Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

DE EINDIGHEID DER DINGEN

Dagelijks

geraniumsAfgelopen dinsdag was het zover.Ik deed mijn laatste klus. Het schrijven van een verantwoording voor een subsidie van de gemeente Houten.  Ik ruimde nog wat laatste spullen op. Documenten over opleidingsactiviteiten. Offertes en nota-opdrachten voor cursussen en presentaties.Op LinkedIn verving ik mijn werkadres door mijn privéadres.Ik bracht enkele ordners naar mensen die mijn taken overnemen.Tijdens dit alles was ik me er continu van bewust: dit is mijn laatste werkdag. Na 36½ jaar.Het voelde vreemd, maar ook niet meer dan dat. De betekenis wilde nog niet erg doordringen.
Ik bracht een paar laatste verbeteringen aan in de uitnodiging voor mijn afscheid en gaf door hoeveel verlofdagen ik nog over heb. Die schenk ik de instelling.Daarna maakte ik een ronde langs de collega’s. Ze wilden allen weten, wat er op dat moment door mij heen ging. Het voelt onwezenlijk, antwoordde ik, maar het is wel goed zo.Sommigen raakten een verkeerde snaar (‘oh heerlijk voor altijd vakantie vieren’), zoals er ook  wenskaarten zijn met teksten als ‘Stoppen met werken? Begin met genieten!’ met bijpassende foto van twee ligstoeltjes aan de vloedlijn. Of nog erger: ‘Geniet van je verdiende rust!’.

Ik kon geen afscheid nemen van mijn kamer. Ik liep nog maar eens nutteloos rond en inspecteerde de boel, zoals ik dat doe als ik een hotelkamer achterlaat. Is er iets op de grond of achter een kast blijven liggen?Ik keek uit het raam en prentte het uitzicht in mijn geheugen. Checkte een laatste keer mijn mail, alsof ik  hoopte op een nieuw bericht. Tenslotte schakelde ik de pc uit, trok mijn jas aan, pakte de tassen met persoonlijke bezittingen en knipte het licht van de kamer uit. Ik zou er langer over hebben willen doen. Om het unieke van het moment te voelen. Maar het unieke bleek ongrijpbaar.
Pas toen ik de buitendeur voor de laatste keer achter mij dichttrok, kwam er brok in mijn keel.
Ik vond het niet prettig in mijn eentje weg te gaan.

Toen ik het contact van de auto omdraaide, klonk er direct en veel te hard een klassieke mars uit de luidsprekers. Was dit een afscheidsmars?.
Opeens waren er toen tranen, in die kleine, afgezonderde ruimte. Maar waarvoor eigenlijk?
Het verdriet mij niet dat ik ‘s morgens niet meer op de fiets zal stappen om nog eens een beleidsdocument over de jeugdzorg te schrijven of de stukken voor de zoveelste vergadering door te nemen.
Ik ben al sinds 2013 bezig geweest om mijn werk af te bouwen. Vanaf die tijd is het relativeren begonnen. Het was prettig om langzaam te minderen, maar er moet eens een einde aan komen. Overgangen horen bij het leven. ‘Ieder einde brengt een nieuw begin’, is een tegeltjeswijsheid, net als ‘afscheid nemen bestaat niet’.
Het is ook niet dat ik me uitgerangeerd voel of een tweederangs burger. En het is zeker niet zo, dat ik moet nadenken over wat ik zal gaan doen. Dus waarom dan tranen?
Ach, het zal de weemoed zijn om de eindigheid der dingen. Een optreden, een bestuursfunctie, een vakantie, kinderen in huis, aan alles komt een keer een eind. Zelfs aan V&D.
Ik heb op feesten en partijen nog wel eens een act opgevoerd als overgangsbegeleider. Nu mag ik mezelf onder handen nemen.
Thuis, bij de voordeur, met een paar sleutels minder aan mijn sleutelbos, was er weer die brok in mijn keel. Die verdomde deur, symbool van de overgang.

1

MENS AGIT MOLEM

Dagelijks

afstuderenOp een donderdagnamiddag zitten we in zaal 4 van het Auditorium van de Technische Universiteit in Eindhoven. De aflopende collegezaal zonder daglicht zit vol met jonge knappe koppen. Vooraan staan rode schermen met daarop de spreuk van de TU: Mens agit molem. Ik graaf in mijn gymnasiumgeheugen. ‘De geest brengt de massa of de berg in beweging, zoiets’,  fluister ik tegen G.
Vandaag verdedigt Anne haar proefschrift: Combined experimental and computational analysis of dermal vaccine delivery using microneedles. Uit de samenvatting begrijp ik dat het gaat over het toedienen van vaccinaties via micronaalden in de huid. Anne heeft onderzocht op welke wijze de naalden het beste in de huid kunnen doordringen en welke invloed de geometrie van de micronaalden heeft. Een relevante zoektocht naar een pijnvrij alternatief voor de dikke injectiespuit.
Het proefschrift en de promotie bezorgen me een merkwaardig gevoel. Ik kan het nog niet omschrijven.
Tijdens de ondervraging door de eerste, hooggeleerde opponens doe ik nog mijn best om het vraag-en-antwoordspel te volgen, door alle mij onbekende Engelse termen heen.
Daarna dwalen mijn gedachten af. Naar 25 jaar geleden, naar de dagen, dat ik niet alleen op mijn twee kinderen paste, maar ook op Anne en haar broer. Er was een tijd, dat ze alle vier nog in de katoenen luiers zaten. De geur van de luierwas zal mij altijd bijblijven, evenals de aanblik van door luieruitslag geschonden babybilletjes.
Ik denk aan de boterhammen, die ik tussen de middag voor de peuters klaarmaakte. Dan haalde ik mijn beste imitatie van Grover uit Sesamstraat van stal: ‘Cha-a-arlie-ie?? Wie heeft deze boterham besteld?’. De kinderen wachtten in spanning af, terwijl ik met de boterhampartjes op mijn mes de tafel rondging.

Regelmatig voel ik de spanning oplopen. Dan stelt een hoogleraar blijkbaar een lastige vraag. Er zijn promovendi die alvast beginnen te spreken (‘geachte opponens, hartelijk dank voor uw vraag’, etc) om ondertussen razendsnel hun brein te laten werken op zoek naar een antwoord. Er zijn anderen, die bluffend te werk gaan. Anne is van de eerlijke soort. Ze laat soms een stilte vallen en zegt dan aarzelend: ‘dat weet ik eigenlijk niet’, om vervolgens een antwoord te geven, waaruit blijkt dat zij  haar onderwerp goed kent.
Na het middageten wilden de kinderen mij nog wel eens uitdagen en pesten. Dan speelde ik de rol van Boze Buurman: ‘Scheer je weg!’. De kinderen stoven daarop lachend en gillend de kelder in, ik holde achter hen aan. ‘Kijk maar uit. Ik stop jullie in een hok!’.
De hooggeleerde opponenten jagen  Anne soms op, ze maken het haar niet gemakkelijk. Men vraagt  naar zaken, die niet in het proefschrift staan en die eigenlijk weer een volgend onderzoek vereisen. Het hoort bij het spel. Een hoogleraar moet laten weten, dat hij nog wel ietsje meer weet dan de promovendus. Mijn onbestemde gevoel keert weer terug. Wat is dat toch?

Anne heeft de massa in beweging gebracht. Het gezelschap zet de academische baretten weer op en trekt zich terug voor overleg.
Na een kwartier komt de archaïsche optocht onder aanvoering van de pedel met zijn staf weer terug. Hij lijkt de enige aardse figuur in deze highbrow ambiance. Het zou me niets verbazen als deze man op dezelfde wijze met een vlag het PSV-stadion inloopt.
De eerste promotor heeft een witrode thermoskan in zijn handen.
Anne heeft de graad van doctor aan de TU behaald. De promotor overhandigt haar de thermoskan,  die een koker met bul blijkt te zijn. Niet alleen mijn kennis over de geometrische invalshoek van micronaalden schiet tekort. Mijn ogen zijn ook achteruitgegaan.
Opeens wordt mij duidelijk wat mijn onbestemde gevoel is. Het is een mengeling van trots en weemoed.
De generatie kinderen, bij wie ik de luiers heb verschoond en voor wie ik de boterhammen met pindakaas heb gesmeerd, die generatie heeft ons ingehaald. Die gaat ons nu voorbij.
En zo hoort het ook.
Vooruit bewegen, noemen we dat. Ofwel in het Latijn: pro movere.

0

“BOZE 60-plusser SNAKT NAAR PENSIOEN”

Dagelijks

time-is-gold-1215479De bovenstaande kop stond laatst op Teletekst. Daaronder stond het volgende bericht.
“Veel zestigplussers halen maar met moeite hun pensioen. Uit onderzoek blijkt dat 7 op de 10 oudere werknemers tenminste één langdurige ziekte, aandoening of handicap hebben.”
“Veel mensen zijn kwaad over het verhogen van de pensioenleeftijd. Zij zien dit als een groot onrecht: 44% van de deelnemers aan het onderzoek geeft aan boos of zeer boos te zijn”, aldus de onderzoekers van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut.
Wat is hier aan de hand?
Dat burgers boos zijn, mag geen nieuws meer heten. Wie is er tegenwoordig niet boos?
De 60-plussers zijn boos, omdat zij erop gerekend hadden eerder te kunnen stoppen met werken. Hun 2-3 jaar oudere collega’s konden er op hun 62e nog met een mooie regeling uit. Maar wie na 1950 geboren is zag eerst de fiscale voordelen van het eerder stoppen  verdwijnen. Daar kwam de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar nog eens bovenop. Dat vinden zij niet rechtvaardig.
Tja.
Ik had ooit een parttime werkende collega, voor wie de donderdag geen werkdag was. Zij vond het niet eerlijk, dat haar collega’s wel op Hemelvaartsdag vrij waren. Dus kende zij zichzelf een andere dag in die week een vrije dag toe.
Het leven is niet altijd rechtvaardig. Was de grens voor de pensioenverhoging niet bij 1950 gelegd, maar bij 1955, dan waren de 55-plussers boos geweest.

Ik ben 60-plusser, maar ik ben niet boos. Tenminste niet over mijn pensioenleeftijd. Zoals het er nu naar uitziet haal ik niet ongeschonden mijn pensioendatum. Door een reorganisatie ben ik binnenkort overbodig.  Misschien zouden de boze 60-plussers dat ook wel willen. Zijn ze niet alleen boos, maar ook nog eens jaloers.
Ik begrijp hun boosheid echter heel goed. Ik kan zelf ook niet tegen onrechtvaardigheid. Is er geen sprake van gelijke behandeling, dan kom ik in het geweer. Bijvoorbeeld toen onze zoon door procedurefouten op de openbare basisschool van onze keuze werd afgewezen. In zo’n geval haal ik alles uit de kast om de onrechtvaardigheid bloot te leggen. Dan schrijf ik pagina’s vol met overtuigende argumenten.
Niet dat het veel helpt overigens. De fout kon niet meer goed gemaakt worden. De excuses die we na twee jaar procederen van het College van B&W ontvingen waren slechts een schrale troost. Maar het verweer had wel geholpen bij het kanaliseren van de boosheid.

Voor sommige ouderen is doorgaan met werken een zegen.
In dezelfde tijd als het Teletekstbericht schreef Trouw over Henk Kluver uit de Achterhoek.
Henk is 93 jaar en al tachtig jaar aan het werk. De laatste jaren werkt hij weliswaar nog maar halve dagen, maar toch. Elke morgen gaat hij weer naar zijn fietsenfabriek. Ooit biesde hij fietsen, nu werkt hij in het magazijn of bij de serviceafdeling.
Dirigenten, schrijvers, professoren: er zijn meer gedreven vaklieden die doorgaan tot Magere Hein op de deur klopt. Zij zijn voor eeuwig verbonden met hun werk.
Hoe Henk dit zo lang vol heeft kunnen houden? Humor helpt, zegt Henk, en een open geest, altijd in zijn voor nieuwigheden. Maar, zegt Kluver, mensen moeten zich niet aan hem spiegelen. Van een unicum moet je geen regel maken. Ieder moet voor zich weten, wat hij wil.
Er is één geluk voor de boze 60-plusser. De tijd gaat sneller als je boven de 60 bent. Voor je het beseft heb je je pensioen bereikt.

0

WATCHFULL WAITING

Dagelijks

tissue-1427120Als G opstaat krijgt zij op de rand van het bed een enorme hoestbui, een onregelmatige, niet te stoppen opeenvolging van rauw geblaf en gerochel vanuit haar keel en borst. Als ik daarna mijn mond opendoe klinkt er een diepkrakerig geluid alsof ik de hele nacht gedronken en gerookt heb. Ik haal met gemak de lage c, waar ik normaal hoogstens tot een e kom.
G en ik worden gekweld door keelpijn, verstopte neuzen en hoesten. De winter is geen winter meer, maar aandoeningen aan de luchtwegen lijken er wel meer dan ooit. Meestal gaat zoiets na een weekje wel over, maar bij ons blijft een verkoudheid de laatste jaren veel langer hangen. Soms lijkt de kwaal op te lossen, maar dan komt de keelpijn of het gehoest weer terug. G en ik zijn een gouden duo, we geven het stokje perfect aan elkaar door. Het is geen 400 meter estafette die wij lopen, maar een marathon.
En dat, terwijl we er alles aan doen om niet ziek te worden.
We eten gezond, slapen voldoende, zijn niet gestresst. Uit voorzorg eten we elke dag sinaasappels en slikken we vitamines, homeopathische middelen en weerstandverhogende yoghurtdrankjes.
De afgelopen winters konden we de loopneuzen van onze kleinkinderen nog de schuld geven, maar die hebben inmiddels zoveel weerstand opgebouwd dat zij ongehinderd langdurig met hun snotterende grootouders kunnen knuffelen.

Wij zijn niet van de soort, die bij het eerste ongemak naar de huisarts gaat. We weten dat deze ongemakken veelal vanzelf overgaan. Dus kijken we het eerst even een paar weekjes aan. De redelijkheid overheerst. Maar op een gegeven moment ben je doodmoe en futloos van al dat gekuch en gesnotter. Dan verdwijnt in één ogenblik alle ratio en bel je de dokter.
De huisarts is echter ook niet gek. Die weet dat alles vanzelf weer overgaat en dat er te veel met medicatie wordt gesmeten. Dus die zegt: ‘laten we het eerst eens even een paar weekjes aankijken’. Daarmee onbedoeld stimulerend dat je maar beter wèl bij het eerste ongemak naar haar toe kunt gaan, want die paar weken watchfull waiting moet je sowieso door.

Gelukkig betoonde onze andere huisgenoot, Youri, zijn solidariteit. De kat (17 jaar) kan er ook wat van. Wat hij doormaakt kunnen we slechts gissen aan de hand van wat er uit hem komt: een piepende adem, flinke hoestbuien en lange, geelgroene slijmerige snotdraden, die hij – voorgeprogrammeerd als hij is – lustig de rondte in slingert. Wat er aan zijn snorharen blijft hangen, poetst hij direct weg. De rest laat hij aan ons over. De eerste kat, die zijn poot voor zijn mond houdt als ie niest, moet nog genetisch gemanipuleerd worden.
Ook bij de verkoudheid van Youri kijken we het eerst even aan. Er ontstaan wel discussies over de vraag hoe lang we het arme beest nog snotslingerend laten rondlopen. Totdat ook in dit geval het ogenblik komt dat de maat vol is en we de dierenarts bellen.
En zie wat er dan gebeurt.
Dokter Simon is helemaal niet van het watchfull waiting en het nog eens even rustig aankijken. Dokter Simon wordt niet uit de Zorgverzekeringswet gefinancierd. In de veterinaire wereld heerst de markt. Dokter Simon moet leven van de behandelingen die hij geeft en dus gaat de spuit er zonder dralen bij Youri in.
De kat wordt sneller geholpen dan de mens. Door de inzet van antibiotica. Ik ben benieuwd wat Marian Thieme hiervan vindt.

1

IL DOLCE FAR NIENTE

Dagelijks
newton-s-cradle-1170239-1280x960De Radboud Universiteit organiseerde laatst een filosofische workshop Niets Doen, zo stond te lezen in Trouw.

Hoe paradoxaal kan je zijn? De combinatie van ‘niets’ en ‘doen’ is feitelijk al tegenstrijdig. De toevoeging van ‘workshop’ maakt de paradox nog pregnanter.
Paradoxaal of niet, er was een overdonderende belangstelling voor de workshop. Blijkbaar leeft er bij velen een grote behoefte aan Niets Doen. Trouw citeert de inleider: ‘Luiheid zou een deugd moeten zijn. Zet het voor mijn part in je agenda: vandaag ben ik lui’.
Waar komt deze behoefte aan adempauze vandaan? Moeten we leren om niets te doen?
Mijn eerste gedachte is, dat we in deze maatschappij meer vrije tijd hebben dan ooit. Nergens wordt zoveel in deeltijd gewerkt als in Nederland. En in vergelijking met Japanners en Amerikanen hebben wij veel meer vrije dagen, om over de Chinezen maar te zwijgen. Er zijn denkers, die hierin de aanstaande ondergang zien van het hedonistische Europa.
Vrije tijd is er dus wel. Blijkbaar is er meer aan de hand als zovelen naar rust verlangen.

Onze WC-kalender geeft deze week adviezen in dezelfde sfeer: “Verwen je voeten met een voetenbadje. Geniet van het moment als je eenmaal met je voeten in het water bungelt en doe ondertussen niet stiekem een klusje”.
Die laatste toevoeging is aan mij niet besteed. Als ik met mijn voeten in het water bungel heb ik juist de tijd om een knoop aan mijn jas te zetten.  En als ik mijn overhemden sta te strijken, kijk ik tegelijkertijd naar de tv. Ik wil mijn tijd efficiënt gebruiken.
Ik begrijp uit het artikel dat mijn gewoonten en normen een erfenis zijn van de christelijke traditie. Luiheid is volgens deze opvatting een zondige verspilling van tijd. Je moet niet alleen werken om de kost te verdienen, maar ook om je plaatsje in de hemel te verdienen. Ledigheid is des duivels oor kussen.
Dat ik mijn bezigheidsethos heb meegenomen uit mijn christelijke opvoeding is goed mogelijk. Ik heb er gelukkig weinig last van. Al past hierbij de kanttekening, dat in de tropenjaren van de combinatie van werk en kinderen de grens van de belastbaarheid soms aardig dichtbij was.
Daarom denk ik dat bij mensen, die nu gebukt gaan onder alles wat zij moeten doen, niet alleen de christelijke traditie de oorzaak is.
Vooral het werk is voor velen een bron van stress. Het tempo is een stuk hoger dan twintig of zelfs tien jaar terug. Omdat de productiviteit in de schoenindustrie of in de autofabrieken met grote sprongen is gestegen, kunnen de banken, de zorginstellingen en de scholen niet achterblijven. In dezelfde tijd moet er méér gedaan worden.
Als leidinggevende in de zorg heb ik hierin mijn partijtje meegeblazen. Ik vond dat er vaak te veel overlegd werd, te lang voorbereid, te grondig uitgezocht. Ik zorgde ervoor dat er allerlei normen werden afgesproken, zodat de medewerkers meer tijd aan de cliënten besteedden. Dat kan je een aantal jaren doen,  maar op een gegeven moment is de rek eruit en de grens bereikt. Maar in de industrie is productiviteitsverhoging een perpetuum mobile, waarvan de golven onverbiddelijk in onze maatschappij voortrollen.
Daarom is te begrijpen, dat zovelen zich aangetrokken voelen tot een workshop over Niets Doen. Het zou beter zijn als we allemaal wat kalmer aan zouden doen. Maar ik zie het niet gebeuren. Dat zit in dat woord ‘allemaal’. Er hoeft immers maar één schoenfabrikant te zijn, die het tempo iets verhoogt en daarmee zijn kosten verlaagt, zodat hij méér verkoopt dan zijn concurrenten, en het loopt weer verkeerd.
Het lijkt me wel haalbaar om onszelf weerbaarder te maken tegen stress. Want Niets Doen is soms goed en nodig, maar leren omgaan met stress is beter.
Of we vestigen onze hoop op de robot.
Wat zou het mooi zijn als die dit stukje kan afmaken, want het is al laat. En ik moet nog meer stukjes schrijven.

 

7

DEPRI

Dagelijks

bladerenStel je hebt een hernia of je bent geopereerd aan een gebroken heup. Dan heb je op een verjaardag wat te vertellen. Dan ben je verzekerd van aandacht en medeleven.
Maar als je een depressie hebt gehad, dan hou je liever je mond.
Een depressie, of een andere psychische stoornis, wordt gezien als een vorm van persoonlijk falen. En praten over je eigen fouten doe je niet.
Of, om het nog pregnanter te formuleren: als je je heup gebroken hebt doordat je een fout gemaakt hebt bij het skiën, dan kan je dat rustig vertellen. Maar in het geval van een depressie hangt het falen zo samen met gevoelens, gedachten en gedrag dat je op een feestje niet op de openbare divan gaat liggen. Dat is kenmerkend voor psychische problemen.
Afgelopen maandag is in Amsterdam het Depressie-Gala gehouden. Deze feestelijke bijeenkomst was mede georganiseerd door de psychiaters Esther van Fenema en Bram Bakker. Zij vinden dat je net zo gemakkelijk over een depressie moet kunnen vertellen als over een hernia. Een optocht van bekende Nederlanders uit de wereld van het amusement kwam vertellen over de eigen depressie. Die BN’ers waren blijkbaar niet moeilijk te vinden.
Ik heb zelf een groot deel van mijn loopbaan in de preventieve geestelijke gezondheidszorg gewerkt. Ik weet waar het over gaat en ik ben blij met de aandacht voor depressie. Zo was het jaren geleden een enorme doorbraak toen prins Claus verklaarde onder depressies te lijden. Ik juich daarom het doel van dit Gala van harte toe. De bijeenkomst was een succes, het genereerde veel media-aandacht. Dat heb je nodig voor een mentaliteitsverandering.
En toch. Er is iets dat mij stoort aan dit Depressie Gala. Maar wat is dat?

Het gaat mij er niet om, dat het begrip depressie aan inflatie onderhevig is. Woorden als depressief en depri zijn onderdeel geworden van het dagelijks taalgebruik, wat tot vervaging van het begrip leidt. Maar daar kunnen de organisatoren niets aan doen.
Hen valt evenmin te verwijten dat er nog veel onduidelijkheden zijn rond het ontstaan van depressies. Er is geen onderwerp in de psychiatrie waar de laatste jaren zoveel mensen op zijn gepromoveerd, maar de resultaten van al die onderzoeken zijn niet eenduidig. Zo kwam een promovenda vorig jaar tot de conclusie dat een gelukkige jeugd vaker de voorbode is van een depressie op latere leeftijd.
Een depressie ontstaat nooit alléén door een stofje in de hersenen. Ook de omstandigheden spelen een rol (bijvoorbeeld het verlies van een dierbare) en een persoonlijke factor (je gedrag en je gedachten en gevoelens). Daarin onderscheidt een psychisch probleem zich juist van een fysieke aandoening zoals een hernia. Dat deze nuance in de publiciteit rond het Gala verdwijnt zij de organisatoren vergeven.

Waar het mij om gaat, is dat voor het doorbreken van een taboe en het anders denken over depressies een langetermijnstrategie nodig is.
Wij hadden in Nederland tot voor een paar jaar een prachtige structuur voor de preventieve aanpak van psychische problemen. Vanuit elke GGZ-instelling waren preventiewerkers actief in het geven van voorlichting en effectieve cursussen. Voor een schijntje. In andere landen was men jaloers hierop.
De afgelopen jaren hebben de ziektekostenverzekeraars onder aanvoering van minister Schippers deze structuur compleet om zeep geholpen. De medewerkers zijn ontslagen, een grote schat aan expertise is verloren gegaan. Dat zal met preventieprogramma’s in de somatische zorg niet gauw gebeuren. Ook op het ministerie is de houding tegenover een hernia anders dan tegenover een depressie.
In plaats van het dagelijkse preventieve werk is er nu een eenmalig Amerikaans liefdadigheidsgala van enkele narcistische mediapsychiaters. En terwijl wij jarenlang bij het ministerie van VWS hebben lopen sappelen voor anonieme e-health voor jongeren met sombere gevoelens en we hierin steeds stuitten op een kruideniersachtige bezuinigingsdrift, komt Edith Schippers in het zicht van de camera’s opeens verklaren dat zij de preventie zo’n warm hart toedraagt en tovert zij 10 miljoen euro uit een hoge hoed voor nog eens een volgend onderzoek.
Daar word ìk nu een beetje depressief van.

0

EEN NIEUW JAAR

Dagelijks

Het is zondag 3 januari en het is mijn tijd om een rondje te joggen.
Op straat liggen her en der verdorde kerstbomen. De feestdagen zijn voorbij, de kerstboom is de deur uit en de mensen gaan over tot de orde van de dag. Of ze dromen alvast over de volgende vakantie. Verder zie ik overal niet-opgeruimde overblijfselen van vuurwerk: lege dozen met zwartverbrande gaten en massa’s verregende rode papierresten.
De jaarwisseling is rustiger verlopen dan vorig jaar. In Utrecht gingen slechts 37 auto’s in de fik. Dat geeft minder gewonden dan dat ontploffende vuurwerk, dus dat scheelt.
Ik ren weg van de koelkast die nog vol staat met restjes eten van de feestdagen; weg van de broodtrommel waar nog wat rimpelige, hardgeworden oliebollen liggen te wachten op een consument.
Mijn gedrag is geheel in overeenstemming met de actuele sterreclames die proberen te verleiden tot afvallen en sporten, inspelend op de goede voornemens, die mensen maken aan het begin van het jaar.
Ik ben niet zo van de voornemens. Als ik iets wil veranderen hoef ik toch niet tot 1 januari te wachten? Elisabeth Kübler-Ross, de eerste seculiere specialist in sterven, zei het al: leef elke dag alsof het je laatste dag is.
Ik hol naar Park Bloeyendael, een kleine oase van rust, ingeklemd tussen twee snelwegen en twee vierbaans provinciale wegen. Hier kronkelen kleine paadjes tussen elsen en rietland. Eenden en futen drijven bewegingsloos op het water, merels schieten onder de doornhaag.
In mijn hoofd hoor ik het opgewekte openingsdeel uit Bach’s cantate BWV 190 voor Nieuwjaarsdag: Singet dem Herrn ein neues Lied. Eerst loven wij god en daarna vragen wij zijn bescherming tegen Pestilenz en Krieg in het komend jaar. Allelujah! Zo opgewekt mag het begin van het jaar wel zijn.
Op de maten van de muziek ren ik het nieuwe jaar in, niet wetend wat het jaar gaat brengen. Maar een paar zekerheden zijn er in ieder geval.
Ik blijf zingen (‘ein neues Lied’) en schrijven en op 1 mei a.s. eindigt mijn arbeidscontract. Dan heb ik nog twee jaar te gaan tot mijn pensioen. Tenzij er nog tijdelijke baantjes of klusjes opduiken eindigt dan mijn arbeidzaam leven. Joggend door Bloeyendael komt me dit eigenlijk als een belachelijke gedachte voor. Pensioen? Dat is toch iets voor ouderen?
‘Ben je bang voor het zwarte gat?’, heeft men mij al meermalen gevraagd.
Tot nog toe kon ik me geen voorstelling maken van het zwarte gat. Twee jaar geleden heb ik al twee dagen ingeleverd. Die tijd heb ik zonder moeite weer gevuld.
Maar stel dat ik, geheel vrij van verplichtingen, ’s morgens op sta en nog niet weet wat ik die dag ga doen. Dan lees ik eerst uitgebreid de krant, gooi een wasje in de wasmachine, maak een puzzeltje, doe een boodschap, ruim wat troep op en voor ik het weet is het avond en vraag ik me af, wat ik eigenlijk gedaan heb die dag. Dat lijkt me niet erg bevorderlijk voor de stemming en het zelfvertrouwen. Zou dat het zwarte gat zijn?
Minder werken, dat heb ik al gemerkt, is in eerste instantie aantrekkelijk. Niet meer zo hard lopen, dat is wel prettig. Wat ik nu doe kan je eigenlijk al geen hardlopen meer noemen. Maar wie denkt dat je met meer vrije tijd in een aanhoudende gelukzalige stemming terecht komt, een soort voorportaal van de hemel, vergist zich. Of je je gelukkig voelt, is maar voor een klein deel afhankelijk van de omstandigheden, las ik laatst nog.
Je moet er zelf iets voor doen.
Komt hier toch een soort voornemen voor het nieuwe jaar om de hoek?
Bezweet uithijgend rek ik op het bomenpad langs de Karel Doormanlaan mijn spieren op. Met mijn hoofd omlaag wordt mij een kwalijke geur gewaar en besef ik dat ik ook in dit nieuwe jaar weer eens in de hondenpoep getrapt ben.
Ik wens je een gelukkig nieuwjaar.

0

SNOEIHARD

Dagelijks

hulstDe tuin is er klaar voor.
Fijn dat de winter nog even op mij gewacht heeft. Dat ik nog de tijd kreeg om op te ruimen.
Ik ben eigenlijk niet zo’n tuinman. Ik ken de namen van de planten niet, laat staan dat ik weet hoe ze behandeld moeten worden. Maar snoeien en opruimen kan ik als de beste.
Zonder aanziens des struiks of plants, groot of klein, inheems of exotisch, kortwiek ik takken dat het een lieve lust is, trek ik dood blad en zieltogende plantjes los en draai woekeraars de nek om.
Zoals sommige mannen een opkikker krijgen van hout hakken, zo krijg ik een kick van snoeien.
Ons huisroodborstje, dat verdraaid niet bang is, kwam vorige week nieuwsgierig kijken of er voor hem nog wat te happen viel. Midden in de tuin vierden een groep dansende muggen bij voorbaat hun overwintering.
Bij de tuintrap zat een merel schuw om zich heen te kijken. Hij bleef maar zielig op zijn plekje zitten, dat zag er niet goed uit. Pas toen ik vlakbij kwam, hipte hij gehandicapt of oud, weg om zich onder de trap te verstoppen. Ik overwoog nog even om hem in een doos in de kamer te zetten, onder een warme lamp, temidden van vetbollen, mueslireepjes en een kommetje water. Er zijn mensen die daar een liefhebberij van maken. Maar zoals gezegd ben ik meer van het opruimen en het snoeien.

Een paar dagen later heb ik de hulstboom maar eens goed onder handen genomen. Deze hield de laatste jaren steeds meer zon tegen.
Ik trok er een sombere decembermorgen voor uit en beloonde mijzelf eerst met een nieuwe snoeischaar en snoeizaag. Ik hou van goed gereedschap.
Mijn nieuwe, kromme zaag gleed als een mes door de boter. Ik begon ervan te zingen.
Terwijl ik de ene na de andere polsdikke tak afzaagde, vroeg ik me even af, wie ik wel ben, dat ik zomaar zo’n weerloze boom van zijn ledematen mag beroven. Het is toch een harde ingreep in de natuur. Dit soort vragen komt in mij op sinds ik Trouw lees.
Ik stond bovenin de boom te wiebelen, met één voet in een smalle kruin, de snoeizaag stevig in mijn hand. Ik vond dat ik wat moest zeggen. Fluisterend sprak ik tegen de boom, dat het voor zijn bestwil is. Dat mijn haren en nagels ook regelmatig geknipt worden. Dat hij (zij?) op deze manier gezond blijft en volgend jaar weer veel besjes zal voortbrengen, waar de merels zo verzot op zijn. Dat hij zo zieke merels er weer bovenop kan helpen.
Vervolgens zaagde ik nog wat hoge, jonge takken weg. Het zal wel niet in het handboek van de snoeigoeroe staan, maar meer zon in de tuin geeft andere planten weer een beter leven. De een zijn dood is de ander zijn brood, dat is de natuur.
Beneden me was de tuin nu één schitterend bed van verse hulsttakken geworden. Met wat kerstballen en lichtjes erin zou het een megakerststukje zijn.
Weer met beide benen op de grond was ik nog tijden bezig om alle takken te strippen en op zo’n breedte af te zagen, dat zij in een Toyota Yaris Hybride konden worden afgevoerd. Er zijn lijkwagens van mindere kwaliteit.
In het hoekje van de tuin, waar het roodborstje huist, viel mijn oog opeens op een zwart hoopje op de grond. De merel, die een paar dagen daarvoor onder de trap was gehipt, lag er levenloos op zijn zij, het oogje gesloten.
Tja, ook vogels gaan dood, al zijn we er veelal niet getuige van. Ik hoopte nog wel, dat hij niet door onze kat of een van zijn collega’s naar de andere wereld was geholpen. Maar dat soort gedachten is zinloos. Ik deed wat ik op dat moment nog kon doen: ik pakte de spa, groef een klein gat in de grond en schoof de merel daar voorzichtig in. Het was of ik daarna iets heel plechtigs deed, toen ik de overblijfselen met aarde bedekte. Een leven was voorgoed voorbij.
Nu al het snoei- een tuinafval is afgevoerd, kijk ik iedere dag weer met tevreden gevoel de tuin in. Wat kan zo’n tuin er prachtig uitzien als ie opgeruimd is. Een waar genot!
Laat de winter nu maar komen.

0

EEN SERIEUZE KWESTIE

Dagelijks

Ik heb eens een vijftiger horen zeggen: “als ik 75 ben, dan heb ik lang genoeg geleefd. Dan is het mooi geweest”.
Wie niet wil afwachten tot de dood hem overkomt, moet zelf actie ondernemen.
Het aantal verzoeken om euthanasie vanwege ‘een voltooid leven’ is erg klein, maar het neemt wel toe. Het gaat bijvoorbeeld om ouderen die blind zijn of in een rolstoel zitten en die afhankelijk zijn van de hulp van anderen. Of het gaat om mensen die door lichamelijke beperkingen nauwelijks meer het huis uit komen en zich erg eenzaam voelen.
Wil je in zo’n geval hulp, dan wend je je in Nederland tot een arts.
Veel artsen hebben moeite met euthanasie vanwege een voltooid leven. Het gaat immers niet om een patiënt, die ondragelijk lijdt en niet lang meer te leven heeft. Strikt genomen valt de vraag om euthanasie vanwege een voltooid leven niet binnen de regels van de wet. Het is niet alleen of zelfs maar in beperkte mate een medische vraag. Moet een arts dan beoordelen of dat leven nog de moeite waard is?
Columnist en geriater Bert Keizer spreekt in Trouw zijn twijfel hierover uit. Tegelijkertijd vraagt hij zich af: ‘aan wie moet zo iemand het dan vragen?’.
Een terechte vraag, al zou hieronder de gedachte kunnen liggen, dat er dan een andere hulpverlener klaar moet staan.
Een oplossing voor dit probleem werd in 1991 voorgesteld door de jurist Drion: een pil, waarmee mensen van 75 jaar en ouder in staat worden gesteld om op humane wijze en op een zelfgekozen tijdstip een einde te maken aan hun leven. Zo’n middel versterkt de autonomie van ieder mens en verkleint de afhankelijkheid van artsen.
De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde (NVVE) wil gedurende drie jaar een proef met de verstrekking van een levenseindepil. Doel van de pilot is om te bepalen onder welke voorwaarden deze pil verstrekt zou kunnen worden.
Tegenstanders zeggen, dat het beter is om angst, somberheid of eenzaamheid aan te pakken en dat het verlangen naar de levenseindepil voortkomt uit angst voor aftakeling en pijn. Lijden hoort bij het leven en je moet niet proberen om via euthanasie daaraan te ontkomen. Bert Keizer vindt dit argument ‘bloedlink’. ‘Ik ken op de eerste plaats niemand die erin slaagt om te leven zonder te lijden en zou niet durven zeggen, dat daar aan het eind nog een bepaalde portie bij moet om de zaak netjes af te ronden’.
Ik vraag me af wat de rol van de familie gaat worden als er zo’n pil is. Hoe zou het voor nabestaanden zijn als moeder tijdens een eenzame kerst in haar eentje besloten heeft om er tussenuit te piepen? Zouden ze zeggen: ‘ze was oud en wijs genoeg’?
Omgekeerd zou je je ook kunnen voorstellen dat familieleden, voor wie de verzorging van moeder thuis te zwaar wordt, een proefballonnetje oplaten over die pil. Of erfgenamen die het geld hard nodig hebben. Of een ziekenhuis, dat door zijn budget voor behandelingen heen is.
Econoom de Kam stelde laatst vast, dat de pil van Drion de zorg betaalbaar kan houden: ‘Het klinkt cru, maar wanneer ouderen in de toekomst vaker voor een zelfgekozen einde opteren, blijft de zorg voor wie zo’n pil afwijzen beter betaalbaar’.
Kunnen we dan nu vast even noteren wie zich wil opofferen?
Zou er een levenseindepil zijn, dan nog zou ik niet de neiging hebben om er al vast een te reserveren. Ik weet absoluut niet hoe ik in het leven sta als ik 75 ben (als ik dan nog leef, ik klop het maar even af).
Toen mijn moeder 98 was, zei ze vaak: ‘ik hoop dat je ook zo oud mag worden’, om er na een paar tellen aan toe te voegen: ‘in goede gezondheid’. De definitie van wat goede gezondheid is, had zij in de laatste tien jaar van haar leven dramatisch aangepast. Terwijl haar geheugen haar ernstig in de steek liet, haar oren en ogen sterk achteruit waren gegaan en zij in een instelling een zittend bestaan leidde in afwachting van de volgende maaltijd, wilde ze nog wel 100 jaar worden.
Ik weet niet of zo’n aanpassing mij zou lukken.

0

THE LAST TIME

Dagelijks, Reizen
Alpe Dèvero is een klein, autoloos dorpje hoog in de Italiaanse Alpen, niet ver van de Zwitserse grens.
Ik moest daar toch in de buurt zijn, dus ik greep de gelegenheid aan om enkele dagen door de bergen te wandelen. Ik vond onderdak in Casa Fontana, een geheel uit hout opgetrokken pension.
De gelagkamer, gevuld met lange eikenhouten tafels, stroomde elke avond weer vol met hongerige bergwandelaars of mensen die zich als zodanig voordeden.
Als einzelgänger had ik het kleinste tafeltje van het huis, weggestopt in een hoek naast een ouderwetse, glimmende vleesmachine. Er stond een houten kastje gevuld met gezelschapspelletjes en  boeken over Alpenflora en over wandelpioniers, die tachtig jaar geleden in een plusfours  voor de camera poseerden.
Hoewel ik wat onwennig alleen aan mijn tafeltje zat, verveelde ik mij niet tijdens de viergangenmaaltijden. Vanuit mijn hoekje had ik een uitstekend zicht over de gehele zaak.
Op de tweede dag van mijn verblijf zat er een echtpaar met twee meisjes van – naar schatting – vier en twee jaar oud. Hij was Fransman, zij Engelse. Ik kon de gesprekken, afwisselend in het engels en frans, niet negeren.
Vanaf het begin was duidelijk, dat de meisjes niet zo’n zin hadden in het eten en niet van plan waren om rustig op hun stoel te blijven zitten. Terwijl papa en mama al lang klaar waren met het voorgerecht, had het kroost nog geen hap genomen. De irritatie bij de ouders nam merkbaar toe, maar zij wilden zich van hun goede kant laten zien.
‘Do you want me to help you?’, vroeg de vader gedienstig.
De meisjes reageerden niet. Zij speelden vervaarlijk met hun lege wijnglazen en gebruikten hun mes om de servetten te bewerken.
‘Shall I cut your spaghetti, sweetheart?’, probeerde moeder nog eens poeslief.
Nog meer dan het gebrek aan eetlust was de lawaaiierigheid van de meisjes een bron van irritatie voor de ouders. Door elkaar heen pratend legden de ouders uit, dat je in een restaurant niet zo luidruchtig mag zijn. Ik voelde de spanning oplopen.
Om het draaglijk te houden nam vader om het kwartier zijn dochters even mee naar buiten. Papa ging daar gelijk staan telefoneren. Hij had blijkbaar nog andere zaken aan zijn hoofd.
Het eerste bommetje barstte bij het hoofdgerecht. Het oudste meisje brulde onbedaarlijk dat zij het eten niet lustte. Moeder greep in, vader nam het direct over en vervolgens trok moeder het gillende kind op schoot. Haar boodschap was voor het hele restaurant te horen: nu ga je rustig eten, anders ga je naar boven! This  is the last time!
Voor de gasten in het restaurant brak nu een periode van relatieve rust aan.
Bij het desert hadden de meisjes zich weer van tafel losgemaakt. Ze waren niet geïnteresseerd in ijs met chocola. Ze hadden een bank met kussens ontdekt, waar ze met veel gegil aan het spelen waren. The last time bleek dus een rekkelijk begrip.
Pas na het eten ontdekte ik dat het gezin de kamer naast mij had.
Om elf uur barstte de tweede bom. Vanuit het niets begon de vrouw tegen haar man te schreeuwen en te vloeken. De kannonade ging het hele Casa door. Ik schrok bijna net zo hard, als toen er eerder die dag op een bergweide een troep koeien op mij af kwam hollen.
‘It’s always the same!! You have done nothing!!! I have told you, this was the last time! THE LAST TIME!!!’
Ik hoorde geen tegengeluid van de man, maar blijkbaar maakte hij aanstalten daartoe.
‘Tais toi, tais toi!’, gilde de vrouw.
Manlief  hield zich wijselijk aan dit advies.
Ik zat met bonzend hart in mijn kamertje en verwachtte elk moment het geluid van brekend glas of vallend meubilair.
Het werd echter akelig stil. Ik hoorde slechts nog het ruisen van een bergbeek.
De volgende morgen zat ik als eerste aan het ontbijt. Ik had snode plannen. Ik wilde de Passo della Rossa bedwingen en via een stukje Zwitserland weer terugkeren.
Achter mij hoorde ik voetstappen de houten trap afkomen. Vader kwam binnen met zijn oudste dochter. Ze pakten wat taart en fruit van de ontbijttafel. Zonder te spreken gingen zij aan tafel zitten. Ik was nu niet meer de enige die zwijgend aan het ontbijt zat. 
Moeder en jongste dochter heb ik niet meer gezien.