Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

HAD IK MAAR

Dagelijks

Ze is halverwege de zestig. Haar hele leven bestond uit zorgen, zorgen en nog eens zorgen. Ze had naar de toneelschool gewild, maar dat mocht niet van haar ouders. Het werd een saai baantje in het onderwijs. En nu speelt ze vol overgave toneel.
In het tv-programma Kruispunt kwamen ouderen aan het woord die terugkijken op hun leven. Stel je mocht het leven over doen, zou je het dan anders doen, was de vraag. In een onderzoek onder 1700 ouderen bleek dat meer dan de helft van de ondervraagden zijn leven anders zou inrichten. Het meest genoemde punt van spijt betrof de opleiding. Veel ouderen van nu mochten vroeger niet studeren, ze moesten geld verdienen. Of hun ouders stuurden hen naar een andere opleiding dan zij zelf wilden.
En nu, in de herfst van hun leven, zeggen ze: ‘Had ik maar…’

Als je een trein te laat genomen hebt of als de kapper teveel heeft afgeknipt, dan is het leed te overzien. Het wordt al erger als je een huis gekocht hebt, wat toch niet bevalt. Maar zelfs die keus zou je nog kunnen repareren. Maar als je je hele leven werk gedaan hebt, wat je eigenlijk niet wilde. Of als je decennia lang je ziel en zaligheid hebt opgeofferd voor de PvdA. Tja, wat moet je dan?
Ik weet niet wat bij mij overheerst bij het zien van deze documentaire: de bewondering om het lef waarmee de mensen hun spijt onder woorden brengen of het meeleven met de pijn, die zij hierbij voelen.
Of raakt de documentaire mij, omdat ik geconfronteerd wordt met mijn eigen keuzes?
Aan het einde van de middelbare school twijfelde ik tussen geschiedenis, mijn beste vak, en psychologie. Het werd het laatste. Als ik nu in het jaar van mijn pensionering zie met welke hartstocht ik met zingen en schrijven bezig ben en hoe graag ik met mijn neus in de historische archieven zit, kan ook ik me afvragen of ik andere keuzes zou maken, als ik het leven over mocht doen. Heb ik de juiste richting gekozen? Heb ik mijn talenten voldoende benut?
Deze vragen roepen tegenstrijdige gedachten op. Er schuurt iets in het brein. Psychologen noemen dat cognitieve dissonantie. En net als in de muziek wil je dat de dissonanten oplossen. Daarom komen er in mijn hoofd direct argumenten op, die mijn keuzes ondersteunen: ik heb een mooie loopbaan gehad, met fijne collega’s en met de ruimte om naast het werk een dag voor mijn kinderen te zorgen. Daarnaast had ik de tijd en energie om cabaret te maken en te zingen.
Probleem opgelost. Of niet?

Het zijn confronterende vragen. Want wat doe je als je moet bekennen, dat je eigenlijk liever iets anders had willen doen. Als je ouders de keuze voor jou gemaakt hebben, kan je hen nog de schuld geven. Maar als je zelf hebt kunnen kiezen?
Veel opties om dit conflict op te lossen zijn er niet. Je kunt alsnog proberen om iets in te halen wat je gemist hebt, zoals de vrouw die nu toneel speelt. Of je kunt erin berusten, zoals een aantal ouderen uit de documentaire: ‘het is zo gelopen, zoals het is’.

 

0

HET SMACHTEND WACHTEN

Dagelijks

 

Ach we hadden er zo naar uitgekeken. Zoals zo vaak gebeurd is de afgelopen jaren. Het was een ongekende vlaag van collectieve hartstocht. Een dwangmatig verlangen, dat massa’s mensen onrustig maakte. Dat de arbeidsproductiviteit substantieel deed dalen.
De Sehnsucht werd nog eens aangewakkerd door alle sociale en a-sociale media. Statistieken over ijsgroei en ijsdiktes. Mogelijke schaatslocaties. Aanbevelingen voor een veilige tocht.
Trouw zou Trouw niet zijn als het niet twee filosofen van stal had gehaald om hun licht over dit deel van de oer-Hollandse identiteit te laten schijnen. ‘In het niet-maakbare van het schaatsen op natuurijs zit iets transcendents’, zo lazen we. Het is het Carnaval van het Noorden, op de ijsbaan is iedereen gelijk. Gelet op het afzien in de kou en het meters maken, werd het schaatsen als een protestante bezigheid betiteld.
Ik overwoog een ingezonden brief.

We hadden er eigenlijk al niet meer op gerekend, maart kwam er al aan. De zon scheen weer fel. Maar toen kwam de Siberische beer om de hoek kijken. Die zou de zon een poepie laten ruiken. Hij is al even invloedrijk als zijn baasje Vladimir P.
Elke dag van de afgelopen week stond ik klaar om te gaan. Ik volgde de berichten van uur tot uur. Het werd dinsdag. In de provincie Utrecht staan het Leersumse Veld en de Molenpolder al jarenlang bovenaan de lijst van locaties waar al vroeg geschaatst kan worden. Nu las ik berichten over hoeveel mensen er per uur door het ijs heen gingen. En van baantjes van 40 x 75 meter ontdooi ik niet.
Jos Werkhoven, van het weerstation De Arend in Kortenhoef, steun en toeverlaat voor iedereen tussen Amsterdam en Utrecht die het ijs mint, had vorige week nog een juichend bericht de wereld ingestuurd: het is niet de vraag, òf we kunnen gaan schaatsen, maar op welke dàg. Op woensdag laat Jos in de Volkskrant weten, dat hij het niet meer ziet zitten. Dit soort bijzondere omstandigheden heeft hij nog nooit van zijn leven meegemaakt, zegt hij mismoedig.
Het werd donderdag. Wie het erop wilde wagen, moest niet alleen een nat pak riskeren, maar ook de straffe oostenwind weerstaan. Trotseren was hèt woord in de media. Zou het toch de katholiek zijn, die binnen bleef?

Eergisteren is het er toch nog van gekomen. Ik had mij flink ingepakt. Beschermende kleding in diverse lagen. Hoezen voor mijn schaatsen. Het vetleren buideltje ter bescherming van de edele delen, de ph, mannelijk pendant van de bh, had ik toch maar thuis gelaten. Het was tenslotte geen Elfstedentocht.
Mijn schaatsen had ik verwarmd boven de kachel, zoals we dat vroeger deden. Een beter bewijs van de stelling dat je gedrag bepaald wordt door de ervaringen in je jeugd is er niet. Daarom ook ontbraken de priem, het fluitje en het lange touw in de uitrusting. Mijn telefoon had ik nog wel in een plastic zakje geborgen.
Met mijn broer schaatste ik door de Molenpolder. Aanvankelijk nog wat wankelend tornden we tegen de wind op, soms bijna vallend door de scheuren of het vuil op het ijs. Bij onze aankomst hadden we als waarschuwing een ambulance zien staan. De traumahelikopter bleef achter de hand.
Zelf gevorderd van leeftijd memoreerden wij onze opa, die tot op hoge leeftijd de schaatsen onderbond, en diens broer, ome Kees. Op zijn 73ste schaatste deze over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag twee maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis. Uit dit “oord der ellende” stuurde hij vrolijke brieven naar de familie. Niet alleen het schaatsen, ook het schrijven zit in onze genen.
We hebben het overleefd. We kunnen het vertellen aan onze kleinkinderen, nee niet later, maar nù. Opa was erbij die barre dag in maart. Hij scheerde langs een wak en schaatste op zijn klappers iedereen voorbij.

2

EEN JANUARISTORM

Dagelijks

Foto: Rob Oostenbroek, Duic

Aeolus, de god van de winden, had Zephyrus erop uitgestuurd. De westenwind had er zin, hij was in vorm. Hij waaide zoals ie nog maar zelden gewaaid had. Vrachtwagens vielen bij tientallen om, daken werden van huizen gerukt, toiletcabines omver geblazen. ‘Van de pot gerukt’ kreeg op donderdag 18 januari 2018 een bijzondere betekenis.
De storm maakte in ons huis hoge fluitende geluiden, zodra er een deur of een raam openging. Het loeien van de wind door de kale platanen in onze straat was zeker zo onheilspellend. Afvallende takken tikten tegen de ramen en op geparkeerde auto’s. Ik vroeg me af of ik niet beter onze auto zou kunnen verplaatsen, maar waarheen?
De bomen in de straat zijn geplant in 1946. Tot twee jaar daarvoor hadden er ook fraaie exemplaren gestaan. Die waren in de hongerwinter voor de bijl gegaan. De huidige platanen zijn uitgegroeid tot reuzen die ver boven de daken van de hoge herenhuizen uitsteken.
Ik tornde tegen de zware windvlagen in voor een boodschap en liet me op de terugweg meenemen door de vlagen. Ik kreeg zin om erbij te joelen. Afgewaaide takken kraakten onder mijn wielen.

Even later zette de eerste boom aan het begin van onze straat, de plataan die nog de meeste wind vangt, zich schrap. Hij had al vele stormen doorstaan in die zeventig jaar. Hij voelde het rukken aan zijn wortels. Hij kreunde en toen hield ie het niet meer. De boomreus viel met zijn wijdverbreide netwerk van takken rakelings langs huis Blijenburg, het hoekpand uit 1882, schuin op de Biltstraat. In zijn val nam hij het negentiende eeuwse hek, dat langs het Maliebaanspoor staat, een paar meter mee de lucht in. Het degelijke gietijzeren smeedwerk stond verdraaid, maar nog intact bovenop de voet van de stam.
Daar lag ie dan, de plataan, nog onwrikbaarder dan een betonnen wegafscheiding, dwars over het begin van de Buys Ballotstraat. De hulpdiensten maakten de Biltstraat weer vrij van takken. Het wachten was op de ontmanteling door een gespecialiseerde firma. Eén dikke tak stak nog als een monument boven de verzameling hout uit. Toen ik de dunne wortels zag, die uit de stam kwamen, vroeg ik me af hoe deze boom het zo lang heeft kunnen uithouden. Ik moet er niet aan denken dat de plataan voor ons huis net zulke iele wortels heeft.

De gevolgen van de storm kwamen nog dichterbij, toen bleek dat alle treinen waren uitgevallen en dat het herstel nog wel even zou duren. Wij zouden vrijdagmorgen om 7.00 uur de ICE naar Duisburg nemen en vandaar verder reizen naar de Dolomieten voor een sneeuwvakantie.
We pakten donderdagavond in, aarzelender dan normaal. We ruimden op met de vraag of het wel nodig was. De onzekerheid knaagde aan onze wortels. Ook in Duitsland was het treinverkeer tot stilstand gekomen.
Het einde van de avond bracht licht met de mededeling, dat op vrijdag negen van de tien treinen weer normaal rijden. Na een onrustige nacht stonden we achter het computerscherm en lazen dat onze ICE die ene trein was die niet reed. Met een latere trein zouden we Trento niet meer kunnen bereiken.
Daar stonden we, om 6.10 uur, alles ingepakt, de koelkast leeg, de boterham in de rugzak. Ik zette de kachel aan en deed de gordijnen die ik al geopend had maar weer dicht. Een lange, lege dag lag voor ons.
Zaterdag doen we alles nog eens over. Die dag zijn er geplande werkzaamheden op het spoor. We moeten een omweg maken en drie maal extra overstappen. Ach, dat is toch de romantiek van het reizen met de trein? Waar is de kruier?

0

TECH EN GADGETS

Dagelijks

Dagelijks tussen 16.30 en 18.30 wordt op Radio 1 het nieuwsprogramma Nieuws en co uitgezonden, ofwel de Grote Lara Rense Show. Er is een vaste rubriek over technologische ontwikkelingen. We worden daarin bijgepraat over de nieuwste apps. Apps, die Lara zelf ook zo ontzettend kek vind. Of over breinimplantaten die de wereld voorgoed zullen veranderen.
De rubriek wordt door Lara steevast aangekondigd als ‘uw dagelijkse portie tech en gadgets’. Alsof ik als luisteraar hongerig aan het toestel gekleefd zit en met een kwijlende bek ongeduldig zit te wachten tot iemand mijn bak volgooit.

Dit jaar zag ik voor het eerst in mijn omgeving verschillende mensen met een FitBit. Het ziet er uit als een horloge, maar het kan behalve de tijd nog veel meer meten: je hartslag, het aantal stappen per dag (inclusief traptreden) en je stress-niveau gedurende de dag. Bovendien kan je zien of je slaap van voldoende kwaliteit is geweest. ‘In de Sensitive stand detecteert de Fitbit nagenoeg alle bewegingen als wakker of rusteloos. Deze stand kan fijn zijn voor gebruikers die het gevoel hebben futloos wakker te worden, terwijl hun tracker aangeeft dat ze voldoende geslapen hebben die nacht. Aldus de website Smart Health Review. Het OLED scherm zorgt er bovendien voor, dat je connected blijft met je smartphone.

Voor wie door de bomen van alle vernieuwingen het bos niet meer ziet, heeft de Volkskrant een handig lijstje van de gadgets van 2017.
Is de kwaliteit van de slaap niet zo goed, dan is de Somnox Slaaprobot misschien iets voor jou. ‘Dit wezentje nestelt zich lepeltje-lepeltje tegen u aan en ademt u vervolgens zachtjes naar dromenland. Het kan ook slaapgeluidjes maken en liedjes laten horen’. Helaas ontbreekt nog een functie die negatieve gedachten opspoort en tegengaat. Ik denk daarom dat ik nog maar even wacht met de aanschaf tot het product is uitontwikkeld. Of gebeurt dat tegenwoordig niet meer?
De robot, we kunnen er niet meer omheen. ‘Robots begonnen dit jaar ineens spectaculaire capriolen te maken. Soepeltjes op een tafel springen, achterwaartse salto’s maken, dat werk’. Dat lijkt me wel handig als ik net rustig de ochtendkrant zit te lezen. Dat ie bovenop mijn kop koffie springt. Moet ik dan een straf uitdelen of eerst maar eens een gesprek met hem voeren, wat zou het beste werken?
Helemaal 2017 is natuurlijk de Antiminer S9, een machine die bitcoins delft. Je moet wel even investeren, de aanschafprijs ligt rond de 5000 euro, maar dan kan het verdienen beginnen: tenminste een paar tientjes per dag. Een machine die automatisch geld genereert, wie wil dat niet! Er is wel een minpuntje: het apparaat maakt veel lawaai en wordt loeiheet. ‘Het is zo’n beetje het milieubelastendste gadget op aarde’. Misschien moet ik dan toch maar op zoek naar leuke gizmo’s met een hoog fun-gehalte.

Tja. Het beste is natuurlijk om deze gekkigheid maar gewoon voorbij te laten gaan. Maar ergens blijf ik dan wel met een zorg zitten. Ik heb ooit een smartphone gekocht, niet omdat ik nu zo graag een nieuw toestel wilde om mee te bellen, maar uit angst dat ik de boot van de technologische vooruitgang zou missen. Kan ik nog wel meekomen straks?

Ik zie mezelf al zitten over pakweg 10 – 15 jaar. Mijn strijkbout vertoont aan alle kanten kuren en als mijn kleinkinderen mij zo zien modderen, roepen ze vertwijfeld uit: ‘je kunt toch die zelfstrijkende robot nemen, die zijn helemaal niet duur hoor’. En dat ik dan moedeloos mompel: ‘wat moet ik met zo’n nieuw apparaat, alleen al de gebruiksaanwijzing is zo ingewikkeld, dat ik er niets van begrijp’.
‘Gebruiksaanwijzing, opa! Hallo! Dit is de eenentwintigste eeuw!’

0

DE REÜNIE

Dagelijks

Herinneringen verdwijnen naarmate de tijd voortschrijdt. Uitgezonderd de emotionele belevenissen zitten onze ervaringen na tientallen jaren zo diep opgesloten in het geheugen dat deze nauwelijks nog op te halen zijn. Zitten ze er eigenlijk nog wel?
Dit voorjaar ontving ik een mail van het KRO-NCRV-programma De Reünie. In dit tv-programma ontmoeten oud-klasgenoten elkaar sinds lange tijd weer. Men vroeg mijn medewerking aan een uitzending over klas 1D van het Bonifatiuslyceum in Utrecht in 1964. Mijn eerste klas van de middelbare school.

1964, het is meer dan vijftig jaar geleden. Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken van de lengte van deze tijdsspanne. Het is meer dan de helft van een mensenleven. Het is zo lang geleden, dat mij uit deze klas slechts één herinnering voor ogen staat. Die heb ik eerder hier beschreven. Ik heb ook nog maar één vaag fotootje, waarop je kunt zien hoe ik tijdens een klasseavond met drie klasgenoten een beatbandje imiteer (zie hieronder, mijn hoofd uiterst rechts).
Toen ik probeerde namen terug te halen van klasgenoten, kwamen er slechts drie bij mij boven. Uit de lijst die ik daarna van de Reünie ontvang herkende ik nog een paar namen, maar bij de meeste leerlingen had ik geen enkel beeld, geen enkele herinnering. 1D was een brugklas. Na het eerste jaar vertrok het grootste deel naar de HBS, die in een ander gebouw gehuisvest was. De meeste klasgenoten heb ik na dat jaar nooit meer gezien of gesproken.
Mijn interesse was echter wel gewekt, ik ging namen googelen en stuitte op twee verrassingen.
Ik zat in de klas bij ene Henk R. Vaag komt bij deze naam het beeld van een donkere jongen op. Het blijkt dat Henk nu een van Neerlands meest beruchte criminelen is. Mijn zonen kennen hem als de Zwarte Cobra uit de misdaadprogramma’s van Peter R. de Vries.
Verder zag ik tot mijn verbazing de naam van Rob Plijnaar op de lijst. Ik ken Rob uit de negentiger jaren, hij was de buurman van vrienden. We kwamen elkaar twintig jaar geleden nog wel eens tegen, maar geen van beiden hebben wij toen beseft, dat we ooit in dezelfde klas gezeten hebben. Dertig jaar is al genoeg om herinneringen te vervagen.
In mijn eigen archief vond ik een incomplete verzameling van het leerlingenblad Stemmen. Van klas 1D heb ik nog een Godsdienstschrift en een Herbarium. Wie wat bewaart, die heeft wat. De bladeren zijn inmiddels goed opgedroogd.
Eigenlijk was er nog een derde verrassing. Hoe vaker ik de leerlingenlijst bekeek, hoe meer herinneringen er naar boven kwamen. Opeens zag ik bij de naam Anton een lange jongen met blond haar. En uit het niets kwam de herinnering dat Geke en ik op dezelfde dag geboren zijn. Op 18 januari 1965 werden we allebei 12½ jaar. We vierden dat in de pauze met een zakje drop bij de drogist in de Nobelstraat.
Omdat er te weinig leerlingen opgespoord zijn heeft de Reünie nog de medewerking gevraagd van enkele meisjes uit een parallelle brugklas. Toen dook opeens de naam van Charlotte op, het meisje van mijn eerste zoen, waarover ik eerder schreef.

Zo blijken diep weggezakte herinneringen voor een deel weer naar boven te halen. Door te zoeken in spullen van toen, door ermee bezig te zijn. Dat maakt het ophalen leuk en verrassend. Alsof je weer even terug bent in de tijd en een verloren gegaan stukje van jezelf ontdekt.
Voor de opname van het programma was een dag in juli uitgekozen die midden in mijn vakantie viel. Omdat de programmamakers mij er graag bij wilde hebben, bood men aan om mij een dag uit IJsland te laten overvliegen. Dat had ik er niet voor over. Mijn bijdrage is daarom beperkt gebleven tot de voorbereidingen.
Voor wie geïnteresseerd is: op donderdag 9 november a.s., 20.30 uur, wordt het programma uitgezonden, NPO 1. Over wat het leven de 12-jarigen gebracht heeft en wat er is uitgekomen van hun dromen.

1

FEESTEN EN STUDEREN

Dagelijks

Deze corpsballen komen in dit stuk niet voor

In onze buurt is er vijf keer per jaar een buurtlezing. Dan houdt een buurtbewoner een spreekbeurt over zijn werk, hobby of interesse. Vorige week werd de lezing gehouden door de studenten van een huis van het Utrechtse Studenten Corps. Het zijn onze achterburen.
Onze contacten met hen zijn beperkt. De corpsballen gooien regelmatig een briefje door de bus met de aankondiging van een borrel of feest. Wij roepen af en toe over de schutting of de muziek wat zachter mag. Ooit riep het zoontje van onze huisgenoten: ‘Korfballen! Jullie stinken naar wijn!’.
Door de jaren heen zijn er diverse acties van buurtgenoten geweest om de geluidsoverlast te beperken. De verontschuldiging was steeds dat men helaas teveel had gedronken. Of het nu door de laatste buurtactie komt of door een betere opvoeding, de corpsstudenten van nu houden wat meer rekening met de buurt.

Samen met zo’n 25 buurtgenoten schuif ik voor de lezing aan in de achterkamer, waar wij vanuit onze huiskamer op kijken; de achterkamer, die enkele jaren geleden tot discotheek (zonder vergunning) is omgebouwd. Het publiek is grotendeels van mijn leeftijd, mensen die naar mijn inschatting hun studie op andere wijze hebben ingevuld dan de corpsballen.
De jongens ontvangen ons hartelijk. Ze doen geen enkele moeite om zich beter voor te doen dan ze zijn. Het is een rommel in huis, ze lopen met een biertje in de hand, het witte overhemd hangt slordig uit hun broek, er zijn hoge koelkasten, alle tot de nok gevuld met alleen maar flesjes bier. De eerste dia van de powerpointpresentatie is een foto van de huidige groep bewoners, naakt, met een fles voor hun leuter, zoals de jongeheren hun piemel noemen. Schaamtegevoel kennen ze niet, ze zijn met een groep.

de vrijwillige strandwacht bij paal 17 op Texel

Een van de jongens vertelt over het huis en de activiteiten: een schier oneindige rij van festiviteiten zoals huisdiners, reünies en borrels. Er is een jaarlijkse dag voor de ouders, een dag voor oud-bewoners, een weekend in het buitenland, bezoeken aan het gezin van de nieuwe bewoners (‘nestcontrole’) enz. Om het door het Groningse Vindicat beschadigde imago van de corpsbal wat op te vijzelen vertelt men verder over goede-doelen-acties, sponsorlopen en vrijwilligerswerk als strandwacht op Texel. Het leven van de corpsstudent bestaat uit regels, rituelen, structuur en hiërarchie.

In de pauze lopen wij door het huis, door duistere gangen waar de muren met verfspuiten zijn voorzien van versieringen, langs toiletten met naaktfoto’s van corpulente dames, langs een keur van verkeersborden die uit de openbare ruimte zijn meegenomen en over groezelige trappen, waar de handen blijven plakken aan de leuning. De kamers zien er uniform donker, ongezellig en chaotisch uit: hier komt men alleen om te neuken en te slapen.
Iedere jongen woont hier vijf jaar. De nieuwelingen beginnen onder aan de ladder met uitvoerende taken. Hoe langer in huis, hoe meer je te vertellen hebt. Feitelijk krijgen de bewoners naast hun studie een informele opleiding evenementenmanagement. Ze leren organiseren, plannen, leiding ontvangen en leiding geven. Wie nog wat schuchterheid meebrengt leert dat snel af. Het is een ouderwetse cultuur, een hechte gemeenschap in een individualistische maatschappij, een gigantisch rollenspel.
‘Het is niet mijn wereld’, zegt een van de buurtbewoners en ik knik instemmend. Maar als ik kijk naar mijn eigen zoektocht tijdens mijn studietijd vind ik het jammer dat ik destijds niet zo’n soort houvast gevonden heb. En misschien had ik ook wel eens uit de ban wil springen met een fles voor mijn leuter. In iedere man schuilt een corpsbal. In iedere corpsbal schuilt een brave burger.
De jongens kunnen zich vijf jaar lang ongegeneerd als kinderen uitleven voordat de verantwoordelijkheid van gezin en baan roept. Voor hen is geen SIRE-campagne nodig. Zij hebben de tijd van hun leven.

1

KLASSIEK VIERT DE ZOMER

Dagelijks

TV kijken doe ik bijna nooit, maar toen ik een aankondiging zag van een programma over een muziekfestival in de Zwitserse bergen kon ik er niet meer onderuit. Barokmuziek en bergwandelen, veel mooier bestaat er niet. Ik pakte er wat strijkwerk bij, zodat ik mijn tijd nuttig kon besteden.
In Klassiek viert de zomer trekt NTR-presentator Floris Kortie langs muziekfestivals in Europa. Elke uitzending volgt hij enkele Nederlandse bezoekers. Zo maken we in het begin van deze uitzending kennis met de sympathieke zestigers Huib en Judith. Hij is huisarts, zij werkt als vrijwilligster in de kerk. Uitkijkend over de Aletschgletsjer vertellen zij, dat klassieke muziek altijd een belangrijke rol in hun leven heeft gespeeld. De muziek geeft hen troost en rust, zeker ook in tijden van verdriet.
We zien nostalgische plaatjes van het bergdorp Ernen en omdat Huib ook zo heerlijk rustig wordt van tuinieren zien we hem geheel ongedwongen in het tuintje van zomaar een Zwitser schoffelen. Natuurlijk is ook Floris achter zijn microfoon vandaan gekomen om mee te wieden.
Dan zien we even een flits van Andreas Scholl in het Stabat Mater van Vivaldi. De camera zoomt hier in op Huib en Judith. Zien we een spoor van emotie? Het verhaal over de moeder, die treurt om het verlies van haar zoon, dat raakte, dat kwam echt binnen, vertelt Judith, boven op een bankje in de bergen. De wandelstokken staan tegen de leuning, we horen het gebeier van koebellen.
Terwijl ik wacht op meer muziek zie ik dat Floris op bezoek gaat bij een Nederlandse theorbespeler, Mike Fentross. Hij studeert samen met een harpiste in het portaal van het Zwitserse kerkje voor de wijd openstaande deuren. De cameraman maakt sfeervolle beelden van het berglandschap achter de musici. Oefenen voor open kerkdeuren is heel normaal onder musici.

Dan komt het drama. Mike hoorde vlak voor het concert in Ernen, dat zijn vader overleden was. We zien beelden van houten kruisbeelden op het kerkhof. Fentross is desondanks in Zwitserland gebleven om op te treden en Kortie hangt natuurlijk aan zijn lippen om te vragen wat de muziek op dat moment voor hem betekende. De musicus antwoordt op vlakke toon, ‘dat hij het een goede ervaring vond’.
Nog een flits Vivaldi. We keren weer terug bij het echtpaar. Het verhaal van het Stabat Mater is voor hen heel herkenbaar. Zij hebben het afgelopen jaar veel verdriet gehad om een zoon.
De schouderstukken van een overhemd gladstrijkend wordt het me plotseling duidelijk waar deze uitzending over gaat. Muziek geeft troost, het echtpaar heeft verdriet, er is iets met een zoon. We groeien naar een climax toe.

Musikdorf Ernen

Aarzelend vertelt het echtpaar: er is iets, iets wat zij nooit verwacht hadden, zij waren totaal ontredderd. Hun zoon is in detentie genomen. Even denk ik nog aan een psychiatrische opname of iets met quarantaine, maar nee, het is echt waar, de zoon zit in de gevangenis. Een groot verdriet voor het echtpaar, maar een geluk voor de documentaire. Zo’n keurig, hoogopgeleid, weldenkend stel heeft een zoon die al een jaar in de bak zit. Ik strijk opeens diverse vouwen in mijn hemd.
Vivaldi is verdwenen, mijn vragen over het festival, over de groepen die er spelen, over de muziek, ik ben alles allang vergeten en wil nog maar één ding weten: wat heeft die zoon uitgevreten?
Dan zegt Floris Kortie: ‘ik hoef natuurlijk niet te weten, wat daar precies gespeeld heeft, maar ik ben wel heel benieuwd wat dat voor jullie teweeggebracht heeft’.
In het laatste beeld wandelt het echtpaar weg, ze geven elkaar geheel ongedwongen een hand. De vertrouwde wandelstokken konden zij voor dit shot even niet gebruiken.
Klassiek viert de zomer: wat een feest! 1 Minuut klassieke muziek, 24 minuten emotie.

0

HOOG BEZOEK

Dagelijks

Onze kleine stadstuin mag zich de laatste tijd in een toenemende belangstelling van diverse diersoorten verheugen.
Vogels weten altijd al onze tuin te vinden. Spinnen hebben we ook veel, heel veel. Als je een dag je fiets laat staan is ie ingekapseld in een web. En als ik in de tuin werk, wat heel soms wel eens gebeurt, dan kan ik schrikken van een glibberige, geelbruine pad die opeens onder een varen vandaan springt. Die pad is een huisvriend, hij zit er al meer dan twintig jaar. Of het is een nakomeling, ik weet niet hoe dat bij padden werkt. Ik zie er altijd maar één.
Nadat we een weekje weg waren geweest en ook onze kat Youri zoveel dagen vakantie had opgenomen, zagen we dat een van die moderne buurtkatten ons toch al niet florissante gazonnetje als poepdoos had uitgekozen. Bij onze thuiskomst lagen er zes drollen verspreid over het gras. Aan kleur en vorm was te zien, dat de verwende kat elke dag een andere delicatesse voorgeschoteld krijgt. Vanaf dat moment zijn wij dagelijks met cayennepeper en koffiedik in de weer.

Het bijenvolk in onze pruimenboom

Vorige week ontvingen we niet eerder geziene gasten. Wij hoorden op een middag een onbekend zoemend geluid. Alsof een Poolse schilder ergens een gemankeerde schuurmachine gebruikte. Of een centrifugerende wasmachine aan de wandel ging. Buiten gekomen zagen we duizenden insecten rond onze pruimenboom zoemen. Het zag zwart van de heen en weer schietende beestjes, een apocalyptische aanblik. Birds van Hitchcock in een mini-uitgave.
Geleidelijk aan vormde zich aan een van de hoogste takken een donkergekleurde kluit, een soort zak die in de boom hing. ‘Dat moet een bijenvolk zijn’, zei ik tegen G., bijna fluisterend. Ik was bang dat hard praten tot agressie van het volk zou leiden.

Nu wil het geval dat ik op een zangkoor naast een gepensioneerde bas sta, die in zijn vrije tijd imker is. Toen ik vorig jaar een keer met hem meereed heeft hij mij alles verteld over de bijtjes, over volken die zich splitsen, de oude koningin en de nieuwe koningin en de laatdunkende rol van de darren. Ik kan het niet meer navertellen, maar weet wel dat hij soms wordt gebeld als zich bijenzwerm op drift is en zich in een tuin van een argeloze burger heeft genesteld. Dan zorgt hij er op wonderbaarlijke wijze voor dat het volk in een mand verdwijnt en neemt hij de hele kluit mee.
Terwijl G. uit voorzorg alle ramen sloot, je moet er immers niet aan denken dat zo’n oude koningin per ongeluk door een bovenraam naar binnen vliegt en de duizenden onderdanen haar volgen, belde ik E., de imker. Hij kon dezelfde dag nog komen. Maar eerst moest ik nog op zoek naar een hoge ladder.
Ongeluk en tegenslagen zorgen voor verbinding, zo merkte ik op mijn rondgang in de buurt. Mijn verhaal lokte alom medeleven uit, maar pas op het tiende adres trof ik een bewoner met een uitschuifladder. Dat soort bewoners moet je koesteren.
De ladder was hoog genoeg, maar de tak waaraan het bijenvolk zich had opgehangen oogde te dun en de tak die stevig genoeg was om de ladder te dragen was te ver weg, zo zag E. direct al bij zijn aankomst. Onverrichter zake keerde hij naar huis terug.
En dus zat er voor ons niets anders op dan wachten totdat er een Mozes zou opstaan en het volk zijn biezen zou pakken. ‘Tussen twaalf en twee, dat is meestal de tijd dat ze doortrekken’, zei E. Even had ik nog de fantasie, dat die bejaarde pruimenboom zo lekker zou zijn, dat de oude koningin die tak tot haar permanente residentie zou willen maken. Misschien zouden de bijen dan ingezet kunnen worden om rondpoepende buurtkatten te weren. Maar de volgende dag, in een onbewaakt ogenblik, nog voor de klok twaalf uur geslagen had, was het volk weer vertrokken. Een dag later plaatste de Utrechtse Internet Courant bovenstaande foto van een fiets in de Loeff Berchmakerstraat.

1

DUITSLAND

Dagelijks

Wij rijden op de Autobahn en onze Ausdauer wordt flink op de proef gesteld. Op precies 470 plaatsen wordt deze zomer aan de weg gewerkt. Met de onvermijdelijke files als gevolg. Nu weet ik wel, dat het voor mijn eigen bestwil is. Volgend jaar kan ik op deze wegen weer onbekommerd doorsjezen. En elders in een file belanden.
Op één plek zijn zware machines bezig om het oude betonnen wegdek te verwijderen. Ik moet onvermijdelijk aan Adolf Hitler denken, de man die deze brede verkeersbanen heeft aangelegd, zodat zijn legers snel konden oprukken.
‘Het is een boef’,  zei een vriendje op de lagere school tegen mij, ‘hij heeft aan elke arm wel zeven horloges’. Dat kon geen zuivere koffie zijn, zoveel was duidelijk. Later bleek, dat niet alleen Hitler slecht was, maar heel Duitsland. Het was een gemeen volk, dat je moest mijden. Moffen waren het. Wij maakten grapjes: wat is de naam van Hitler in het Russisch en in het Chinees? Tijdens de voetbalfinale Engeland – Duitsland in 1966 zeiden mijn ooms: ‘Als die rotmoffen maar niet winnen’. Blijkbaar dacht de Russische scheidsrechter er ook zo over, getuige een onterecht aan Engeland toegekend doelpunt.
Op het gymnasium kreeg ik Duitse les van juffrouw de Jong, bijgenaamd Mina, een lerares van de oude stempel. Zij had een zenuwtic. Hoe onrustiger de klas , hoe meer zij op haar onderlip kauwde. Met een strak regiem stampte ze de grammatica erin, aan politieke kwesties waagde zij zich niet. Engels was voor ons de taal van de toekomst, Frans van de cultuur, Duits van een verderfelijk verleden. Wie een Duitser nadeed sprong in een militaire houding: ‘Jawohl, Herr Oberleutnant!’

Toen wij in later jaren op vakantie door Europa trokken, meden we Duitsland. Dat was een suffe, autoritaire maatschappij, waar zelfs een klein stationnetje Hauptbahnhof werd genoemd. Waar de te dikke, eigengereide bewoners in Lederhosen hun Strammer Max met grote kannen bier wegspoelden. Duitsers waren lichtsignalen gevende bumperklevers en luidruchtige toeristen. Toen wij eens op een Zweedse camping een mooi plekje aan een meer hadden, zagen wij bij terugkomst van een wandeling tot onze ontzetting dat een stel Duitsers hun bungalowtent nog net tussen die van ons en het meer gepropt hadden. Van Wiedergutmachung was geen sprake.
West-Duitsland was destijds in onze ogen de vazal van het kapitalistische Amerika. Er was een linkse studentenbeweging, maar die schoot al snel door. Anti-autoritaire opvoeders waren zelf autoritair in hun principes. Politiek verzet gleed af naar gewelddadige methoden. Oost-Duitsland kon aanvankelijk nog wel op enige sympathie rekenen totdat de verhalen over onvrijheden, Stasipraktijken en georganiseerde doping dat beeld snel verbleekten.
Toen viel de Muur.
Ik vind dit nog altijd een van de mooiste politieke ontwikkelingen die ik in mijn leven heb meegemaakt. Beelden van het weghakken van het gehate beton bezorgen me ook nu nog een brok in de keel. Voor het eerst leefden we mee met het Duitse volk.
Het beeld van Duitsland kantelde de afgelopen jaren. Positieve ontwikkelingen sijpelden door het vastgeroeste afwijzen. Het besluit de kerncentrales te sluiten. De strijd tegen doping in de sport. Het geld dat men voor cultuur over heeft. De inzet voor samenwerking in Europa. De bereidheid om vluchtelingen te ontvangen. Zelfs Angela Merkel, niet iemand van mijn politieke richting, oogt sympathiek. Op de toiletten in de Raststätten hangen nu reclames van de organisatie Deutschland Hilft.
Wel jammer trouwens van die sjoemelsoftware. En bumperkleven hebben de Duitsers ook nog niet afgeleerd.

1

HET NIEUWE INZAMELEN

Dagelijks

Al jaren brengen we papier, tuinafval en glas naar het afvalscheidingsstation. We dumpen zonder morren het plastic afval in een container in de buurt. Nu vraagt, of beter gezegd: verplicht, de gemeente Utrecht haar burgers om ook het restafval zelf af te voeren. Daartoe worden containers in de buurt geplaatst.
De gemeente heeft het Nieuwe Inzamelen goed voorbereid. Afgelopen halfjaar ontvingen wij maar liefst vier maal een Wijkbericht, waarin de plannen voor ondergrondse containers voor restafval uitgebreid werden toegelicht en onderbouwd. De communicatie met de burger is een immers een gevoelig onderwerp. De gemeente kan niets meer doen zonder raadpleging van betrokken burgers.
In dit geval bleek de plaats van de containers een onderwerp van discussie. Want ja, wie wil er een container voor zijn huis met risico op lawaai, rommel en stank? Op dit punt moesten de plannen hier en daar worden aangepast. Over de definitieve locaties moest nog worden besloten.

Als wij op 10 juli terugkeren van vakantie vinden wij een nieuw Wijkbericht. Het is zover. In onze buurt zijn de containers geplaatst. Vanaf 26 juni wordt er geen restafval meer opgehaald.  We pinken even een traan weg. Een tijdvak is afgesloten, nooit meer een grijze zak aan de rand van de stoep. Het Nieuwe Wegbrengen gaat beginnen.
In het bericht kunnen we van alles lezen over de soort containers en over afval scheiden. Eén ding is helaas niet vermeld, namelijk wààr de containers zijn geplaatst. Wie meer informatie wil  wordt verwezen naar de site van de gemeente Utrecht. ‘Daar vindt u ook de overzichtstekening van de locatie van de ondergrondse afvalcontainers’. Na enig zoeken vinden wij inderdaad een mooie kaart waar voor elke wijk en alle soorten afval staat aangegeven waar de containers staan, op één soort afval na: het restafval. Vervuld van ongeloof, lezen we alle informatie nog eens een tweede keer door, in de veronderstelling dat wìj iets over het hoofd hebben gezien. Maar nee, de locaties blijven onvindbaar.
Bij vragen kunnen we aldus het Wijkbericht contact opnemen met de projectleider. ‘Hij is elke dinsdag van 9.00 – 11.00 uur aanwezig om al uw vragen te beantwoorden’. Dat treft, we zijn juist op dinsdagmorgen aan het zoeken. Je voelt ‘em al aankomen: deze man is op de vermelde tijd in geen velden of wegen te bekennen. Wij leggen de hoorn neer en roepen vertwijfeld uit: ‘Vuilnisman, kan deze zak ook mee?’

Wat is hier misgegaan? Uit zeer nabije en betrouwbare bron weten wij dat ambtenaren goedwillende, hardwerkende en altijd drukke medewerkers zijn. Maar het lijkt erop dat er een cultuur heerst waarin drukte de verontschuldiging is voor het niet-bereikbaar zijn, het niet beantwoorden van mails e.d. Wordt er wel genoeg aan time-management en prioritering gedaan? En terwijl elke uitgave van de gemeente vier parafen nodig heeft, lijkt dit bericht zonder enige controle of double-check de deur uitgedaan.
Omdat we dit vaker meegemaakt hebben, laten we ons niet uit het veld slaan. We bellen het centrale nummer van de gemeente en worden doorverbonden met een frontofficemedewerker die alles van afvalverwerking weet. We vragen of zij voor ons de locatie kan opzoeken. De medewerker verontschuldigt zich voor het gemankeerde Wijkbericht en legt uit dat alles nog in ontwikkeling is. Als wij voor de tweede keer vragen of zíj dan tenminste kan nakijken waar wij met onze vuilniszak naar toe kunnen, moet ook zij het antwoord schuldig blijven.
Rest ons nog één vraag. Wij vinden dit wijkbericht 14 dagen na verspreiding. Zou er nu in die twee weken niemand anders uit de wijk hebben gebeld om naar  de locatie te informeren en heeft dan niemand bij de gemeente dit signaal opgepikt? Het antwoord komt snel: fietsend door de wijk zien we de containers vanzelf staan.