Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

WATCHFULL WAITING

Dagelijks

tissue-1427120Als G opstaat krijgt zij op de rand van het bed een enorme hoestbui, een onregelmatige, niet te stoppen opeenvolging van rauw geblaf en gerochel vanuit haar keel en borst. Als ik daarna mijn mond opendoe klinkt er een diepkrakerig geluid alsof ik de hele nacht gedronken en gerookt heb. Ik haal met gemak de lage c, waar ik normaal hoogstens tot een e kom.
G en ik worden gekweld door keelpijn, verstopte neuzen en hoesten. De winter is geen winter meer, maar aandoeningen aan de luchtwegen lijken er wel meer dan ooit. Meestal gaat zoiets na een weekje wel over, maar bij ons blijft een verkoudheid de laatste jaren veel langer hangen. Soms lijkt de kwaal op te lossen, maar dan komt de keelpijn of het gehoest weer terug. G en ik zijn een gouden duo, we geven het stokje perfect aan elkaar door. Het is geen 400 meter estafette die wij lopen, maar een marathon.
En dat, terwijl we er alles aan doen om niet ziek te worden.
We eten gezond, slapen voldoende, zijn niet gestresst. Uit voorzorg eten we elke dag sinaasappels en slikken we vitamines, homeopathische middelen en weerstandverhogende yoghurtdrankjes.
De afgelopen winters konden we de loopneuzen van onze kleinkinderen nog de schuld geven, maar die hebben inmiddels zoveel weerstand opgebouwd dat zij ongehinderd langdurig met hun snotterende grootouders kunnen knuffelen.

Wij zijn niet van de soort, die bij het eerste ongemak naar de huisarts gaat. We weten dat deze ongemakken veelal vanzelf overgaan. Dus kijken we het eerst even een paar weekjes aan. De redelijkheid overheerst. Maar op een gegeven moment ben je doodmoe en futloos van al dat gekuch en gesnotter. Dan verdwijnt in één ogenblik alle ratio en bel je de dokter.
De huisarts is echter ook niet gek. Die weet dat alles vanzelf weer overgaat en dat er te veel met medicatie wordt gesmeten. Dus die zegt: ‘laten we het eerst eens even een paar weekjes aankijken’. Daarmee onbedoeld stimulerend dat je maar beter wèl bij het eerste ongemak naar haar toe kunt gaan, want die paar weken watchfull waiting moet je sowieso door.

Gelukkig betoonde onze andere huisgenoot, Youri, zijn solidariteit. De kat (17 jaar) kan er ook wat van. Wat hij doormaakt kunnen we slechts gissen aan de hand van wat er uit hem komt: een piepende adem, flinke hoestbuien en lange, geelgroene slijmerige snotdraden, die hij – voorgeprogrammeerd als hij is – lustig de rondte in slingert. Wat er aan zijn snorharen blijft hangen, poetst hij direct weg. De rest laat hij aan ons over. De eerste kat, die zijn poot voor zijn mond houdt als ie niest, moet nog genetisch gemanipuleerd worden.
Ook bij de verkoudheid van Youri kijken we het eerst even aan. Er ontstaan wel discussies over de vraag hoe lang we het arme beest nog snotslingerend laten rondlopen. Totdat ook in dit geval het ogenblik komt dat de maat vol is en we de dierenarts bellen.
En zie wat er dan gebeurt.
Dokter Simon is helemaal niet van het watchfull waiting en het nog eens even rustig aankijken. Dokter Simon wordt niet uit de Zorgverzekeringswet gefinancierd. In de veterinaire wereld heerst de markt. Dokter Simon moet leven van de behandelingen die hij geeft en dus gaat de spuit er zonder dralen bij Youri in.
De kat wordt sneller geholpen dan de mens. Door de inzet van antibiotica. Ik ben benieuwd wat Marian Thieme hiervan vindt.

1

IL DOLCE FAR NIENTE

Dagelijks
newton-s-cradle-1170239-1280x960De Radboud Universiteit organiseerde laatst een filosofische workshop Niets Doen, zo stond te lezen in Trouw.

Hoe paradoxaal kan je zijn? De combinatie van ‘niets’ en ‘doen’ is feitelijk al tegenstrijdig. De toevoeging van ‘workshop’ maakt de paradox nog pregnanter.
Paradoxaal of niet, er was een overdonderende belangstelling voor de workshop. Blijkbaar leeft er bij velen een grote behoefte aan Niets Doen. Trouw citeert de inleider: ‘Luiheid zou een deugd moeten zijn. Zet het voor mijn part in je agenda: vandaag ben ik lui’.
Waar komt deze behoefte aan adempauze vandaan? Moeten we leren om niets te doen?
Mijn eerste gedachte is, dat we in deze maatschappij meer vrije tijd hebben dan ooit. Nergens wordt zoveel in deeltijd gewerkt als in Nederland. En in vergelijking met Japanners en Amerikanen hebben wij veel meer vrije dagen, om over de Chinezen maar te zwijgen. Er zijn denkers, die hierin de aanstaande ondergang zien van het hedonistische Europa.
Vrije tijd is er dus wel. Blijkbaar is er meer aan de hand als zovelen naar rust verlangen.

Onze WC-kalender geeft deze week adviezen in dezelfde sfeer: “Verwen je voeten met een voetenbadje. Geniet van het moment als je eenmaal met je voeten in het water bungelt en doe ondertussen niet stiekem een klusje”.
Die laatste toevoeging is aan mij niet besteed. Als ik met mijn voeten in het water bungel heb ik juist de tijd om een knoop aan mijn jas te zetten.  En als ik mijn overhemden sta te strijken, kijk ik tegelijkertijd naar de tv. Ik wil mijn tijd efficiënt gebruiken.
Ik begrijp uit het artikel dat mijn gewoonten en normen een erfenis zijn van de christelijke traditie. Luiheid is volgens deze opvatting een zondige verspilling van tijd. Je moet niet alleen werken om de kost te verdienen, maar ook om je plaatsje in de hemel te verdienen. Ledigheid is des duivels oor kussen.
Dat ik mijn bezigheidsethos heb meegenomen uit mijn christelijke opvoeding is goed mogelijk. Ik heb er gelukkig weinig last van. Al past hierbij de kanttekening, dat in de tropenjaren van de combinatie van werk en kinderen de grens van de belastbaarheid soms aardig dichtbij was.
Daarom denk ik dat bij mensen, die nu gebukt gaan onder alles wat zij moeten doen, niet alleen de christelijke traditie de oorzaak is.
Vooral het werk is voor velen een bron van stress. Het tempo is een stuk hoger dan twintig of zelfs tien jaar terug. Omdat de productiviteit in de schoenindustrie of in de autofabrieken met grote sprongen is gestegen, kunnen de banken, de zorginstellingen en de scholen niet achterblijven. In dezelfde tijd moet er méér gedaan worden.
Als leidinggevende in de zorg heb ik hierin mijn partijtje meegeblazen. Ik vond dat er vaak te veel overlegd werd, te lang voorbereid, te grondig uitgezocht. Ik zorgde ervoor dat er allerlei normen werden afgesproken, zodat de medewerkers meer tijd aan de cliënten besteedden. Dat kan je een aantal jaren doen,  maar op een gegeven moment is de rek eruit en de grens bereikt. Maar in de industrie is productiviteitsverhoging een perpetuum mobile, waarvan de golven onverbiddelijk in onze maatschappij voortrollen.
Daarom is te begrijpen, dat zovelen zich aangetrokken voelen tot een workshop over Niets Doen. Het zou beter zijn als we allemaal wat kalmer aan zouden doen. Maar ik zie het niet gebeuren. Dat zit in dat woord ‘allemaal’. Er hoeft immers maar één schoenfabrikant te zijn, die het tempo iets verhoogt en daarmee zijn kosten verlaagt, zodat hij méér verkoopt dan zijn concurrenten, en het loopt weer verkeerd.
Het lijkt me wel haalbaar om onszelf weerbaarder te maken tegen stress. Want Niets Doen is soms goed en nodig, maar leren omgaan met stress is beter.
Of we vestigen onze hoop op de robot.
Wat zou het mooi zijn als die dit stukje kan afmaken, want het is al laat. En ik moet nog meer stukjes schrijven.

 

7

DEPRI

Dagelijks

bladerenStel je hebt een hernia of je bent geopereerd aan een gebroken heup. Dan heb je op een verjaardag wat te vertellen. Dan ben je verzekerd van aandacht en medeleven.
Maar als je een depressie hebt gehad, dan hou je liever je mond.
Een depressie, of een andere psychische stoornis, wordt gezien als een vorm van persoonlijk falen. En praten over je eigen fouten doe je niet.
Of, om het nog pregnanter te formuleren: als je je heup gebroken hebt doordat je een fout gemaakt hebt bij het skiën, dan kan je dat rustig vertellen. Maar in het geval van een depressie hangt het falen zo samen met gevoelens, gedachten en gedrag dat je op een feestje niet op de openbare divan gaat liggen. Dat is kenmerkend voor psychische problemen.
Afgelopen maandag is in Amsterdam het Depressie-Gala gehouden. Deze feestelijke bijeenkomst was mede georganiseerd door de psychiaters Esther van Fenema en Bram Bakker. Zij vinden dat je net zo gemakkelijk over een depressie moet kunnen vertellen als over een hernia. Een optocht van bekende Nederlanders uit de wereld van het amusement kwam vertellen over de eigen depressie. Die BN’ers waren blijkbaar niet moeilijk te vinden.
Ik heb zelf een groot deel van mijn loopbaan in de preventieve geestelijke gezondheidszorg gewerkt. Ik weet waar het over gaat en ik ben blij met de aandacht voor depressie. Zo was het jaren geleden een enorme doorbraak toen prins Claus verklaarde onder depressies te lijden. Ik juich daarom het doel van dit Gala van harte toe. De bijeenkomst was een succes, het genereerde veel media-aandacht. Dat heb je nodig voor een mentaliteitsverandering.
En toch. Er is iets dat mij stoort aan dit Depressie Gala. Maar wat is dat?

Het gaat mij er niet om, dat het begrip depressie aan inflatie onderhevig is. Woorden als depressief en depri zijn onderdeel geworden van het dagelijks taalgebruik, wat tot vervaging van het begrip leidt. Maar daar kunnen de organisatoren niets aan doen.
Hen valt evenmin te verwijten dat er nog veel onduidelijkheden zijn rond het ontstaan van depressies. Er is geen onderwerp in de psychiatrie waar de laatste jaren zoveel mensen op zijn gepromoveerd, maar de resultaten van al die onderzoeken zijn niet eenduidig. Zo kwam een promovenda vorig jaar tot de conclusie dat een gelukkige jeugd vaker de voorbode is van een depressie op latere leeftijd.
Een depressie ontstaat nooit alléén door een stofje in de hersenen. Ook de omstandigheden spelen een rol (bijvoorbeeld het verlies van een dierbare) en een persoonlijke factor (je gedrag en je gedachten en gevoelens). Daarin onderscheidt een psychisch probleem zich juist van een fysieke aandoening zoals een hernia. Dat deze nuance in de publiciteit rond het Gala verdwijnt zij de organisatoren vergeven.

Waar het mij om gaat, is dat voor het doorbreken van een taboe en het anders denken over depressies een langetermijnstrategie nodig is.
Wij hadden in Nederland tot voor een paar jaar een prachtige structuur voor de preventieve aanpak van psychische problemen. Vanuit elke GGZ-instelling waren preventiewerkers actief in het geven van voorlichting en effectieve cursussen. Voor een schijntje. In andere landen was men jaloers hierop.
De afgelopen jaren hebben de ziektekostenverzekeraars onder aanvoering van minister Schippers deze structuur compleet om zeep geholpen. De medewerkers zijn ontslagen, een grote schat aan expertise is verloren gegaan. Dat zal met preventieprogramma’s in de somatische zorg niet gauw gebeuren. Ook op het ministerie is de houding tegenover een hernia anders dan tegenover een depressie.
In plaats van het dagelijkse preventieve werk is er nu een eenmalig Amerikaans liefdadigheidsgala van enkele narcistische mediapsychiaters. En terwijl wij jarenlang bij het ministerie van VWS hebben lopen sappelen voor anonieme e-health voor jongeren met sombere gevoelens en we hierin steeds stuitten op een kruideniersachtige bezuinigingsdrift, komt Edith Schippers in het zicht van de camera’s opeens verklaren dat zij de preventie zo’n warm hart toedraagt en tovert zij 10 miljoen euro uit een hoge hoed voor nog eens een volgend onderzoek.
Daar word ìk nu een beetje depressief van.

0

EEN NIEUW JAAR

Dagelijks

Het is zondag 3 januari en het is mijn tijd om een rondje te joggen.
Op straat liggen her en der verdorde kerstbomen. De feestdagen zijn voorbij, de kerstboom is de deur uit en de mensen gaan over tot de orde van de dag. Of ze dromen alvast over de volgende vakantie. Verder zie ik overal niet-opgeruimde overblijfselen van vuurwerk: lege dozen met zwartverbrande gaten en massa’s verregende rode papierresten.
De jaarwisseling is rustiger verlopen dan vorig jaar. In Utrecht gingen slechts 37 auto’s in de fik. Dat geeft minder gewonden dan dat ontploffende vuurwerk, dus dat scheelt.
Ik ren weg van de koelkast die nog vol staat met restjes eten van de feestdagen; weg van de broodtrommel waar nog wat rimpelige, hardgeworden oliebollen liggen te wachten op een consument.
Mijn gedrag is geheel in overeenstemming met de actuele sterreclames die proberen te verleiden tot afvallen en sporten, inspelend op de goede voornemens, die mensen maken aan het begin van het jaar.
Ik ben niet zo van de voornemens. Als ik iets wil veranderen hoef ik toch niet tot 1 januari te wachten? Elisabeth Kübler-Ross, de eerste seculiere specialist in sterven, zei het al: leef elke dag alsof het je laatste dag is.
Ik hol naar Park Bloeyendael, een kleine oase van rust, ingeklemd tussen twee snelwegen en twee vierbaans provinciale wegen. Hier kronkelen kleine paadjes tussen elsen en rietland. Eenden en futen drijven bewegingsloos op het water, merels schieten onder de doornhaag.
In mijn hoofd hoor ik het opgewekte openingsdeel uit Bach’s cantate BWV 190 voor Nieuwjaarsdag: Singet dem Herrn ein neues Lied. Eerst loven wij god en daarna vragen wij zijn bescherming tegen Pestilenz en Krieg in het komend jaar. Allelujah! Zo opgewekt mag het begin van het jaar wel zijn.
Op de maten van de muziek ren ik het nieuwe jaar in, niet wetend wat het jaar gaat brengen. Maar een paar zekerheden zijn er in ieder geval.
Ik blijf zingen (‘ein neues Lied’) en schrijven en op 1 mei a.s. eindigt mijn arbeidscontract. Dan heb ik nog twee jaar te gaan tot mijn pensioen. Tenzij er nog tijdelijke baantjes of klusjes opduiken eindigt dan mijn arbeidzaam leven. Joggend door Bloeyendael komt me dit eigenlijk als een belachelijke gedachte voor. Pensioen? Dat is toch iets voor ouderen?
‘Ben je bang voor het zwarte gat?’, heeft men mij al meermalen gevraagd.
Tot nog toe kon ik me geen voorstelling maken van het zwarte gat. Twee jaar geleden heb ik al twee dagen ingeleverd. Die tijd heb ik zonder moeite weer gevuld.
Maar stel dat ik, geheel vrij van verplichtingen, ’s morgens op sta en nog niet weet wat ik die dag ga doen. Dan lees ik eerst uitgebreid de krant, gooi een wasje in de wasmachine, maak een puzzeltje, doe een boodschap, ruim wat troep op en voor ik het weet is het avond en vraag ik me af, wat ik eigenlijk gedaan heb die dag. Dat lijkt me niet erg bevorderlijk voor de stemming en het zelfvertrouwen. Zou dat het zwarte gat zijn?
Minder werken, dat heb ik al gemerkt, is in eerste instantie aantrekkelijk. Niet meer zo hard lopen, dat is wel prettig. Wat ik nu doe kan je eigenlijk al geen hardlopen meer noemen. Maar wie denkt dat je met meer vrije tijd in een aanhoudende gelukzalige stemming terecht komt, een soort voorportaal van de hemel, vergist zich. Of je je gelukkig voelt, is maar voor een klein deel afhankelijk van de omstandigheden, las ik laatst nog.
Je moet er zelf iets voor doen.
Komt hier toch een soort voornemen voor het nieuwe jaar om de hoek?
Bezweet uithijgend rek ik op het bomenpad langs de Karel Doormanlaan mijn spieren op. Met mijn hoofd omlaag wordt mij een kwalijke geur gewaar en besef ik dat ik ook in dit nieuwe jaar weer eens in de hondenpoep getrapt ben.
Ik wens je een gelukkig nieuwjaar.

0

SNOEIHARD

Dagelijks

hulstDe tuin is er klaar voor.
Fijn dat de winter nog even op mij gewacht heeft. Dat ik nog de tijd kreeg om op te ruimen.
Ik ben eigenlijk niet zo’n tuinman. Ik ken de namen van de planten niet, laat staan dat ik weet hoe ze behandeld moeten worden. Maar snoeien en opruimen kan ik als de beste.
Zonder aanziens des struiks of plants, groot of klein, inheems of exotisch, kortwiek ik takken dat het een lieve lust is, trek ik dood blad en zieltogende plantjes los en draai woekeraars de nek om.
Zoals sommige mannen een opkikker krijgen van hout hakken, zo krijg ik een kick van snoeien.
Ons huisroodborstje, dat verdraaid niet bang is, kwam vorige week nieuwsgierig kijken of er voor hem nog wat te happen viel. Midden in de tuin vierden een groep dansende muggen bij voorbaat hun overwintering.
Bij de tuintrap zat een merel schuw om zich heen te kijken. Hij bleef maar zielig op zijn plekje zitten, dat zag er niet goed uit. Pas toen ik vlakbij kwam, hipte hij gehandicapt of oud, weg om zich onder de trap te verstoppen. Ik overwoog nog even om hem in een doos in de kamer te zetten, onder een warme lamp, temidden van vetbollen, mueslireepjes en een kommetje water. Er zijn mensen die daar een liefhebberij van maken. Maar zoals gezegd ben ik meer van het opruimen en het snoeien.

Een paar dagen later heb ik de hulstboom maar eens goed onder handen genomen. Deze hield de laatste jaren steeds meer zon tegen.
Ik trok er een sombere decembermorgen voor uit en beloonde mijzelf eerst met een nieuwe snoeischaar en snoeizaag. Ik hou van goed gereedschap.
Mijn nieuwe, kromme zaag gleed als een mes door de boter. Ik begon ervan te zingen.
Terwijl ik de ene na de andere polsdikke tak afzaagde, vroeg ik me even af, wie ik wel ben, dat ik zomaar zo’n weerloze boom van zijn ledematen mag beroven. Het is toch een harde ingreep in de natuur. Dit soort vragen komt in mij op sinds ik Trouw lees.
Ik stond bovenin de boom te wiebelen, met één voet in een smalle kruin, de snoeizaag stevig in mijn hand. Ik vond dat ik wat moest zeggen. Fluisterend sprak ik tegen de boom, dat het voor zijn bestwil is. Dat mijn haren en nagels ook regelmatig geknipt worden. Dat hij (zij?) op deze manier gezond blijft en volgend jaar weer veel besjes zal voortbrengen, waar de merels zo verzot op zijn. Dat hij zo zieke merels er weer bovenop kan helpen.
Vervolgens zaagde ik nog wat hoge, jonge takken weg. Het zal wel niet in het handboek van de snoeigoeroe staan, maar meer zon in de tuin geeft andere planten weer een beter leven. De een zijn dood is de ander zijn brood, dat is de natuur.
Beneden me was de tuin nu één schitterend bed van verse hulsttakken geworden. Met wat kerstballen en lichtjes erin zou het een megakerststukje zijn.
Weer met beide benen op de grond was ik nog tijden bezig om alle takken te strippen en op zo’n breedte af te zagen, dat zij in een Toyota Yaris Hybride konden worden afgevoerd. Er zijn lijkwagens van mindere kwaliteit.
In het hoekje van de tuin, waar het roodborstje huist, viel mijn oog opeens op een zwart hoopje op de grond. De merel, die een paar dagen daarvoor onder de trap was gehipt, lag er levenloos op zijn zij, het oogje gesloten.
Tja, ook vogels gaan dood, al zijn we er veelal niet getuige van. Ik hoopte nog wel, dat hij niet door onze kat of een van zijn collega’s naar de andere wereld was geholpen. Maar dat soort gedachten is zinloos. Ik deed wat ik op dat moment nog kon doen: ik pakte de spa, groef een klein gat in de grond en schoof de merel daar voorzichtig in. Het was of ik daarna iets heel plechtigs deed, toen ik de overblijfselen met aarde bedekte. Een leven was voorgoed voorbij.
Nu al het snoei- een tuinafval is afgevoerd, kijk ik iedere dag weer met tevreden gevoel de tuin in. Wat kan zo’n tuin er prachtig uitzien als ie opgeruimd is. Een waar genot!
Laat de winter nu maar komen.

0

EEN SERIEUZE KWESTIE

Dagelijks

Ik heb eens een vijftiger horen zeggen: “als ik 75 ben, dan heb ik lang genoeg geleefd. Dan is het mooi geweest”.
Wie niet wil afwachten tot de dood hem overkomt, moet zelf actie ondernemen.
Het aantal verzoeken om euthanasie vanwege ‘een voltooid leven’ is erg klein, maar het neemt wel toe. Het gaat bijvoorbeeld om ouderen die blind zijn of in een rolstoel zitten en die afhankelijk zijn van de hulp van anderen. Of het gaat om mensen die door lichamelijke beperkingen nauwelijks meer het huis uit komen en zich erg eenzaam voelen.
Wil je in zo’n geval hulp, dan wend je je in Nederland tot een arts.
Veel artsen hebben moeite met euthanasie vanwege een voltooid leven. Het gaat immers niet om een patiënt, die ondragelijk lijdt en niet lang meer te leven heeft. Strikt genomen valt de vraag om euthanasie vanwege een voltooid leven niet binnen de regels van de wet. Het is niet alleen of zelfs maar in beperkte mate een medische vraag. Moet een arts dan beoordelen of dat leven nog de moeite waard is?
Columnist en geriater Bert Keizer spreekt in Trouw zijn twijfel hierover uit. Tegelijkertijd vraagt hij zich af: ‘aan wie moet zo iemand het dan vragen?’.
Een terechte vraag, al zou hieronder de gedachte kunnen liggen, dat er dan een andere hulpverlener klaar moet staan.
Een oplossing voor dit probleem werd in 1991 voorgesteld door de jurist Drion: een pil, waarmee mensen van 75 jaar en ouder in staat worden gesteld om op humane wijze en op een zelfgekozen tijdstip een einde te maken aan hun leven. Zo’n middel versterkt de autonomie van ieder mens en verkleint de afhankelijkheid van artsen.
De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde (NVVE) wil gedurende drie jaar een proef met de verstrekking van een levenseindepil. Doel van de pilot is om te bepalen onder welke voorwaarden deze pil verstrekt zou kunnen worden.
Tegenstanders zeggen, dat het beter is om angst, somberheid of eenzaamheid aan te pakken en dat het verlangen naar de levenseindepil voortkomt uit angst voor aftakeling en pijn. Lijden hoort bij het leven en je moet niet proberen om via euthanasie daaraan te ontkomen. Bert Keizer vindt dit argument ‘bloedlink’. ‘Ik ken op de eerste plaats niemand die erin slaagt om te leven zonder te lijden en zou niet durven zeggen, dat daar aan het eind nog een bepaalde portie bij moet om de zaak netjes af te ronden’.
Ik vraag me af wat de rol van de familie gaat worden als er zo’n pil is. Hoe zou het voor nabestaanden zijn als moeder tijdens een eenzame kerst in haar eentje besloten heeft om er tussenuit te piepen? Zouden ze zeggen: ‘ze was oud en wijs genoeg’?
Omgekeerd zou je je ook kunnen voorstellen dat familieleden, voor wie de verzorging van moeder thuis te zwaar wordt, een proefballonnetje oplaten over die pil. Of erfgenamen die het geld hard nodig hebben. Of een ziekenhuis, dat door zijn budget voor behandelingen heen is.
Econoom de Kam stelde laatst vast, dat de pil van Drion de zorg betaalbaar kan houden: ‘Het klinkt cru, maar wanneer ouderen in de toekomst vaker voor een zelfgekozen einde opteren, blijft de zorg voor wie zo’n pil afwijzen beter betaalbaar’.
Kunnen we dan nu vast even noteren wie zich wil opofferen?
Zou er een levenseindepil zijn, dan nog zou ik niet de neiging hebben om er al vast een te reserveren. Ik weet absoluut niet hoe ik in het leven sta als ik 75 ben (als ik dan nog leef, ik klop het maar even af).
Toen mijn moeder 98 was, zei ze vaak: ‘ik hoop dat je ook zo oud mag worden’, om er na een paar tellen aan toe te voegen: ‘in goede gezondheid’. De definitie van wat goede gezondheid is, had zij in de laatste tien jaar van haar leven dramatisch aangepast. Terwijl haar geheugen haar ernstig in de steek liet, haar oren en ogen sterk achteruit waren gegaan en zij in een instelling een zittend bestaan leidde in afwachting van de volgende maaltijd, wilde ze nog wel 100 jaar worden.
Ik weet niet of zo’n aanpassing mij zou lukken.

0

THE LAST TIME

Dagelijks, Reizen
Alpe Dèvero is een klein, autoloos dorpje hoog in de Italiaanse Alpen, niet ver van de Zwitserse grens.
Ik moest daar toch in de buurt zijn, dus ik greep de gelegenheid aan om enkele dagen door de bergen te wandelen. Ik vond onderdak in Casa Fontana, een geheel uit hout opgetrokken pension.
De gelagkamer, gevuld met lange eikenhouten tafels, stroomde elke avond weer vol met hongerige bergwandelaars of mensen die zich als zodanig voordeden.
Als einzelgänger had ik het kleinste tafeltje van het huis, weggestopt in een hoek naast een ouderwetse, glimmende vleesmachine. Er stond een houten kastje gevuld met gezelschapspelletjes en  boeken over Alpenflora en over wandelpioniers, die tachtig jaar geleden in een plusfours  voor de camera poseerden.
Hoewel ik wat onwennig alleen aan mijn tafeltje zat, verveelde ik mij niet tijdens de viergangenmaaltijden. Vanuit mijn hoekje had ik een uitstekend zicht over de gehele zaak.
Op de tweede dag van mijn verblijf zat er een echtpaar met twee meisjes van – naar schatting – vier en twee jaar oud. Hij was Fransman, zij Engelse. Ik kon de gesprekken, afwisselend in het engels en frans, niet negeren.
Vanaf het begin was duidelijk, dat de meisjes niet zo’n zin hadden in het eten en niet van plan waren om rustig op hun stoel te blijven zitten. Terwijl papa en mama al lang klaar waren met het voorgerecht, had het kroost nog geen hap genomen. De irritatie bij de ouders nam merkbaar toe, maar zij wilden zich van hun goede kant laten zien.
‘Do you want me to help you?’, vroeg de vader gedienstig.
De meisjes reageerden niet. Zij speelden vervaarlijk met hun lege wijnglazen en gebruikten hun mes om de servetten te bewerken.
‘Shall I cut your spaghetti, sweetheart?’, probeerde moeder nog eens poeslief.
Nog meer dan het gebrek aan eetlust was de lawaaiierigheid van de meisjes een bron van irritatie voor de ouders. Door elkaar heen pratend legden de ouders uit, dat je in een restaurant niet zo luidruchtig mag zijn. Ik voelde de spanning oplopen.
Om het draaglijk te houden nam vader om het kwartier zijn dochters even mee naar buiten. Papa ging daar gelijk staan telefoneren. Hij had blijkbaar nog andere zaken aan zijn hoofd.
Het eerste bommetje barstte bij het hoofdgerecht. Het oudste meisje brulde onbedaarlijk dat zij het eten niet lustte. Moeder greep in, vader nam het direct over en vervolgens trok moeder het gillende kind op schoot. Haar boodschap was voor het hele restaurant te horen: nu ga je rustig eten, anders ga je naar boven! This  is the last time!
Voor de gasten in het restaurant brak nu een periode van relatieve rust aan.
Bij het desert hadden de meisjes zich weer van tafel losgemaakt. Ze waren niet geïnteresseerd in ijs met chocola. Ze hadden een bank met kussens ontdekt, waar ze met veel gegil aan het spelen waren. The last time bleek dus een rekkelijk begrip.
Pas na het eten ontdekte ik dat het gezin de kamer naast mij had.
Om elf uur barstte de tweede bom. Vanuit het niets begon de vrouw tegen haar man te schreeuwen en te vloeken. De kannonade ging het hele Casa door. Ik schrok bijna net zo hard, als toen er eerder die dag op een bergweide een troep koeien op mij af kwam hollen.
‘It’s always the same!! You have done nothing!!! I have told you, this was the last time! THE LAST TIME!!!’
Ik hoorde geen tegengeluid van de man, maar blijkbaar maakte hij aanstalten daartoe.
‘Tais toi, tais toi!’, gilde de vrouw.
Manlief  hield zich wijselijk aan dit advies.
Ik zat met bonzend hart in mijn kamertje en verwachtte elk moment het geluid van brekend glas of vallend meubilair.
Het werd echter akelig stil. Ik hoorde slechts nog het ruisen van een bergbeek.
De volgende morgen zat ik als eerste aan het ontbijt. Ik had snode plannen. Ik wilde de Passo della Rossa bedwingen en via een stukje Zwitserland weer terugkeren.
Achter mij hoorde ik voetstappen de houten trap afkomen. Vader kwam binnen met zijn oudste dochter. Ze pakten wat taart en fruit van de ontbijttafel. Zonder te spreken gingen zij aan tafel zitten. Ik was nu niet meer de enige die zwijgend aan het ontbijt zat. 
Moeder en jongste dochter heb ik niet meer gezien.
0

MADAMEPERENLAAN

Dagelijks
De gemeente Utrecht nodigt haar inwoners nog wel eens uit om mee te praten. Bijvoorbeeld over milieudoelstellingen of over de leefbaarheid van de buurt. Ik kan hier niets op tegen hebben. Maar zelf heb ik niet gauw de neiging om mij voor zo’n overlegfestijn op te geven. Mocht er echter eens een verzoek komen om lid te worden van de straatnamencommissie, dan wil ik dat zeker in overweging nemen. Straatnamen bedenken, dat lijkt me wel wat.
Tot 1955 bedacht de archivaris van het Utrechts Archief de straatnamen en de onderschriften. Een archivaris stond toen nog in aanzien. Hij was uiteraard een belezen man, die alles wist van historische figuren en plaatsen. In 1967 werd de commissie Straatnaamgeving ingesteld. De commissie bestaat nu uit een vertegenwoordiger van het Utrechts Archief, een afgevaardigde van Post NL (deskundig in verbastering van briefopschriften), een drietal integere ambtenaren en een onafhankelijk voorzitter.
Men beoordeelt namen op grond van een aantal criteria. De naam moet passen in de omgeving van de wijk, aanvaardbaar zijn voor de bewoners en niet voortkomen uit de waan van de dag. De naam mag niet langer zijn dan 39 tekens. Geen 30 of 40, maar precies 39. Kennelijk heeft men Utrecht’s langste straatnaam, Burgemeester van der Voort van Zijplaan, als grens gekozen.
In 2013 was de werkwijze van de commissie Straatnaamgeving onderwerp van overleg met leden van de gemeenteraad. De wijkraad Leidsche Rijn maakte toen gebruik van het recht om in te spreken. Vaak ligt daar een ongenoegen aan ten grondslag. Voor het plan Hoge Weide was besloten om de straatnamen naar kruiden en specerijen te noemen. Daar had de inspreker niets op tegen. Zijn bezwaren richtten zich op de keuze van de namen Karamelweg, Sambalweg en Ketjapweg. ‘Je zal maar een kind van Chinese afkomst zijn en aan de Sambalweg wonen’. Daarnaast betoogde hij dat ketjap een sojaproduct is en karamel een suikerproduct en dat deze namen derhalve niet passen tussen de kruiden en specerijen.
Tja.
Het belangrijkste bezwaar van de wijkraad betrof echter de naamgeving van de parken. Het Groot Archeologiepark was door het stadsbestuur omgedoopt in Amaliapark. Het prachtige Leidsche Rijnpark kreeg ‘na een geheim initiatief van de Vrienden van het Park op een regenachtige maandagmorgen’ opeens de naam Maximapark en de groenstrook over de A2-tunnel waarvoor de wijkraad de Leidsche Rijn Boulevard had bedacht werd ‘na een Idols-verkiezing waaraan de héle stad mee mocht doen’ opeens tot Willem-Alexanderpark gebombardeerd.
Het moge duidelijk zijn. De wijkraad voelde zich niet serieus genomen.
Van alle criteria die de straatnamencommissie hanteert lijkt de aanvaardbaarheid mij het lastigste. Er moeten namen uitgekozen worden, waar iedere bewoner zich in kan vinden. Daarom kom je overal in Nederland straten tegen die genoemd zijn naar historische figuren, plantjes, landsdelen, dieren, componisten, landgoederen, rivieren, enz. Namen waar niemand zich aan kan storen maar waar je ook niet warm of koud van wordt. Want zeg nou zelf, de Tongzoenstraat, de Jonge jeneverweg of het Kolerepad zijn wel opzienbarend, maar wie zou daar willen wonen?
In Leidsche Rijn is er een jazzwijk met onder andere de John Coltranestraat en een musicalwijk met de Burt Bacharachstraat. Bij de keuze van deze laatste naam was de deskundige van Post-NL kennelijk afwezig.
Er is een buurt met peren en een met waterplanten. De zwammen zijn vernoemd en de vlinders. In de meteorologische wijk (‘Het Weer’) bestaan Wolkendek, IJsheilige en Avondrood als straatnaam. Regenbui en Depressie ontbreken.
Het lijkt me moeilijk om buiten de gebaande paden te treden. Welke thema’s zijn origineel en niet te buitenissig? Keukengerei (Kookwekkerlaan)? Computertermen (Browserhof)? Gezelschapsspelletjes (Monopolybaan)?
Er valt overal wat op of aan te merken. Een straatnamencommissie doet het nooit goed.
Bij nader inzien geloof ik toch dat ik voor de eer ga bedanken, mocht men mij vragen. 
Ik heb nog wel een advies. Schaf de inspraak af en schaf de commissie ook maar af. Laat de archivaris maar weer op het uiteinde van zijn balpen bijten.

 

0

MAN EN AUTO

Dagelijks

Waarmee kan een beetje man in het openbaar pronken? In zijn straat of op een feestje? Dat kan maar één ding zijn. Niet zijn grappige barbequeschort, die Italiaanse designschoenen of die kekke verticuteerhark.  Dat kan alleen maar dat grote, glanzende mobiel zijn dat recht voor zijn deur staat en waar hij met opgeheven borst naar toeloopt. Die auto, waar hij graag zijn geld aan spendeert, die hij regelmatig door de wasstraat haalt, en die onderdeel is van zijn identiteit (‘zeg me waarin hij rijdt en ik vertel je wat voor man het is’). Als het even kan heeft hij naast zijn gezinswagen nog een cabriolet of een oldtimer waarvan hij in zijn kinderjaren al een miniatuurversie van had.

Ik vond als kind een Saab prachtig en bij de Mercedes was ik weg van dat fijnmazige rooster voor de motorkap. Maar ergens in mijn ontwikkeling tot man, heb ik een andere afslag genomen en ben ik niet meegegaan met al die mannen die hun auto liefhebben als hun partner.
Voor mij is een auto nu een gebruiksding. Het interesseert me niet hoe ie eruit ziet en wat er aan accessoires op zit. Ik stel het kopen van een andere auto het liefst zo lang mogelijk uit en dat lukt me aardig. Al dertien jaar lang. Maar nu hebben we onze VW Golf Variant (2002) aan zoonlief overgedaan. Nu kan ik er niet meer onderuit.
Maar geen nood, op de website van de ANWB staat de Autokieshulp, een handige tool die mij in tien stappen door het keuzeproces heen helpt. De eerste vraag is: wil ik een hatchback, een sedan of een ander type? Ik ga weer even achterover zitten: een hatchback, een sedan?? Er staat geen vraagtekentje bij voor meer uitleg. Iedereen weet blijkbaar wat bedoeld wordt. Er wordt gevraagd hoeveel vermogen ik wil. Ik heb géén idee, maar ook dit is blijkbaar gesneden koek voor echte mannen.
Na ampele raadpleging van een aantal websites komen we tot de conclusie dat wij gaan voor een hybride, compacte middenklasser, zoals dat in het jargon heet. Het grote voordeel is dat er maar weinig kleine hybride auto’s gemaakt worden. De keuze is beperkt en daar hou ik wel van. De firma Toyota duikt in deze markt herhaaldelijk op en zo lopen we op een zaterdagmiddag de ruime, lichte hal van een Toyota-dealer binnen. We gaan voor een occasion. Want waarom zoveel meer geld uitgeven voor de nieuwste snufjes als een paar jaar oude auto net zo goed rijdt?
Ik ben op mijn hoede. Ik heb me voorbereid op vlotte verkopers met slimme overtuigingspraatjes. Als je al niet weet wat een hatchback is, dan word je zo onder tafel geluld.
De Toyota-verkoper is inderdaad een vlotte vent. Maar aanprijzen of overtuigen doet hij geen moment. Hij neemt uitgebreid de tijd om uit te zoeken wat we willen. Bij alles wat wij zeggen en vragen geeft hij ons het idee, dat onze wens heel begrijpelijk is. Alsof hij het zelf ook zo wil. Misschien zeggen wij wel domme dingen, maar hij verblikt of verbloost niet. Hij gaat nergens tegenin. De man is goed geschoold.
Na een prettig proefritje in een Toyota Yaris zeggen we dat we er nog even over na willen denken. Dit is de eerste maal, dat de verkoper ons niet alleen maar bevestigt. Op handige wijze weet hij onze instemming te krijgen voor een volgende afspraak. Wij zeggen nog wel, dat we ook bij een andere dealer gaan kijken. Op dat moment verstrakt het ontspannen gezicht van de verkoper. Voor een enkel ogenblik maar. Feitelijk zijn de onderhandelingen al begonnen.
In dit interbellum raadplegen we nog wat deskundigen, zoals mijn favoriete autotijdschrift Top Gear. Hierin lees ik: “Zoals ie nu is, zal de Yaris vooral liefhebbers van droog, no-nonsenseautorijden aanspreken”. Kijk, we worden van onverwachte kant bevestigd in onze keus!  Top Gear vervolgt: “Nou ja, hebben zij ook eens iets wat er tof uitziet.” Maar wat Top Gear tof vindt, vindt de no-nonsense automobilist misschien niet altijd tof.  Zo vind ik de achterzijde foeilelijk. Maar ja, dat heb je bij mensen ook wel eens. 
Uiteindelijk kopen we een twee jaar oude Yaris bij de eerste dealer. Als ik de wagen kom halen is ie toegedekt met een groot, felrood fluwelen laken. Ik mag het cadeautje uitpakken. Jammer, dat er geen toeschouwers zijn om te applaudisseren als ik het kunstwerk onthul. Zoveel man ben ik nu ook wel weer.
0

LA GRANDE FÊTE

Dagelijks
Zou er iemand in Nederland zijn, baby’s en hoogbejaarden niet meegerekend, die niet weet dat vandaag de Tour de France in Utrecht is gestart?
Hier in Utrecht zijn we er al maanden op voorbereid met tentoonstellingen, proefritten, festivals en allerlei creatieve variaties op de met Franse vlaggetjes versierde etalage. Nu het eenmaal zover is, is de stad een pretpark en het centrum een verzameling van muziekpodia, waartussen een continue stroom van mensen gaande is. Keerzijdes zijn er ook. Wie zich er op verheugd had om dit weekend van de Grand Départ thuis te bevallen kan dat op haar buik schrijven. Je kunt je in een groot deel van de stad alleen lopend of fietsend verplaatsen, zeker als je, zoals wij, aan of bijna aan het parcours woont.  De stad met de auto uitrijden kan nog wel. Maar ben je eenmaal buiten, dan kom je er niet meer in. Het is een omgekeerd Hotel California.
Nu zul je er mij niet over horen klagen. De Tour in Utrecht, dat is prachtig. Dan neem je wat ongemakken voor lief.
De Tour voelde vandaag wel wat onwerkelijk. Alsof het niet de echte Tour de France is.
Immers, in onze ervaring begint het kijken naar de Tour met een tijdlang stilstaan in een file zonder dat je een meter vooruit komt. In arren moede en god-zegene-de-greep laat je dan je auto half in een greppel achter en loop je een uur in een almaar toenemende stroom mensen. Kijken naar de Tour is een plekje zoeken in een weinig egaal stukje berm, waar het naar hooi ruikt. Is het smeren van stukken stokbrood met La Vache Qui Rit, terwijl je tegen de benen van omstanders aankijkt en merkt dat je te weinig drinken hebt meegenomen.
 
 
                              Col de Berthiand, dep. Ain, 1991.
Het is kijken naar die boer, met zijn platte pet en zijn kromme rug, de kinderen die wapperen met het groene handje van sponsor PMU, naar drie nonnen op hun verkleurde tuinstoeltjes.
Het is uren wachten in de mistige kou en regen op de Galibier, met een transistorradiootje via de Wereldomroep luisterend naar Radio Tour de France, terwijl fanatieke Italianen voortdurend vragen of Pantani nog bij de koplopers zit. Het is ongeduldig hangen in de hekken op de Champs Elysee, in de brandende zon, met het geluid van musette-walsen uit de luidsprekers, naast die oude Parijzenaar op zijn pantoffels en Le Figaro in de wijde zak van zijn ochtendjas.
Kijken naar de Tour is vooral wachten, wachten, wachten, totdat er 13 volle seconden lang iets voorbij flitst.
Vandaag konden we de hele reclamekaravaan en al dat wachten overslaan. Op het moment dat de starter zijn laatste vinger introk en de eerste renner voor de tijdrit van het startpodium dook, liepen wij op ons gemak met een klapstoeltje de voordeur uit. Honderd meter verder sloten we aan bij de rijen langs de dranghekken in de zon, nog ruim op tijd om die eerste renner, hartstochtelijk toegejuicht, langs te zien stuiven.
Met tussenpauzen van 1 of 2 minuten volgden successievelijk de overige 197 renners. Eerst doemden steeds de blauwe zwaailichten op van een Franse motoragent en een Nederlandse collega. Op gepaste afstand volgde dan een spichtige renner in een strak, kleurig pak, voorovergebogen over zijn stuur, waardoor de botten van zijn ruggengraat goed te zien waren, weggedoken onder een enorme, aerodynamische helm met een scherm voor de onzichtbare ogen, de benen ritmisch rondmalend onder een bewegingloos bovenlijf. Als een emotieloze machine voortmalend achter de twee even bewegingloze motoragenten. Voor de emotie hoef je niet naar een tijdrit te kijken.
Elke renner werd met applaus ontvangen,  maar naderde er een Nederlander dan was dit al duidelijk nog voordat het blauwe zwaailicht zichtbaar was. Langs het gehele parcours golfde dan een overdonderend lawaai, zoals een wave zich door een stadium verplaatst.
Was ons gekoelde water op of hadden we zonnecrème nodig, dan liepen we even naar huis.
Het voelde niet helemaal als de Tour, maar het was net zo leuk.
De Tour is van start gegaan. Het feest gaat nog wel even door hier.