialisme’ vormgeeft. Het is een reis met sociale excursies.

Zo gaan we op bezoek in een kindervakantiekolonie, een erehaag van kinderen in uniform wacht ons op. Onder begeleiding van een tandeloze accordeonist voeren zij liedjes op, gymnastische oefeningen en ballet, alles zeer gedisciplineerd. Na het Ka-ka-lin, ka-ka-la van de Oktoberjeugd is het onze beurt. Wij zingen enkele Nederlandse kinderliedjes. Vooral Mijn tante uit Marokko waarbij de kinderen de bewegingen mee kunnen doen is een groot succes. Pas na twee toegiften mogen we het podium verlaten, waarna een leidster, ‘sprekend in de geest van Lenin, de kindervriend’ ons hartelijk bedankt.
Onze groep bestaat uit enkele links georiënteerde jongeren, naast deelnemers die niet in de politiek geïnteresseerd lijken. Ik kijk de eerste dagen de kat uit de boom en probeer me aardig voor te doen. Ik heb mede ingetekend op de reis om mensen te leren kennen, schrijf ik in mijn vakantiedagboekje; waarna ik mezelf direct corrigeer: ‘Mensen? Meisjes zal je bedoelen, held op sokken, stille bewonderaar, dagdromer’.

Onder luide aanmoedigingen dans ik met een dame op mijn rug

Er staat een feestavond op het programma met de jeugdafdeling van de communistische partij in een textielfabriek. ‘Dus kleed maar je beste kleren aan’, zegt Irina, onze Nederlands sprekende begeleidster. In de kantine worden we aan tafeltjes gezet tezamen met medewerksters uit de fabriek. Het zijn jonge vrouwen met geverfde haren, rode lipstick en vooruit staande borsten. Het hoofd van de afdeling verwelkomt ons met de leuzen van het 25e congres: vrede en solidariteit. Zij eindigt met de aanbeveling om eerst met elkaar kennis te maken. Achterin de kantine zet een jongen Dynamite van Mud op. Helaas spreken de dames aan onze tafel enkel Russisch, zodat we niet veel verder komen dan de uitwisseling van onze namen en woonplaatsen. De Riesling gaat open en er zijn sneetjes met ham en stukjes meloen. Vervolgens ook ijs, morozjenowo zeg ik Swetlana na.
Gelukkig hebben wij nog onze tante uit Marokko, de stoelendans en de zevensprong. De Russische dames zingen een lied, aan het einde waarvan zij ons allemaal bestormen, waarna we ons uit een kluwen van lijven moeten bevrijden. Er wordt nieuwe Riesling gebracht. En wodka. Ondertussen heb ik alleen maar aandacht voor één vrouw uit onze groep, Karin.

(wordt volgende week vervolgd)

0

EEN S-BOCHT

Herinnering

De smalle Themaat

Het is een zonnige zondagmiddag, G en ik fietsen over de Thematerweg in Vleuten. Het is een smal polderweggetje iets ten noorden van het dorp. Aan beide zijden van de weg ligt een sloot. Verspreid liggen links en rechts oude boerderijen. Je waant je in het verleden.
Het eerste deel is niet veel breder dan een fietspad. Er staan knotwilgen in de berm. Het tweede deel is breder ten behoeve van het verkeer naar Haarzuilens. De Thematerweg is een kaarsrechte weg, op één bocht na. In het brede deel is er een S-bocht. Het is een kromming met historie, de Noodlotsbocht van de familie van Dijk.
De weg loopt al eeuwenlang door de polders Themaat en Wielreveld. Reeds in 1226 wordt de verbinding in de boeken genoemd. Hij loopt van de voormalige ridderhofstad den Engh, even ten westen van Utrecht, naar het kasteel de Haar. De S-bocht is ooit ontstaan omdat men bij de ontginning van de polder uitging van weidepercelen met een standaardlengte van 1300 meter.

Zo rond 1920 hebben mijn tante Jo (18 jaar) en haar broer Johan (16 jaar) de eerste prijs gewonnen in de versierde optocht op Koninginnedag, eind augustus. Mijn vindingrijke opa had van twee fietsen en een rol gaas een kleine auto gemaakt, een vervoermiddel dat  destijds sterk in opkomst was. De feestauto was versierd met klimop en bloemen. In hun overwinningsroes maakten broer en zus met het jongste broertje Kees (6 jaar), mijn vader, nog een rondje over Themaat. Zij merkten niet dat er onderweg enkele moeren waren losgegaan. In de bocht van de weg raakten zij de macht over het stuur kwijt en belandden met bloemen en al in de sloot. Jo’s eerste zorg was de kleine Kees, maar die was al eerder dan zij weer op de kant gekropen. Johan was blij, dat hij geen been gebroken had. Dat was hem als kind al tweemaal overkomen.
Ook mijn opa was meer dan opgelucht. Hij had in zijn jeugd een broertje verloren, die tijdens het spelen ongemerkt in een sloot was beland.
Behalve de natte pakken en het uit elkaar gevallen feestvoertuig leek er niets aan de hand. Totdat enkele dagen later Keesje problemen had met zijn ogen. Hij kon in de krant de letters niet van elkaar onderscheiden. Hij mocht van de dokter enkele weken niet naar school.

Jaren later, in 1959, had mijn neef Dirk (20 jaar) de beschikking over een motor. Dat was een machtig mooi gevaarte met een vermogen en een snelheid, waarbij vergeleken een bromfiets een slak was. Het was augustus, het weer was goed. Hij nodigde mijn broer Jos (12 jaar) uit voor een rondje over Themaat. Met wapperende haren reden zij over de Parkweg. Na het bruggetje aan het einde van de Joostenlaan kon Dirk op de Thematerweg weer gas geven. Bij het afremmen voor de S-bocht slipte de motor onderuit. De beide neven belandden met motor en al in de sloot. Jos werd met een gebroken bovenbeen naar het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht vervoerd, waar hij drie maanden lang met zijn been omhoog moest liggen.

‘Een bocht met historie’, zeg ik tegen G. Als ik door de flauwe bocht fiets, kan ik er nauwelijks een S-bocht in zien. Het is eigenlijk maar een lullig bochtje.

0

EEN SPELING VAN HET LOT

Herinnering

Foto: De Utrechtse Internet Courant

Per 1 juni sluit banketbakkerij Hagdorn aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht de deuren. Er is geen opvolger gevonden, die zich elke week zes lange dagen tussen de zoetwaar in het zweet wil werken. Daarmee zal een van Utrechts bekendste middenstandsparels verdwijnen. Ik zou op deze plek geen aandacht aan de sluiting hebben besteed, als ik niet in de derde klas van het gymnasium (schooljaar 67/68) gek was geweest op de dochter van de banketbakker.
H was een lief, intelligent en verder doodgewoon meisje. Zij toonde regelmatig haar warme belangstelling voor mij. Klasgenoten noemden mij in die tijd Nol. Had ik eens een zeven voor een Herodotusvertaling gehaald, dan riep H hartstochtelijk uit: ‘O, Nol!’. Na een verloren tafeltenniswedstrijd, was het een liefdevol ‘O, Nol!’ Het spreekt, dat ik voortdurend mijn best deed om mijn verzameling ‘O, Nol’s’ uit te breiden.
Tijdens een klasseavond liepen de jongens om een binnenkring van meisjes heen. Als de muziek stopte, had je je partner gevonden. Ik kwam precies bij H uit, zodat ik haar om de nek kon vallen. Ik was er nog niet uit, welke waarde ik aan deze uitkomst moest hechten. Deze gebeurtenis viel echter in het niet bij wat zich enkele maanden daarna zou voordoen.
Voor mijn verjaardag had ik een aantal vrienden en klasgenoten uitgenodigd, waaronder natuurlijk H. Het had mijn ouders wijs geleken, dat ik het feest in onze garage zou vieren. Een dag lang was ik bezig met het opruimen van bonenstaken, fruitkisten, kippengaas en spinnenwebben. De kale muren versierde ik met banen gekleurd crèpepapier en foto’s van popsterren uit de Muziek Expres.
Ruim op tijd ging ik aan het begin van de avond op weg naar het station om H en haar vriendin af te halen. Maar niet nadat ik mij tevoren rijkelijk had besprenkeld met eau de cologne van 47/11. Mijn moeder zag het gebeuren, deed haar mond open, maar besloot die wijselijk weer te sluiten zonder er een woord aan vuil te maken.
Het liefst had ik H bij ontvangst willen zoenen. Maar omdat ik niet wist, of ik de vriendin dan ook moest zoenen, gaf ik hen allebei een hand. Hierop barstte de vriendin in een onbedaarlijke lachbui uit. Ik kon wel door de grond zakken. Ik had me niet aan de etiquette gehouden. Of misschien was het wel die eau de cologne.
Daarop vertelde H met een rood hoofd, dat zij met haar vriendin een spel speelde. Zij telde voorwerpen (10 rode auto’s en 10 blauwe voordeuren). De 10e man die zij vervolgens een hand zou geven zou de man zijn met wie zij zou gaan trouwen. Die eer viel mij te beurt.
Ik was in verwarring. Was dit nu een teken van de voorzienigheid? Of een betekenisvolle speling van het lot? Misschien was het H wel geweest, die als eerste haar hand had uitgestoken. Ik zag Amor met zijn cupidootjes wegvliegen boven het stationsgebouw.
Een paar maanden later ging H naar 4gymB en ik naar 4 gymA en was de liefde weer vervlogen. Van haar taartjes heb ik nooit mogen eten.

0

HAUST PANEERMEEL

Herinnering

Er staan vier huizen plus een eettentje rond een spoorwegovergang, meer is het niet: Assel, een gehucht ten westen van Apeldoorn. Ik fiets er rond en speur naar een vakantiehuis in het bos.
In het voorjaar van 1960 ging ik voor het eerst van mijn leven met mijn ouders, broer en zussen en weekje op vakantie. Eigenlijk is vakantie niet het goede woord. Mijn vader was depressief geraakt en om daarvan bij te komen stelde zijn directeur diens vakantiewoning op de Veluwe een weekje ter beschikking. Het was een houten huisje, midden in het bos, niet ver van de spoorlijn naar Apeldoorn. Het heette de Turfflesch.
Ik was zeven jaar, voetbalde met mijn broer en speelde op mijn eentje zelfbedachte spelletjes op het grasveld naast het huis. Af en toe fietsten mijn vader en ik naar een kloosterboerderij om melk te halen. Ik mocht er kijken naar de varkens in de schuur.

Mijn broer wil bij mij een doelpunt maken

Of de vakantie mijn vader geholpen heeft, zou ik niet weten. Daar werd niet over gesproken. Ik wist alleen dat deze week iets met zijn ziekte te maken had en dat we de directeur van Douwe Egberts eeuwig dankbaar moesten zijn voor diens edelmoedige gebaar.
Dat mijn moeder na dit weekje minder gezond naar huis ging was mij echter meer dan duidelijk. Het was bovendien nog mijn schuld ook.
Het was midden in de week. Iemand begon na het avondeten opeens over Haust paneermeel. Ik moest daar vreselijk om lachen en holde naar mijn moeder die in het keukentje de afwas deed. In de gang botste ik hard tegen haar op. Zij had veel pijn. Alle familieleden hadden aandacht voor haar, niemand keek naar mij om. De hoofdpijn van mijn moeder zou weken aanhouden. De huisarts schreef rust voor. Jaren later, bij het opruimen van het ouderlijk huis, zou ik in de map Apotheek nog recepten voor kalmeringsmiddelen tegenkomen, die dr. Fizaan in 1960 voor mijn moeder had uitgeschreven. Het was een ongelukje, maar ik voelde mij diep schuldig. Onze eerste vakantie, de vakantie voor het heil van mijn vader, had ik voor mijn moeder grondig verpest.

Bij de spoorwegovergang werkt Structon aan de verbetering van het spoor. Het terras van Halte Assel, het eettentje naast de spoorwegovergang, zit vol. Niets hiervan komt mij na achtenvijftig jaar bekend voor. Wel zie ik even verderop een boerderij van de Paters Salesianen van Don Bosco. Nergens zie ik een eenzaam houten huisje in het bos.
Als ik een paar dagen later een rondje over Kootwijk fiets en op een paar kilometer van Assel de spoorlijn passeer, zie ik opeens een glimp van een huis in het bos. Ik keer mijn fiets en zie, verstopt achter de struiken, een houten woning liggen. Ik zie de horizontale planken op de gevel en de kenmerkende knik in het dak. Dit moet de Turfflesch zijn. Het huisje was in mijn herinnering sparrengroen, nu is het zwart. Hier ligt een glimp uit mijn jeugd, een plek voor altijd verbonden met mijn eerste vakantie en nog meer met Haust paneermeel.

0

ONTLUIKEND VERZET

Herinnering

Ce n’est qu’un debut, continuons le combat. Etudiants solidairs des travailleurs. De strijdkreten uit Parijs in mei 1968 kon ik vertalen, maar daarmee hield mijn begrip van wat er gaande was wel op.
Ik was 15 en zat in 4 gymnasium alpha. Mijn tafeltennisclub, de top 40 en het potje toepen in de schoolpauze waren de welkome afwisselingen in een braaf scholierenbestaan. De 35 lesuren per week bestonden voor meer dan de helft uit klassieke talen: 9 uur Grieks en 9 uur Latijn. Waar al die vertalingen goed voor waren, vroeg ik mij niet af. Ik noteerde in mijn agenda de spreuk van de dag: ‘en de meisjes, toen zij zich geolied hadden’ (leraar Grieks) en ‘hij deed een hoop op het graf’ (een klasgenoot worstelde met het Latijnse ‘mole sepulcrum imponit’).
Ik had zowaar al eens meegelopen in een demonstratie. Met een korte tocht vroegen we aandacht voor de hongersnood in Biafra. De school gaf er alle medewerking aan door een lesuur vrij te roosteren. De tocht werd in stilte gelopen, zodat de demonstratie het karakter kreeg van een katholieke stille omgang voor een noodlijdend missiegebied.
Verder sprak rebellie tegen leraren mij in die tijd erg aan. Het was een belegen slag mensen van voor de oorlog die van verbieden de hoogste kunst hadden gemaakt. Zij hinderden mij nogal in mijn ondergrondse correspondentie met Trees, die twee banken achter mij zat. Sommige klasgenoten noemden mij Momfer de Mol.
Maar oproepen in de schoolkrant om de vertegenwoordigers in het schoolparlement van munitie te voorzien, waren aan mij niet besteed. Ik onderscheidde mij daarin niet van andere leerlingen, want op de enquête waarin namen werden gevraagd van interessante sprekers kwamen Phil Bloom, Jan Cremer, Mao tse Tung en Rita Corita uit de bus. Uiteindelijk kon Herman van Veen gecontracteerd worden.

Bonifatius Lyceum, Kromme Nieuwe Gracht, Utrecht

Mijn grootste uiting van radicalisme was nog wel, dat ik op een vraag van de leraar geschiedenis, wie tegen de Navo was, als een van de weinigen in de klas mijn vinger had opgestoken. Mijn vader was vóór en mijn oudere broer tegen, dus die keus was snel gemaakt. Gelukkig hoefde ik mijn standpunt niet te onderbouwen.
Niet lang daarvoor had mijn vader mij in een onverwacht kwade uitval bevolen om een afspraak met de kapper te maken. Dat ik shag ging roken kon overigens wel op zijn instemming rekenen. Als het maar Drum was, het merk van zijn broodheer Douwe Egberts.
Mijn moeder voelde de tijdsgeest iets beter aan. Zij had op haar eigen initiatief een paar oranje badstof sokken voor mij meegebracht. Daarna volgde het manchester ribpak. Ook de modewereld had de solidariteit met de arbeiders ontdekt.
Geleidelijk druppelden na mei 1968 de veranderingen mijn leefwereld binnen.
Klasgenoot Clemens had het lef om bij elke leraar een discussie uit te lokken over het boekje Nooit met de rug naar de klas van onderwijsvernieuwer Helge Bonset, waarop onze leraar Latijn, Kloosterman, in een vermoeide klaagzang uitriep: ‘Ach, jongens hou nou toch eens op met die onzin’.
Na school gingen we een keer op bezoek bij een kraakpand om de hoek, waar somber ogende jongeren in zwarte kleren door vuile gangen liepen. Of we gingen naar café de Trechter aan de Oude Gracht, waar hash verkocht werd. ‘Het ruikt naar schoensmeer’, zei iemand. Ik nam een trek, maar merkte geen effect. Ik bond mijn schooltas weer onder de snelbinders en fietste vlug naar huis. De volgende dag wachtte een Vergiliusvertaling.

1

STROMENDE ZINNEN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (14)

Ik lig met mijn ogen dicht op een deken. Rondom mij is een zaal waar meer mensen liggen. Ik ben geheel ontspannen. Mijn buik beweegt zachtjes mee met mijn adem. Dan hoor ik klassieke muziek: langgerekte tonen van strijkers gevolgd door wonderschone, tedere pianoklanken. Ik ben totaal gelukkig, er is niets meer dat mij hindert. Ik voel mij bevrijd van elke spanning en angst, ik kan de hele wereld aan.

Alle spanning vanwege mijn idealen over maatschappijverandering, al mijn twijfels over mijn studie en mijn relaties en alle onzekerheden over mijzelf balden zich samen in mijn spraakgebrek. Het monster, dat mij in zijn greep had, weerhield mij van een gelukkig leven.
Telefoneren vermeed ik. Een brood kopen was een opgave, een retourtje bestellen een lijdensweg. Ik focuste uitsluitend op blokkades en pijnigde vergeefs mijn hersens met analyses van oorzaken. Zo raakte ik steeds dieper in de put.
Op televisie zag ik succesverhalen van de behandeling volgens de Doetinchemse Methode. Die was gebaseerd op acceptatie van je stotteren. Dat wilde ik niet. Daarom zocht ik stad en land af naar een therapie die mij, het liefst in korte tijd, van mijn monster kon bevrijden. Na een paar jaar speuren zonder succes klopte ik toch maar in Doetinchem aan.

Met een groep van twintig stotteraars zijn wij een week lang in afzondering bij elkaar. Door middel van adem- en ontspanningsoefeningen proberen we een nieuwe manier van spreken op te bouwen, in een laag tempo, soms maar één woord op een adem. We pakken de vermijding aan door opzettelijk te stotteren.
‘Ja, ik ben een stotteraar’, luidt de eerste zin in het begeleidend oefenboek. En ook: ‘ik ben, zoals ik ben, goed genoeg’. Het is in deze groep van lotgenoten niet erg om fouten te maken.
Mijn angsten vallen weg. Ongeduldig wacht ik tot ik een spreekbeurt mag houden voor de hele groep. De zinnen stromen vloeiend uit mijn keel. Ik wil nog heel lang doorpraten en genieten, maar al snel is de volgende aan de beurt.
We oefenen eindeloos met elkaar en daarna gaan we naar buiten om opzettelijk stotterend de weg te vragen. Of om een Rolletje Redband Drop te kopen op spreektechniek.
De twee behandelende logopedisten verklaren dat de vermijding de angst in stand houdt en hoe een positieve situatie voorbereiding behulpzaam kan zijn. Die uitleg komt mij wat te simpel over, ik plaats er kanttekeningen bij. Als we in de groep elkaar feedback geven komen mijn opmerkingen als een boemerang terug: ik reageer volgens de anderen te verstandelijk, ben te kritisch, te drammerig. Ik zou mijn gevoelens meer moeten uiten, meer tevreden moeten zijn, vooral met mijzelf. Enkele vrouwen prikken door mijn façade heen en laten een zwak voor mij blijken.

Na vier van dit soort weken word ik weer losgelaten in de maatschappij van vloeiende sprekers en normaal spreektempo. Ik zit vol met positieve ervaringen en loop over van de goede voornemens. In mijn schriften staan de oefeningen en de aanwijzingen om de negatieve cirkel te doorbreken. De uitdaging wacht.

N.B. De muziek waarnaar in de eerste alinea van dit stuk wordt verwezen is het Andante uit het 12e pianoconcert van W.A. Mozart (KV 414).

1

JANNIE

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (13)

Ze staat te wachten op het stationsplein in Arnhem. Ze is klein en heeft blond haar. We kussen zonder elkaar aan te kijken. Het voelt vreemd naast haar in de bus naar Malburgen Oost. We lijken onbekenden van elkaar. Jannie is stil. Ik kijk uit het raam en vraag me af hoe ik het ijs kan breken. We stappen uit bij de flat, waar ze samen met haar zus woont.
‘Die is nu een weekendje met haar vriend weg’, zegt ze vlak.

Twee weken daarvoor was ik in het aksiesentrum De Kargadoor in Utrecht. Er was een congres van basisgroepen over de organisatie van de klassenstrijd. Leden van uiterst linkse splinters uit het hele land discussieerden een weekendlang over de eenheid in de strijd. Gesjeesde studenten in werkmanskloffies betwistten elkaar de juiste interpretatie van de geschriften van Marx, Lenin en Mao. Tussen de langharige, shagjes draaiende kamergeleerden liep een aantal werkende jongeren uit Arnhem. In de discussiegroep over het revisionisme binnen de arbeidersbeweging zat een van hen, een klein blond meisje, tegenover mij. Zij zei niets. Ik zei ook niets. Ik pijnigde mijn hersens over een zinvolle bijdrage aan de discussie.
Die avond was er voor de congresgangers een spetterend feest. De Nijmeegse aktieband Kladderadatsch speelde onaangepaste muziek met teksten over werkloosheid, woningnood en kernenergie. Opeens zag ik, een paar meter bij mij vandaan, het kleine, blonde meisje staan. Zij stond alleen, ik stond alleen. We keken elkaar aan en pats! Daar was de hunkering, de gedeelde hartstocht, het samenzijn dat geen woorden nodig heeft. Twee magneten die elkaar niet kunnen ontlopen. We verlieten al snel de herrie en gingen naar mijn kamer.
‘Wat een boeken heb jij’, zei Jannie vol bewondering.

Nu zitten we naast elkaar op haar bed. Aan de wand van haar meisjeskamer hangt een poster van Rod Stewart. Op een kastje staan een paar knuffels. Muziek van Queen voorkomt de stilte. Ik voel me nog niet op mijn gemak. Jannie kijkt me af en toe even snel aan, haar blik heeft iets kinderlijk ondeugends. Het avondrood valt de kamer binnen. Ik heb trek. Ik zit te wachten op het moment dat Jannie naar de keuken gaat om te koken. Zal ik haar aanbieden om te helpen?
‘Zullen we er maar in gaan liggen?’, vraagt Jannie onverwachts. Nu al?, schiet er door mij heen. Ik heb meer zin in eten, maar dat zeg ik niet. Jannie houdt van doorwerken. We trekken onze kleren uit en kruipen onder de deken. In een mum van tijd is het voorbij.
‘Ben je klaar?’, vraagt Jannie, op een toon alsof ik de boontjes aan het haren ben. Zonder het antwoord af te wachten stapt ze uit bed, vist haar slipje bij het voeteneind vandaan en veegt daarmee wat vlekken weg. Onderweg naar de douche gooit ze het slipje direct in de wasmachine.

De volgende ochtend maakt Jannie zonder te praten een ontbijt. Wel vraagt ze tweemaal of ik genoeg heb. Of ik nog ontbijtkoek wil. Of de thee smaakt.
Het is nog vroeg op de zondagmorgen als we over de dijk langs de Rijn wandelen.  In de verte klinkt het gebeier van kerkklokken.
‘Ik vond dat congres vreselijk’, zegt Jannie, ‘al dat moeilijke gepraat, al die gestudeerde types’.
‘Ik ben toch ook zo’n gestudeerd type’.
‘Nee, maar jij was… jij bent, ja…’. Jannie draait zich naar me toe: ‘..ja, ..anders’.
We omarmen elkaar. Midden op de Rijndijk is de intimiteit voor even terug. Maar tegelijkertijd dringt bij mij het besef door, dat – als de trein mij straks weer naar Utrecht heeft gebracht – ik nooit meer terug zal keren.

 

0

ACTIE-ONDERZOEK

Herinnering

Serie Studeren in de jaren ’70 (12)

Een samenvatting van de eerste elf stukken in deze serie:
Geïnteresseerd in de mentale kant van topsport begon ik in september 1970 met de studie psychologie. Direct in het eerste jaar raakte ik in de ban van het onrecht in de wereld: de armoede in ontwikkelingslanden, de uitbuiting van arbeiders. Ik dook in de marxistische literatuur en werd actief in de studentenoppositie. Ondertussen studeerde ik op mijn kamertje in de studentenflat braaf voor de tentamens fysiologie en persoonlijkheidsleer. Mijn kandidaatsexamen behaalde ik met lof, maar de verandering van de maatschappij vond ik veel belangrijker dan mijn studie. Na een jaar werken in de bouw vond ik nieuwe inspiratie bij de Vakgroep Vorming en Aktivering: wetenschap in dienst van de klassenstrijd.

Daalderop, foto: Michel van Berkum

Ik participeer in een onderzoek naar het bedrijvenwerk van de katholieke vakbond NKV bij metaalfabriek Daalderop in Tiel, bekend van de boilers. Het oorspronkelijke familiebedrijf was enkele jaren daarvoor overgenomen door Internatio-Müller, een multinational. Er is sprake van reorganisaties en inkrimping. De werksfeer is matig, de directie doet een proef met de invoering van werkoverleg. Het NKV, op zijn beurt, kampt bij Daalderop met een gebrek aan animo onder de leden.
Onze projectgroep, bestaande uit 7 studenten en een wetenschappelijk medewerker, krijgt opdracht van de bond om een onderzoek uit te voeren naar verbeteringen in het bondswerk en de standpunten over het werkoverleg.
Wij hebben onze doelstellingen uitgebreid beschreven en degelijke Duitstalige literatuur doorgenomen over Das Bewusstsein der Arbeiter en Arbeiterräte in der Novemberrevolution. Ons doel is de politisering en activering van de metaalarbeiders. Daartoe hebben we een informatieve brochure samengesteld (zie de cartoon, hieronder).
Zo zit ik op een avond met een lange vragenlijst aan tafel bij een van de oudere bondsleden, een kalende man die ik in het bedrijf in een grijze stofjas zag en die mij nu in geruit colbert met stropdas ontvangt. Mijn notablok ligt naast het biedermeier koffiekopje op het hoogpolige tafelkleed. De Friese staartklok tikt de minuten weg, de kanariepiet naast de Dru-gashaard laat af en toe van zich horen.
Mijn gesprekspartner geeft korte antwoorden, mijn bloknoot blijft akelig leeg. Al na een half uur zijn we al door alle vragen heen. Van dit bondslid hoef ik geen revolutie te verwachten. Of ben ik tekort geschoten in mijn activerende taak?

Wij moeten onze hooggespannen verwachtingen bijstellen. Er zijn maar weinig werknemers die willen meewerken aan het onderzoek. Meer dan de helft van de geïnterviewden is niet op de hoogte van het bestaan van het werkoverleg. De leden van het NKV weten niet wie hun kaderleden zijn.
Er is in de verste verte geen teken van radicalisering of verzet te bespeuren. Desondanks blijf ik vasthouden aan de idealen van de revolutie. Zo ben ik opgegroeid. De hemel uit mijn katholieke jeugd is weliswaar vervangen door de socialistische heilstaat, maar voor het overige zijn er opvallende parallellen tussen het katholicisme en het socialisme: het opkomen voor de minder bedeelden, de opoffering, het zieltjes winnen, de oppervlakkige zekerheden van het ware geloof.
Ik blijf geloven. Nog even.

Wil je de voorgaande stukken in deze serie lezen, klik dan in de rechterkolom onder Thema’s op Studeren jaren ’70.

3

DE NIEUWBOUW

Herinnering

 

Het huis midden op de foto is mijn ouderlijk huis. Het lag tussen de weilanden en boomgaarden, als laatste huis aan de onverharde Hamweg in Vleuten. De foto is genomen in de vijftiger jaren.
Mijn opa Ekelschot heeft het huis in 1919 laten bouwen door zijn oudste zoon Dirk. Opa had een klein boerenbedrijfje. Links van het huis zie je nog de kippenschuur. In mijn jeugd was deze gepromoveerd tot kolenhok. Achter het huis lag de grote schuur waar mijn opa enkele koeien en varkens hield. Mijn ouders namen in 1950 het huis voor 11.000 gulden over.
Naast ons woonde in mijn jonge jaren de familie van der Horst, een gezin met veel kinderen en, zo te zien, een hoop witte was. Achter dit huis zie je een stuk van de Molenvliet, die uitkwam op de Vleutense Wetering.
In deze wereld van bessenbomen, brandnetels en pispotjes, zonder enig verkeer en zonder lawaai, ben ik opgegroeid. We speelden verstoppertje, sprongen over slootjes met kroos, plakten het kleefkruid op elkaars kleren en haren en maakten boomhutten in de knotwilgen langs de Hamweg. Vandaar keken we uit over de weilanden en de spoorlijn Utrecht – Woerden. Als er goederentreinen langskwamen telden we het aantal wagons. Dat waren er soms wel zeventig.

Begin zestiger jaren vonden burgemeester en wethouders, dat het dorp Vleuten in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden. Monumentale boerderijen en andere oude huizen in de kern van het dorp werden gesloopt. Weilanden moesten bouwrijp worden gemaakt voor de bouw van nieuwe woonwijken. Bezwaar maken was er in die tijd niet bij.
Als eerste verdwenen bij ons huis de Molenvliet en het land  aan de rechterkant van dit water (uiterst rechts op de foto). Hier werd de Hamwijk gebouwd (foto hieronder, ik zit voor op de fiets, het huis van onze buren is inmiddels wit geschilderd).
Een paar jaar later werden de knotwilgen langs de Hamweg gerooid en verschenen er draglines in de weilanden voor ons huis. Op gepaste afstand stonden wij te kijken hoe zo’n gevaarte met zijn ijzeren bak aan rammelende kettingen enorme hoeveelheden grond verplaatste. Slootjes werden dichtgegooid en grondwater werd weggepompt. Er hing tijdenlang een geur van natte klei. Over deze aarden vlakte werd een ruitwerk van geasfalteerde wegen aangelegd. Dat waren voor ons uitstekende rolschaatsbanen. Mijn broer heeft er in het Dafje van mijn vader leren autorijden.
Toen er huizen werden gebouwd speelden we op de steigers.
In een bouwkeet zagen mijn vriendje en ik foto’s van halfnaakte vrouwen hangen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. ’s Avonds probeerden we met een stok via een openstaand luikje een van de dames aan de haak te slaan. Juist toen dat leek te gaan lukken werden we gestoord door de bewaker, een gepensioneerde metselaar die op zijn Mobylette door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen. ‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’ Mijn vriendje vroeg nog of we wel op het opgedroogde werk mochten spelen.

Vleuten dijde steeds verder uit. Als slotstuk werd eind zestiger jaren de boomgaard links op de bovenste foto omgetoverd in een villawijkje. We woonden niet meer aan een doodlopende weg. Verdwenen waren de weilanden en boomgaarden. Ons huis was het laatste huis niet meer. In minder dan tien jaar tijd waren we ingebouwd. Vleuten was meegegaan met zijn tijd.
Het zou toen niet lang meer duren of ik zou het ouderlijk huis verlaten om voor mijn studie in het dichtbevolkte Utrecht te gaan wonen. Daar woon ik nu nog. Ik verlang er regelmatig naar een rustige, groene omgeving waar ik kan uitkijken over de velden en waar ik de kikkers kan horen kwaken.