Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

1

STAAR

Dagelijks

 

Ik heb slechts één oma gekend. Zij trok mij als peuter op schoot om mij te voelen met haar handen. Zij was op latere leeftijd blind geworden als gevolg van een niet ontdekte en uit de hand gelopen staar. Ouderdomsstaar heette dat.
Mijn eigen moeder was al in de negentig toen zij regelmatig liet blijken dat zij niet alles meer scherp zag. Zo kon zij op zonovergoten dagen verzuchten: ‘wat een grijze dag is het vandaag!’. Omdat haar geestelijke vermogens destijds sterk waren verminderd, was het voor ons niet duidelijk waar haar waarneming uit voortkwam. Totdat de huisarts adviseerde om de oogspecialist te bezoeken. Die constateerde een flinke staar op beide ogen. Toen zij hieraan geholpen was, bleef het verwachte effect van het sterk verbeterde zicht uit. Naar haar idee had zij altijd al goed kunnen zien.

staar-1Enkele maanden geleden liet ik mijn ogen meten bij de opticien. Ik gebruik een leesbril. Daarnaast was mijn vermogen om veraf te zien sterk afgenomen. Reed ik op de snelweg dan zag ik pas op het laatste moment of er Amsterdam of Rotterdam op het bord stond. En fietste ik in de stad dan groette ik vriendelijk een bekende, die – bij nader inzien – helemaal geen bekende bleek te zijn. Of andersom.
De opticien  vond het nog geen tijd voor een nieuwe bril. Zij raadde mij aan eerst langs de oogspecialist te gaan. Zij had een vermoeden van een beginnende staar.
Het betrof een gediplomeerde oogonderzoeker, een aardige vrouw met een betrouwbare uitstraling. Er was daarom eigenlijk niets wat mij zou doen twijfelen aan haar oordeel. Desondanks was ik ervan overtuigd, dat zij uit zekerheidsoverwegingen handelde. Risico’s uitschakelen is erg in de mode, schadeclaims voorkomen ook. En met het voorbeeld van mijn blinde oma in mijn hoofd kon ik haar geen ongelijk geven. Maar staar had ik natuurlijk niet, daarvan was ik overtuigd. Staar is iets voor oude mensen. Daar reken ik mezelf niet toe. (Hetgeen bijna een definitie is van een oudere, maar dit terzijde).
Vier weken later zat er een jonge vrouw in een spijkerbroek via felle lampjes in mijn ogen te turen. Met mijn hoofd vooruitgeschoven als in een hakblok, lag ik het oordeel van de oogspecialist af te wachten. ‘Aan allebei de kanten staar’, zei de jonge dokter, terwijl ze het hakblok wegdraaide. ‘Zal ik een operatie voor u inplannen’? ‘Laten we dat maar doen’ zei ik, ‘ik ben hier nu toch’.

20160927_143843Deze week was mijn eerste oog aan de beurt. ‘Welk oog?’ vroeg de verpleegkundige. ‘Het rechter’, zei ik. Vervolgens zette zij met viltstift een stip boven mijn linkeroog. ‘Het is mijn rechter’, zei ik met stemverheffing. Haar antwoord, ‘Oh dat komt omdat ik het met mijn rechterhand doe’, gaf niet onmiddellijk vertrouwen in een goed vervolg.
Mijn oog werd au-bain-marie voorbereid, in een badje van diverse medicijnen, waaronder cocaïne.
Er werd om de vijf minuten gedruppeld. Elke toediening werd afgevinkt, zoals de schoonmaak van openbare wc’s.  Alleen het laatste vinkje werd vergeten. Misschien wilde men bij mij de eigen regie bevorderen. Ook dat is nogal erg in de mode.
In de operatiekamer kreeg ik een doek over mijn gezicht met een uitsparing voor het rechteroog. Ditmaal had men de goede zijde gekozen. Al moet ik hieraan toevoegen, dat er natuurlijk een kans was van 50%. Men kon in de uitsparing een bouwputje maken, dat was wel knap. Daarna kreeg ik een fel licht in het oog, waarop ik mij mocht blind staren. Ik was weer even terug bij de psychedelische vloeistofdia’s uit de jaren zeventig.
Na afloop werd ik in een rolstoel teruggebracht naar de voorbereidingskamer, waarna ik als Lazarus opstond en het ziekenhuis uit wandelde. Dat was tegen de regels voor ooglijders, maar ik was er zeker van, dat ik met één oog net zo goed de bushalte zou kunnen bereiken. Dat bleek ook het geval, al had ik wat moeite met het inschatten van de hoogte van de stoepranden. Voor de zekerheid hief ik bij elke stoeprand mijn benen maar flink op, zodat het er uitzag als het Ministry of Silly Walks van Monty Python. Nog geen dag later had ik een ongeëvenaard scherpe en heldere blik in mijn oog. Ik kan niet wachten op de tweede operatie.

0

DE HOOGSTE VAN HET LAND

Dagelijks

domtoren-1In de zestiger jaren maakte ik Tacitusvertalingen in de schaduw van de toren. Ruim tien jaar later sliep ik op mijn studentenkamer, nog dichterbij, onder het doordringende geluid van het carillon. Buurtbewoners protesteerden tegen de nachtelijke decibellen. Nog weer later werkte ik op het Nicolaaskerkhof en keek ik uit op die machtige toren, die niet alleen het centrum, maar de gehele stad en omgeving domineert.
De Domtoren.
Utrechters zijn trots op hun toren, ze zijn ermee vergroeid. Zij voelen zich weer thuis als zij naar Utrecht rijdend de toren al van ver zien liggen. De hoogste kerktoren van het land is hèt kenmerk van de stad. Het komt terug in logo’s, souvenirs, gebakjes, kaarsen en wat al niet meer. Een bezoek aan Utrecht is niet af zonder een bezoek aan de Dom. Wordt Koninginnedag in Utrecht gevierd dan loopt het koningspaar onder de toren door. Doet de Tour de France Utrecht aan dan gaan de beelden van de renners onder de Dom de hele wereld over. Aas ik bove op de Dom stao is een van de bekendste en meest geliefde Utrechtse liedjes.
De Domtoren is al honderden jaren lang een landmark. Reizigers in voorbije eeuwen oriënteerden zich gemakkelijk op de toren. Het bouwwerk staat afgebeeld op talloze schilderijen.
Onder de naam Trots van de Stad wijdt het Centraal Museum in Utrecht een tentoonstelling aan de Dom (t/m 2 oktober a.s.).

De bouw van de toren duurde van 1320 tot 1382.  De oorspronkelijk geplande hoogte van 126 meter werd gaandeweg bijgesteld tot 112 meter. De bouw werd vooral gefinancierd met zogenaamde aflaten. Kerkgangers betaalden flinke sommen geld aan de kerk in de hoop, dat hun verblijf in het vagevuur daarmee bekort zou worden; een vorm van zakkenklopperij waaraan later door Luther een einde zou worden gemaakt.
De Dom, in de 14e eeuw als losse toren gebouwd, werd in de daaropvolgende twee eeuwen aan de Domkerk vast gebouwd. Lang zou deze verbinding niet duren, want in een zware augustusstorm in 1674 werd het middenschip van de kerk weggeblazen, net als de torens van enkele andere kerken in de stad. Alleen al omdat de Dom in dit natuurgeweld overeind bleef, is hij zijn positie waard. Medewerkers van het KNMI hebben overigens berekend dat de toren domweg geluk heeft gehad. De sterkste rukwinden gingen langs de toren heen.

domtoren-2Toen ik naar de tentoonstelling ging, had ik drie vragen.
1.    Welke ziener c.q. idioot heeft opdracht gegeven tot een voor die tijd disproportioneel hoge toren?
Dat blijkt het kapittel (het bestuur) van de Domkerk te zijn geweest. De geestelijken hadden in die tijd niet alleen geestelijke, maar ook politieke macht. De bisschop van Utrecht was een van de machtigste mannen van het land.
2.    Waarom wilde men zo’n hoge toren?
Het antwoord op deze vraag is simpel: om de almacht te tonen. De mannen van het kapittel moesten laten zien wie de grootste heeft. We hebben de Dom dus te danken aan machtswellust. Eigenlijk zijn we in Utrecht trots op een fallus.
3.    Wat vond de bevolking van de bouw?
Het antwoord op deze vraag is niet overgeleverd. Aan het volk werd immers niets gevraagd in die tijd en zij hebben het zelf niet opgeschreven.
De theoloog en jurist Geert Grote, die bekend stond om zijn pleidooien voor een eenvoudiger geloofsbeleving, was een van de weinige criticasters. Grote vond het een zondig bouwsel, voortkomend uit ijdelheid en praalzucht. De man, die in deze kwestie zijn achternaam niet mee heeft,  had natuurlijk groot gelijk.
Toch is het maar goed dat er niet naar hem is geluisterd.

1

WAAR IS VLEUTEN GEBLEVEN?

Dagelijks

Je kunt iemand in Vleuten nog een ansichtkaart sturen. Maar je kunt er niet meer geboren worden. Vleuten is opgegaan in Utrecht. Het is geen gemeente meer, geen dorp, geen wijk. Wat is Vleuten dan wel?

Halverwege de vorige eeuw was Vleuten niet veel meer dan een kruispunt van wegen, tien kilometer ten westen van Utrecht. Er stonden twee kerken, twee scholen, zeker vijf cafés en een aantal oude boerderijen. Mijn geboortehuis stond even buiten het dorp tussen de weilanden en de boomgaarden. Omdat het dorp in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden gingen de monumentale boerderijen in de kern van het dorp tegen de vlakte en werd de ene  na de andere nieuwbouwwijk uit de grond gestampt. Binnen tien jaar was ons vrij gelegen huis aan alle kanten omgeven door nieuwe huizen. Ondanks deze uitbreiding was het streven om Vleuten kleinschalig te houden. De gemeente verzette zich tegen groeiscenario’s zoals in Nieuwegein, Maarssenbroek en Houten. Dat lukte enkele decennia lang en toen ging het dorp alsnog voor de bijl. En hoe. Vleuten en de Meern werden opgeslokt door de grootste Vinexlocatie van Nederland, Leidsche Rijn. Deze ‘wijk’ nadert nu zijn voltooiing. Over enkele jaren zullen er bijna 100.000 mensen wonen.

Als ik vanuit de bestaande stad Utrecht het Amsterdam-Rijnkanaal oversteek kom ik in een woud van nieuwe huizen terecht, dat zich naar alle kanten uitstrekt. Langs straten met namen als Ivoorzwamhof, Zuiderbreedte en Jazzsingel rijgen de eengezinswoningen zich in schier oneindige aantallen aaneen. Heterogeen in stijl, kleur en hoogte, homogeen in hun nieuwe uitstraling. Jonge planten omlijsten de paadjes naar de voordeur. Vitrage en jaloezieën beletten de inkijk. Ik zie afvalcontainers, hondenuitlaatplaatsen en klimrekken.
Er is veel groen en veel water. Waar eens tuinderijen en kassen lagen, liggen nu de vlindertuin, de Japanse tuin en de speeltuin, onderdelen van het grootse Maximapark. Op de in Nederland schaarse ruimte is hier niet bespaard. Hoe langer ik fiets, hoe minder houvast ik heb. Het is een overdaad aan nieuwe huizen, waarin ik me verloren voel. Ik mis bakens als kerktorens, molens of schoorstenen. Ik zie weinig mensen op straat. Ik denk dat ik vroeg naar bed zou gaan, als ik hier zou wonen.

En waar is het dorp Vleuten gebleven?
Zoals mijn ouderlijk huis in de zestiger jaren is ingebouwd, zo ligt het oorspronkelijke dorp Vleuten nu ingeklemd tussen de nieuwbouwwijken, zonder identiteit en zonder grenzen. Het is niet verdwenen zoals sommige Franse dorpen onder de oppervlakte van een stuwmeer. Het is een plantje dat overwoekerd is door nieuwe uitheemse soorten. Een kleur die vervloeit omdat er teveel andere kleuren bij gemengd zijn.
Er staan nog steeds twee kerken en er zijn wat winkels. De woninginrichters en doe-het-zelfzaken doen het hier blijkbaar goed, net als de shoarmatenten en fysiotherapeuten. Het oude gemeentehuis is een eethuis geworden, het Verenigingsgebouw een meubelzaak. De winkeliersvereniging probeert de moed erin te houden. In augustus was er de Braderie en volgende maand wordt een Tiroler Oktober Festijn gehouden.
Op Facebook worden in de groep Je bent Vleutenees als…. oude en nieuwe foto’s uitgewisseld op zoek naar de identiteit van Vleuten. De historische vereniging houdt avonden over ‘de rijke geschiedenis van Vleuten’.

Ik weet het, er zijn nieuwe huizen nodig, nieuwe wegen en spoorbanen. Zo gaan de ontwikkelingen. Mijn geboortedorp is verdwenen. De naam Vleuten bestaat nog, maar er is geen woord meer om aan te duiden, wat Vleuten nu is.

0

OP TEXEL

Dagelijks

Zoals ik mij vroeger op zaterdagochtend bij het voetbal van mijn zonen op en top vader voelde, zo voel ik me nu meer dan ooit grootvader als de kleindochters van 3 en 5 jaar op de achterbank van de auto luidkeels met K3 meezingen: ik wil met je trouwen, altijd van je houen.

texelWe waren deze week op Texel.
Op de boot vanuit Den Helder waren ze al laaiend enthousiast over de meeuwen die in de wind boven hun hoofden bijna stil bleven hangen, loerend naar wat eten. De meisjes lieten zich op de voorplecht met hun armen wijd door de stevige wind naar achteren waaien. Een dag later stortten ze zich zonder dralen in het koude zeewater om vervolgens met hun natte lijven door het zand te rollen. En later waren ze niet weg te slaan bij de kleine zeehondjes in Ecomare die een soort gehuil lieten horen terwijl ze zich moeizaam voortbewogen over de tegels.
In het zwemparadijs deelden we het vakantiegevoel van ontelbare ouders en hun kinderen door mee te deinen op de golven van het golfslagbad. We dobberden allen weer even rond in een gigantische moederbuik.
De onvermijdelijke Disneyfiguur in het vakantiepark heette Koos Konijn. Koos werd elke morgen in een soort pausmobiel rondgereden door het park. Als een rattenvanger van Hamelen verzamelde hij de kinderen voor een knutselactiviteit.
koos konijnAan het begin van elke activiteit hield hij audiëntie. Dan mochten de kinderen hem een high five geven. Daarna was het vijf minuten dansen met Koos. Verder deed ie niets. Hij zei ook niets. Konijnen praten niet. Misschien wel daardoor kreeg Koos een bijna koninklijke status. De kinderen wachtten op hem zoals op Sinterklaas. Toen zij als knutselactiviteit koekjes gebakken hadden, dacht een kleindochter dat alle koekjes voor Koos waren. Ook nadat duidelijk geworden was dat ze hun zelfbereide koekjes mochten opeten, gingen ze naar Koos Konijn om hem het eerste exemplaar aan te bieden. Zoals je een wortel voor het paard van de Sint neerlegt.

Wij hebben niets tegen Koos Konijn. Hij is gelukkig niet historisch beladen.
Ook K3 kunnen we goed verdragen. Elke tijd heeft zijn eigen idolen. Maar onlangs hebben we toch maar eens de cd’s van Ja Zuster, Nee Zuster uit de kast gehaald.
Kwaliteit vergaat niet. Want hoewel de verhalen niet goed te volgen zijn, spreken de emoties en de aanstekelijke refreintjes onze kleindochters direct aan. Zwaaien met je onderbroek, Duifies, duifies, de oude Jacob, Mijn Opa, ze gaan erin als koek. Vooral Moeder ik ben zo bang voor de Bullebak moet steeds opnieuw worden opgezet. Bij ‘de Bullebak staat voor de poort’ vraagt de kleindochter van 3: ‘voor de achterpoort of de voorpoort’?

Je leeft voort in je kinderen en kleinkinderen, zo wordt wel gezegd.
Soms vraag ik me wel eens af, wat ik doorgeef aan hen. Wat de nakomende generaties van mij meenemen. Misschien is dat nu nog wat moeilijk te zeggen en wordt het in de toekomst duidelijker.
Maar zo af en toe heb ik het idee, dat ze wat hebben opgepikt. Dat er een vonk is overgeslagen. Bijvoorbeeld als ik met mijn kleindochter van 3 door de duinen op Texel fiets en zij in dat verlaten landschap, waar wat meeuwen krijsen en schapen grazen, opeens een bijna perfecte versie weergeeft van Stroei, voei, kara kara kios notte kilas stadioel voei.

0

GROTE MONDIGHEID

Dagelijks

mensenAl jarenlang staat het boekje in mijn kast: Opvoeding tot mondigheid van Theodor Adorno (Spectrum, 1973). De Duitse socioloog pleitte in dit boek voor het bevorderen van kritisch bewustzijn bij kinderen. In plaats van kinderen gehoorzaamheid en volgzaamheid aan te leren, moet de nadruk in de opvoeding liggen op het leren zelf na te denken.
Een mondige burger denkt niet alleen na over zijn eigen belangen, maar heeft ook oog voor die van anderen. Hij is bovendien in staat om zijn eigen handelen kritisch te bezien. “De waarlijk mondige burger  is in staat om met tegenslagen en tegenstrijdigheden om te gaan en deze ‘uit te houden’ “.
Adorno kon het weten. Hij is bekend geworden met zijn onderzoek naar de autoritaire persoonlijkheid, de mens die klakkeloos bevelen van anderen volgt, een onderzoek dat hij vlak na de oorlog uitvoerde.
Ik las Opvoeding tot mondigheid in de jaren zeventig, nadat ik zelf een opvoeding tot gehoorzaamheid had genoten. Mijn trouw aan kerk, leraren en andere traditionele autoriteiten had ik inmiddels ingeruimd voor het volgen van andere ideologieën. Voor mijzelf kwam het pleidooi van Theodor Adorno een beetje te laat.

Als ik nu kijk naar de generaties na mij, dan vind ik dat de mondigheid absoluut is toegenomen. Veel mensen accepteren niet meer klakkeloos een besluit van een gemeentebestuur, het beleid van een politicus, de mening van een arts of  een wetenschapper. Zij laten van zich horen, nemen het heft in eigen handen en organiseren indien nodig een tegenbeweging.
Theodor zou hier tevreden mee moeten zijn.
Of niet?
Ik twijfel. Want zijn het wel allen mondige burgers die ik hoor? Waar ligt de grens tussen de mondige burger en de verwende burger? Tussen de burger die opkomt voor zijn mening en zijn rechten en die rekening kan houden met anderen. En de burger die zich laat horen, maar die als een verwend kind niet kan accepteren, dat de zaken niet zo lopen als hij wil.
Zoals ouders, die hun zoontje van de voetbalclub halen omdat zoonlief niet in het selectieteam gekozen is. Progressieve burgers, die protesteren tegen de aanleg van een OV-lijn, omdat zij met hun auto 400 meter extra moeten rijden om de wijk uit te komen. Burgers, die petities tekenen, omdat er op een kilometer afstand een windmolen is gepland.
Twee weken geleden gaf in een dierenboerderij in Utrecht een zeug het leven aan welgeteld 18 biggen. De kinderen en hun (groot-)ouders verdrongen zich rond het hok, waar de biggetjes elkaar huppelend achterna zaten. Vrolijkheid alom, maar het slechte nieuws is dat de kinderboerderij zo’n  aanwas van varkens niet aankan. Een aantal jonggeborenen zal op termijn naar het slachthuis verdwijnen. De actiegroep is inmiddels gevormd. ‘We hebben contact met de wethouder. Er moet beleid komen rond het fokken van dieren in de gemeente’.
Pedagoog Micha de Winter gebruikte ooit de term grote mondigheid.

De toegenomen mondigheid heeft een schaduwzijde in de afnemende bereidheid om rekening te houden met anderen en om tegenslagen te accepteren.
Een mondige burger kan een verwende burger worden. En erger: een verwende burger kan een boze burger worden: een landgenoot die, niet meer voor rede vatbaar, achter leiders aanloopt die het onbereikbare beloven. Dan zijn we weer bijna terug bij de autoritaire persoonlijkheid van Adorno.
Opvoeding tot mondigheid wordt weer actueel.

Reageren? Klik links onder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen.

1

NOU TABÉ DAN

Dagelijks

Het afscheid was gedwongen, een paar jaar voor zijn pensionering. Maar Dijk had er voor zover ik weet, en tot mijn verbazing, niet tegen geprotesteerd.
Uit: H.M. van den Brink, Dijk, Atlas Contact, Amsterdam, 2016.

Ik kijk op de klok en zie dat het al 01.00 uur is. Op de tafel voor mij staan flessen wijn en vazen met bloemen. Er liggen boeken, cadeaubonnen, kleine attenties, een berg verscheurd cadeaupapier en een slordige verzameling wenskaarten. Daartussen nog een  stapel bankbiljetten, de bijdragen die ik gevraagd heb voor een kunstwerk dat ik als aandenken wil kopen. In mijn handen houd ik het vuistdikke liber amicorum. Ik heb er wat in zitten bladeren, nieuwsgierig en gevleid. Maar mijn hoofd zit boordevol. Allerlei beelden en sensaties dreunen na als de muziek na een te luid popconcert.
Ik bewaar het vriendenboek tot morgen en ga naar bed.

wijn afscheidVandaag nam ik na meer dan 36 jaar afscheid van mijn werk. Ik schudde vele handen en zoende nog meer wangen. In de geestelijke gezondheidszorg zijn de dames immers altijd in de meerderheid geweest. Emeritus-hoogleraar Clemens Hosman beschreef de ontwikkelingen in het ggz-preventiewerk in Nederland, waaraan ik gedurende vele jaren heb bijgedragen. Kamerkoor Decibelle verzorgde de verstrooiende noot. Er waren toespraken en een groep oud-collega’s zong een potpourri van nostalgische liederen uit de oude team-doos.
In mijn eigen afscheidswoord vertelde ik dat ik in al die jaren nooit een dag met tegenzin naar mijn werk ben gegaan. Die gedachte bracht enige reuring onder de aanwezigen.
Tenslotte gebruikten we het laatste avondmaal met de collega’s van de laatste jaren. Tijdens de maaltijd verdween de zon aan de horizon. Een tijdperk was afgesloten.

In bed lukt het vooralsnog niet om in slaap te komen. Het gonzen in mijn hoofd gaat in het donker minstens even krachtig door. Ik zie mijzelf weer staan midden in de zaal, als een honingpot waar de bijen omheen zoemen.
Er zijn verrassende contacten, ex-collega’s die ik in jaren niet gezien heb. Er zijn lovende woorden, opgepoetste anekdotes, hartelijke wensen voor de toekomst. Ik vertel, dat ik mijn pensioen net niet heb gehaald, maar dat ik dit niet pijnlijk vind. Dat ik getwijfeld heb, of ik mijn afscheid wilde vieren, omdat de reorganisaties die eraan ten grondslag liggen niet feestelijk zijn.
Het zijn korte, vluchtige gesprekjes.  In mijn ooghoeken zie ik de volgende wachtenden en de nieuw aangekomen gasten.
De eerste cadeaus pak ik nog uit, daarna leg ik de attenties achter mij op een tafel en doe ik een apert onhaalbare poging om te onthouden wie wat gegeven heeft. Waar is de assistent die de namen op de cadeaus kan plakken?
De tijd schiet voorbij. Gewoon doorademen, zeg ik tegen mijzelf tijdens de toespraken. Ik balanceer tussen de lovende woorden en de relativeringen in mijn hoofd. Het lukt mij niet alles in mij op te nemen. Een beetje aandacht is prettig, maar zo in het middelpunt staan voelt onwennig. Door het raam zie ik op een afstand de Domtoren, het standvastig baken boven het gewoel van de stad. Kon ik maar een Domtoren zijn.

De rode cijfers van de wekker staan op 2.30 uur. Ik draai me nog eens om.afscheid nemen
Ik ben mijn loopbaan ooit begonnen als coördinator van  een project over stervensbegeleiding en rouwverwerking. Onze boodschap was dat je kunt leren om afscheid te nemen. Ik probeerde het zelf in de praktijk te brengen. Zo liet ik mijn kinderen, die er als peuter moeite mee hadden, dat ik naar mijn werk ging, uitgebreid voor het raam zwaaien.
Vandaag ben ik uitgezwaaid.
Nou tabé dan, ik groet je…

 

Reageren? Klik links onder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen. Op de hoogte blijven? Vul dan in de rechterkolom je naam en mailadres in.

0

VAN VLEUTEN

Dagelijks

theater-seats-1513151Wim Sonneveld speelde ooit een ras-Amsterdammer die vertelt dat hij in zijn stamkroeg Blauwe Harry tegenkomt.
‘Blaauwe Harry singt een aaria uit Rigoletto.  Ik seg: je singt wel lekker, alleen het komt een beetje rottig je strot uit… Het is net of ik de plee hoor doortrekken….
Een aaardigheeidje, menee Sonnenberg, een aaardigheeidje…
Mense hebbe geen humor meer. Daarom vraag ik u af, waar is de suivere humor gebleven?’
Humor is er tegenwoordig genoeg. Het wordt uitgevent door een groeiend leger grappenmakers.
De stadsschouwburg in Utrecht programmeert dit seizoen 65 verschillende cabaretprogramma’s. Meer dan 80 avonden per jaar kan de behoefte aan een lach en een traan bevredigd worden.
Hebben wij naast al het slechte nieuws meer behoefte aan lachen of is de lach handelswaar geworden van marketeers?
Er was een tijd, dat ik het nog een beetje bijhield, welke nieuwe talenten waren opgestaan.
Maar nu weet ik  niet meer waar naar toe te gaan.
Ook een stoet Bekende Nederlanders heeft het theater ontdekt: Maarten van Rossem (historicus), Bram Bakker (psychiater), Wim Daniëls (taaldeskundige), Hans Aarsman (fotograaf), Evert ten Napel en Hans van Breukelen (voetbaldeskundigen). Wim Ibo heeft zich al vele malen omgedraaid in zijn graf.
Ben je BN’er dan kan je columnist worden zonder dat je kan schrijven.
Je kunt cabaretier worden zonder grappig te zijn.
Mark Rutte heeft onlangs zijn eerste voorstelling gegeven. Humor verkoopt. Ik zit hier ook al een tijd na te denken over een goede grap.

Vorige week was ik bij Mijn nachten met Churchill van Diederik van Vleuten, een theaterprogramma waarin Van Vleuten historische gebeurtenissen verweeft met familieverhalen. Eerder zag ik zijn voorstellingen over Nederlands-Indië en over de Eerste  Wereldoorlog. Van Vleuten heeft hiermee zijn eigen theatergenre ontwikkeld: ‘standup history’.
Hoe kan je theater maken over de loopgraven bij Ieper of over de dilemma’s van een Engelse premier in oorlogstijd? Kan je je gehoor boeien als je bijna twee uur op het toneel staat in een nagenoeg leeg decor?
ChurchillIn Mijn nachten met Churchill vertelt Van Vleuten , ‘waarom zijn vader, in plaats van hem in te wijden in de wereld van seks, drank, voetbal en geld, zijn zoon liever complete redevoeringen van Winston Churchill leerde, inclusief stem en gebaren’.Het programma begint bij Churchill, maar Van Vleuten associeert er lustig op los. Ook hier komen ras-Amsterdammers langs. Hoe langer de voorstelling duurt, hoe vaker herinneringen aan zijn zus naar boven komen.
Diederik van Vleuten is een uitstekend verteller. Schijnbaar uit de losse pols wisselt hij de wereldgeschiedenis af met persoonlijke verhalen. Ontroering over oorlogsleed met grappen over zijn familie. Grappige voorvallen uit de geschiedenis met pijnlijke ervaringen uit zijn eigen leven.
Ik liep bovenmatig ontroerd de schouwburg uit.

Voor mijn veertiende verjaardag kreeg ik het boek historie met een kleine ‘ha’ van G. Heindl cadeau. Daarin lees ik nu dat Churchill ooit in een politiek isolement was geraakt. Hij ontving in die tijd van Bernard Shaw twee toegangskaarten voor de première van een stuk van Shaw, met de opmerking: ’Neem een vriend mee – als u er nog een heeft’. Churchill antwoordde: ‘Ik kom naar de tweede voorstelling – als die er nog is.’
Diederik van Vleuten komt in oktober tweemaal in Utrecht terug.
Hou je van geschiedenis en van familieverhalen? Ga dan naar Mijn nachten met Churchill.
Van Vleuten, ik hou van die man.

0

DE EINDIGHEID DER DINGEN

Dagelijks

geraniumsAfgelopen dinsdag was het zover.Ik deed mijn laatste klus. Het schrijven van een verantwoording voor een subsidie van de gemeente Houten.  Ik ruimde nog wat laatste spullen op. Documenten over opleidingsactiviteiten. Offertes en nota-opdrachten voor cursussen en presentaties.Op LinkedIn verving ik mijn werkadres door mijn privéadres.Ik bracht enkele ordners naar mensen die mijn taken overnemen.Tijdens dit alles was ik me er continu van bewust: dit is mijn laatste werkdag. Na 36½ jaar.Het voelde vreemd, maar ook niet meer dan dat. De betekenis wilde nog niet erg doordringen.
Ik bracht een paar laatste verbeteringen aan in de uitnodiging voor mijn afscheid en gaf door hoeveel verlofdagen ik nog over heb. Die schenk ik de instelling.Daarna maakte ik een ronde langs de collega’s. Ze wilden allen weten, wat er op dat moment door mij heen ging. Het voelt onwezenlijk, antwoordde ik, maar het is wel goed zo.Sommigen raakten een verkeerde snaar (‘oh heerlijk voor altijd vakantie vieren’), zoals er ook  wenskaarten zijn met teksten als ‘Stoppen met werken? Begin met genieten!’ met bijpassende foto van twee ligstoeltjes aan de vloedlijn. Of nog erger: ‘Geniet van je verdiende rust!’.

Ik kon geen afscheid nemen van mijn kamer. Ik liep nog maar eens nutteloos rond en inspecteerde de boel, zoals ik dat doe als ik een hotelkamer achterlaat. Is er iets op de grond of achter een kast blijven liggen?Ik keek uit het raam en prentte het uitzicht in mijn geheugen. Checkte een laatste keer mijn mail, alsof ik  hoopte op een nieuw bericht. Tenslotte schakelde ik de pc uit, trok mijn jas aan, pakte de tassen met persoonlijke bezittingen en knipte het licht van de kamer uit. Ik zou er langer over hebben willen doen. Om het unieke van het moment te voelen. Maar het unieke bleek ongrijpbaar.
Pas toen ik de buitendeur voor de laatste keer achter mij dichttrok, kwam er brok in mijn keel.
Ik vond het niet prettig in mijn eentje weg te gaan.

Toen ik het contact van de auto omdraaide, klonk er direct en veel te hard een klassieke mars uit de luidsprekers. Was dit een afscheidsmars?.
Opeens waren er toen tranen, in die kleine, afgezonderde ruimte. Maar waarvoor eigenlijk?
Het verdriet mij niet dat ik ‘s morgens niet meer op de fiets zal stappen om nog eens een beleidsdocument over de jeugdzorg te schrijven of de stukken voor de zoveelste vergadering door te nemen.
Ik ben al sinds 2013 bezig geweest om mijn werk af te bouwen. Vanaf die tijd is het relativeren begonnen. Het was prettig om langzaam te minderen, maar er moet eens een einde aan komen. Overgangen horen bij het leven. ‘Ieder einde brengt een nieuw begin’, is een tegeltjeswijsheid, net als ‘afscheid nemen bestaat niet’.
Het is ook niet dat ik me uitgerangeerd voel of een tweederangs burger. En het is zeker niet zo, dat ik moet nadenken over wat ik zal gaan doen. Dus waarom dan tranen?
Ach, het zal de weemoed zijn om de eindigheid der dingen. Een optreden, een bestuursfunctie, een vakantie, kinderen in huis, aan alles komt een keer een eind. Zelfs aan V&D.
Ik heb op feesten en partijen nog wel eens een act opgevoerd als overgangsbegeleider. Nu mag ik mezelf onder handen nemen.
Thuis, bij de voordeur, met een paar sleutels minder aan mijn sleutelbos, was er weer die brok in mijn keel. Die verdomde deur, symbool van de overgang.

1

MENS AGIT MOLEM

Dagelijks

afstuderenOp een donderdagnamiddag zitten we in zaal 4 van het Auditorium van de Technische Universiteit in Eindhoven. De aflopende collegezaal zonder daglicht zit vol met jonge knappe koppen. Vooraan staan rode schermen met daarop de spreuk van de TU: Mens agit molem. Ik graaf in mijn gymnasiumgeheugen. ‘De geest brengt de massa of de berg in beweging, zoiets’,  fluister ik tegen G.
Vandaag verdedigt Anne haar proefschrift: Combined experimental and computational analysis of dermal vaccine delivery using microneedles. Uit de samenvatting begrijp ik dat het gaat over het toedienen van vaccinaties via micronaalden in de huid. Anne heeft onderzocht op welke wijze de naalden het beste in de huid kunnen doordringen en welke invloed de geometrie van de micronaalden heeft. Een relevante zoektocht naar een pijnvrij alternatief voor de dikke injectiespuit.
Het proefschrift en de promotie bezorgen me een merkwaardig gevoel. Ik kan het nog niet omschrijven.
Tijdens de ondervraging door de eerste, hooggeleerde opponens doe ik nog mijn best om het vraag-en-antwoordspel te volgen, door alle mij onbekende Engelse termen heen.
Daarna dwalen mijn gedachten af. Naar 25 jaar geleden, naar de dagen, dat ik niet alleen op mijn twee kinderen paste, maar ook op Anne en haar broer. Er was een tijd, dat ze alle vier nog in de katoenen luiers zaten. De geur van de luierwas zal mij altijd bijblijven, evenals de aanblik van door luieruitslag geschonden babybilletjes.
Ik denk aan de boterhammen, die ik tussen de middag voor de peuters klaarmaakte. Dan haalde ik mijn beste imitatie van Grover uit Sesamstraat van stal: ‘Cha-a-arlie-ie?? Wie heeft deze boterham besteld?’. De kinderen wachtten in spanning af, terwijl ik met de boterhampartjes op mijn mes de tafel rondging.

Regelmatig voel ik de spanning oplopen. Dan stelt een hoogleraar blijkbaar een lastige vraag. Er zijn promovendi die alvast beginnen te spreken (‘geachte opponens, hartelijk dank voor uw vraag’, etc) om ondertussen razendsnel hun brein te laten werken op zoek naar een antwoord. Er zijn anderen, die bluffend te werk gaan. Anne is van de eerlijke soort. Ze laat soms een stilte vallen en zegt dan aarzelend: ‘dat weet ik eigenlijk niet’, om vervolgens een antwoord te geven, waaruit blijkt dat zij  haar onderwerp goed kent.
Na het middageten wilden de kinderen mij nog wel eens uitdagen en pesten. Dan speelde ik de rol van Boze Buurman: ‘Scheer je weg!’. De kinderen stoven daarop lachend en gillend de kelder in, ik holde achter hen aan. ‘Kijk maar uit. Ik stop jullie in een hok!’.
De hooggeleerde opponenten jagen  Anne soms op, ze maken het haar niet gemakkelijk. Men vraagt  naar zaken, die niet in het proefschrift staan en die eigenlijk weer een volgend onderzoek vereisen. Het hoort bij het spel. Een hoogleraar moet laten weten, dat hij nog wel ietsje meer weet dan de promovendus. Mijn onbestemde gevoel keert weer terug. Wat is dat toch?

Anne heeft de massa in beweging gebracht. Het gezelschap zet de academische baretten weer op en trekt zich terug voor overleg.
Na een kwartier komt de archaïsche optocht onder aanvoering van de pedel met zijn staf weer terug. Hij lijkt de enige aardse figuur in deze highbrow ambiance. Het zou me niets verbazen als deze man op dezelfde wijze met een vlag het PSV-stadion inloopt.
De eerste promotor heeft een witrode thermoskan in zijn handen.
Anne heeft de graad van doctor aan de TU behaald. De promotor overhandigt haar de thermoskan,  die een koker met bul blijkt te zijn. Niet alleen mijn kennis over de geometrische invalshoek van micronaalden schiet tekort. Mijn ogen zijn ook achteruitgegaan.
Opeens wordt mij duidelijk wat mijn onbestemde gevoel is. Het is een mengeling van trots en weemoed.
De generatie kinderen, bij wie ik de luiers heb verschoond en voor wie ik de boterhammen met pindakaas heb gesmeerd, die generatie heeft ons ingehaald. Die gaat ons nu voorbij.
En zo hoort het ook.
Vooruit bewegen, noemen we dat. Ofwel in het Latijn: pro movere.

0

“BOZE 60-plusser SNAKT NAAR PENSIOEN”

Dagelijks

time-is-gold-1215479De bovenstaande kop stond laatst op Teletekst. Daaronder stond het volgende bericht.
“Veel zestigplussers halen maar met moeite hun pensioen. Uit onderzoek blijkt dat 7 op de 10 oudere werknemers tenminste één langdurige ziekte, aandoening of handicap hebben.”
“Veel mensen zijn kwaad over het verhogen van de pensioenleeftijd. Zij zien dit als een groot onrecht: 44% van de deelnemers aan het onderzoek geeft aan boos of zeer boos te zijn”, aldus de onderzoekers van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut.
Wat is hier aan de hand?
Dat burgers boos zijn, mag geen nieuws meer heten. Wie is er tegenwoordig niet boos?
De 60-plussers zijn boos, omdat zij erop gerekend hadden eerder te kunnen stoppen met werken. Hun 2-3 jaar oudere collega’s konden er op hun 62e nog met een mooie regeling uit. Maar wie na 1950 geboren is zag eerst de fiscale voordelen van het eerder stoppen  verdwijnen. Daar kwam de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar nog eens bovenop. Dat vinden zij niet rechtvaardig.
Tja.
Ik had ooit een parttime werkende collega, voor wie de donderdag geen werkdag was. Zij vond het niet eerlijk, dat haar collega’s wel op Hemelvaartsdag vrij waren. Dus kende zij zichzelf een andere dag in die week een vrije dag toe.
Het leven is niet altijd rechtvaardig. Was de grens voor de pensioenverhoging niet bij 1950 gelegd, maar bij 1955, dan waren de 55-plussers boos geweest.

Ik ben 60-plusser, maar ik ben niet boos. Tenminste niet over mijn pensioenleeftijd. Zoals het er nu naar uitziet haal ik niet ongeschonden mijn pensioendatum. Door een reorganisatie ben ik binnenkort overbodig.  Misschien zouden de boze 60-plussers dat ook wel willen. Zijn ze niet alleen boos, maar ook nog eens jaloers.
Ik begrijp hun boosheid echter heel goed. Ik kan zelf ook niet tegen onrechtvaardigheid. Is er geen sprake van gelijke behandeling, dan kom ik in het geweer. Bijvoorbeeld toen onze zoon door procedurefouten op de openbare basisschool van onze keuze werd afgewezen. In zo’n geval haal ik alles uit de kast om de onrechtvaardigheid bloot te leggen. Dan schrijf ik pagina’s vol met overtuigende argumenten.
Niet dat het veel helpt overigens. De fout kon niet meer goed gemaakt worden. De excuses die we na twee jaar procederen van het College van B&W ontvingen waren slechts een schrale troost. Maar het verweer had wel geholpen bij het kanaliseren van de boosheid.

Voor sommige ouderen is doorgaan met werken een zegen.
In dezelfde tijd als het Teletekstbericht schreef Trouw over Henk Kluver uit de Achterhoek.
Henk is 93 jaar en al tachtig jaar aan het werk. De laatste jaren werkt hij weliswaar nog maar halve dagen, maar toch. Elke morgen gaat hij weer naar zijn fietsenfabriek. Ooit biesde hij fietsen, nu werkt hij in het magazijn of bij de serviceafdeling.
Dirigenten, schrijvers, professoren: er zijn meer gedreven vaklieden die doorgaan tot Magere Hein op de deur klopt. Zij zijn voor eeuwig verbonden met hun werk.
Hoe Henk dit zo lang vol heeft kunnen houden? Humor helpt, zegt Henk, en een open geest, altijd in zijn voor nieuwigheden. Maar, zegt Kluver, mensen moeten zich niet aan hem spiegelen. Van een unicum moet je geen regel maken. Ieder moet voor zich weten, wat hij wil.
Er is één geluk voor de boze 60-plusser. De tijd gaat sneller als je boven de 60 bent. Voor je het beseft heb je je pensioen bereikt.