Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

3

DEBUUT

Dagelijks

Op zondag 9 juni 1985 stond ik ‘snachts om 01.30 uur buiten voor het Militair Hospitaal in Utrecht te wachten op een taxi. Ik was zojuist voor het eerst vader geworden. Ergens in het gebouw achter mij lag in een couveuse een wurmpje met een grote rode vlek op zijn hoofd. Het was erg stil op straat. Ik stond daar alleen. Het vaderschap drong nog niet tot mij door.
Een jaar of zeven later stond ik regelmatig op de zaterdagmorgen langs het voetbalveld. Met mij stonden er nog zo’n 10 mannen, 10 vaders, langs de lijn naar hun zoontjes te kijken. Vader zijn betekende je zoon aanmoedigen bij het voetballen. Ik voelde me toen meer vader dan ooit.
Op vrijdagavond 1 februari 2013 had ik weer zo’n vadermoment. Het was opnieuw bij een voetbalwedstrijd, nu bij het eredivisieduel RKC-Heerenveen in Waalwijk. Ik zat in een uithoek van het kleine stadion temidden van zo’n 7000 toeschouwers en een hoop lawaai.  Ik was er weer als vader. Zoon A zat als reservekeeper op de bank bij RKC.
Diep in de tweede helft bleef mijn blik hangen bij de hoge bomen die in het oosten boven de lage tribune uitrijzen.  In de luwte van het stadionlicht stonden de bomen er schitterend en sprookjesachtig bij, als een oase van rust boven de drukte op de fel belichte grasmat beneden. Op dat moment zwelde het rumoer in het stadion aan. De keeper van RKC, Jeroen Zoet, had een penalty veroorzaakt en werd met een rode kaart het veld uitgestuurd. Dat kon maar één ding betekenen. A zou zijn debuut in de eredivisie maken. Mijn hart sloeg direct een versnelling hoger.

Het duurde nog een lange tijd, eer hij in een wit-grijze outfit voor de dug-out aan de zijlijn verscheen. Hij zag er breed, lang en fors uit. Was dat mijn zoon, daar beneden in die arena vol licht en geluid? Was dit werkelijkheid? Van een afstand, in een stadion of op tv,  zien voetballers er steeds hetzelfde uit. Het zijn half anonieme mannen met gespierde benen en bezwete hoofden. Zo zag ik voetballers toen ik jong was, zo zie ik het ook nu vaak. Het lijkt soms nog steeds alsof die mannen op het veld ouder zijn dan ik. Als ik de spelers na afloop van een wedstrijd tegenkom en van dichtbij zie, zijn het opeens jonge jongens, ook al dragen ze het door de club voorgeschreven pak met stropdas.
De reservekeeper van RKC, met het rugnummer 22, zag er behalve fors, ook enigszins breekbaar uit.
Hij moest namelijk direct aan de bak voor het keren van de strafschop. Het leek alsof het lopen van de middenlijn naar het doel heel lang duurde.
Het kan mij niet heugen, dat een keeper die koud en niet-ingespeeld van de bank komt, een strafschop gestopt heeft. Bovendien was de technisch begaafde, Servisch voetballer Filip Djuricic de tegenstander in dit psychologische spel. Djuricic wachtte zo lang dat hij in een fractie van een seconde zag welke hoek A in gedachten had en schoot slim en genadeloos in de andere hoek.

Toen er weer was afgetrapt kwam bij mij weer het dubbele gevoel dat ik zo vaak heb als A een wedstrijd keept. Enerzijds hoop ik dat het spel zich niet teveel voor zijn doel afspeelt, zodat de kans klein is dat hij een doelpunt moet incasseren. Anderzijds hoop ik dat er eens een tegenstander een lekkere bal op het doel schiet, waardoor A kan laten zien wat hij kan.
De Rooms-Katholieke Combinatie ging in de laatste minuten wanhopig op zoek naar de verdiende gelijkmaker, dus Heerenveen kwam weinig in de buurt van A. Eenmaal redde hij knap door zich manmoedig voor de benen van de doorgebroken Kums te werpen. In blessuretijd kwam er toen nog onverwacht een kans om zich te onderscheiden en een plaats te verdienen in de voetbaloverzichten van dat weekend (Is dat wat vaders willen? Wil je als ouder dat je kind bereikt wat je zelf niet hebt kunnen bereiken?). Keeper A ging mee naar voren toen RKC nog een laatste corner kreeg.
Het speelde zich af bij het doel dat ver van mij vandaan was. Ik zag zijn witte shirt in een melée van 19 andere spelers. Tussen het geelblauw van RKC en het zwart van Heerenveen leek hij als een exotische vogel tussen een troep duiven en kauwen. Mijn adem stokte, toen ik zag dat de bal met een strakke boog richting het hoofd van A ging.
In zijn jonge jaren heeft A op alle posities gespeeld. Hij voelde zich heel verantwoordelijk en was overal op het veld te vinden. Ooit maakte hij 8 doelpunten tegen VVIJ. Ik heb echter nooit gezien, dat hij koppend uit een voorzet gescoord heeft.
Hij kreeg deze bal daadwerkelijk op zijn hoofd. De bal ging in de richting van het doel maar was net te hoog om onder de lat te vallen.
Na het laatste fluitsignaal schuifelde de ontevreden en mopperende massa supporters heel traag over de betonnen trappen het stadion uit. Temidden hiervan was er tenminste één toeschouwer, die nog nagloeide van  opwinding en trots, een vader.

1

FIGURANT

Dagelijks, Muziek

Van Muziekcentrum Vredenburg ontvingen we een bijzondere mail. Of we ons op wilden geven als figurant voor de opvoering van de musical de Jantjes op 2 februari in de Rode Doos.
Ik heb weinig met musicals. Ik heb Chicago gezien, toen we in 2001 in New York waren en enkele jaren geleden Les Misèrables in Rotterdam. In muzikaal opzicht is er van deze voorstellingen niets blijven hangen. Ik kan niet zeggen, dat ik me verveeld heb, maar de uitdrukking veel geschreeuw, weinig wol  dringt zich nadrukkelijk op.
Het muziekcentrum zoekt 1 mannelijke en 1 vrouwelijke figurant. Zij zullen worden ingezet als bezoeker in het café of als voorbijganger op de Oostelijke Handelskade, waar het schip met de Jantjes naar de Oost zal vertrekken. Het bericht vervolgt:  ‘De figuranten zullen geen tekst hebben, maar krijgen wel de kans om in een professionale musical op te treden en zullen daar de eeuwige roem voor krijgen. Wie wil er nou niet samen met Willeke Alberti in een voorstelling staan’.
Dat je geen tekst hebt, vind ik toch jammer. Als figurant zou ik zo graag één zin willen zeggen (‘Hé blauwe, breng je een aap voor me mee?’) of tenminste willen meeneuriën met In de Jordaan.
Kortom, genoeg redenen om de mail van het muziekcentrum te deleten.

Toch was ik meteen geïnteresseerd.
Ooit zong ik samen met kompaan Th. de liedjes uit de Jantjes in bejaardentehuizen en op feesten en partijen. Wordt nooit verliefd en Nou tabeh dan gingen er in als God’s woord in een ouderling. Met beider echtgenoten zagen we rond ’98 een voorstelling van de Jantjes in het roodpluchen Gooiland Theater in Hilversum. We zaten op de achterste rij van het balkon. Het was  voor het eerst dat ik erover dacht om een toneelkijker te kopen.
Zou het dan toch niet aardig zijn om zo’n voorstelling van achter de schermen mee te maken? Als ik wacht tot ik later groot ben, dan is mijn kans voorbij. Stel je toch eens voor dat ik naast Willeke Alberti in de coulissen zou staan! Ik zou heel zachtjes in haar oor zingen:
Spiegelbeeld, vertel eens even
Ben ik net zo oud als jij?
om daarna mezzoforte te vervolgen
‘k Ben wel jong, maar ik ben toch  
Niet zo jong meer als ik was.

Figurant word je niet zomaar. Voor deze rol moet je aan de volgende eisen voldoen:
       ‘West-europees uiterlijk
       Leeftijd: 50-65 jaar
       Normaal postuur
       Lengte: 1.70 – 1.85m’.
Jammer voor de geboggelden, dacht ik, maar dit zou wel eens mijn kans kunnen worden.
‘De figurant met de meest originele motivatie zal op 2 februari meespelen’, zo vervolgt het mailbericht. Tja, wat kan ik daarop bedenken, vroeg ik me af. Dat ik zelf de liedjes gezongen heb? Dat een docent aan de Toneelacademie Amsterdam mij ooit gezegd heeft dat zijn studenten nog heel wat van mij kunnen leren? Dat ik de pet van Ome Do kan opdoen? Dat ik 25 mensen op de been kan brengen die allemaal zullen komen kijken als ik meespeel? Het leken mij geen van alle doorslaggevende argumenten.
Ik sprak erover met G, terwijl we een linzenschotel naar binnen werkten. Ik dacht eraan, dat de figurant geen tekst heeft en ik zei: ‘ik heb ooit gedroomd, dat ik met Willeke Alberti in een musical stond en dat ik toen mijn tekst kwijt was en geen woord kon uitbrengen’.
‘Echt waar?’, vroeg G.
Die droom heb ik dus als motivatie tezamen met een recente foto naar het Muziekcentrum gestuurd. Ik was er tevreden over.
Maar ik heb er niets meer van gehoord.
Ik denk dat ik het maar eens bij de opera ga proberen. Ik begin eerst bij Mozart. Daarna zien we wel weer verder.

0

TERUGTREDEN

Dagelijks, Herinnering
Op mijn werk behoor ik al enige tijd tot de groep der boventalligen.
Boventalligheid betekent niets meer of minder dan het voorgeborchte of, moet ik zeggen, het vagevuur van de werkloosheid.
Wat het vagevuur betekent, weet ik sinds de lessen van pastoor Beutener op de lagere school maar al te goed. Ik kan de naam van de pastoor hier rustig voluit schrijven, want al heel lang geleden is deze herder zelf in de hemel terecht gekomen. Het vagevuur kon hij overslaan. Dat nemen we tenminste aan, want zekerheid hierover is er de laatste jaren niet meer.
De hel, zo hield de pastoor ons voor, daar kwam je nooit meer uit. Daar branden de vlammen eeuwigdurend. Als zou worden aangekondigd, dat na honderdduizend jaar de hel zou worden geopend, dan zou er vandaag nog  in die onderwereld een grandioos feest losbarsten, zo werd ons verzekerd.
Het vagevuur is het voorportaal voor deze eeuwige vlammen. In het vagevuur word je gestraft, daar moet je lijden, daar moet je boete doen en als je héél goed je best doet, dan kan je de hel ontlopen. Zo sprak de pastoor tot zijn gehoor van 10-jarigen.
Hij bracht zijn leer direct in de praktijk. Omdat ik achterom had zitten kijken tijdens de les, moest ik 25 strafregels schrijven. Zo kon ik laten zien, dat ik mijn best wilde doen om het vagevuur en, je durfde het niet eens uit te spreken, de hel te ontlopen.
Dit soort tuchtigingen heeft mij altijd goed geholpen, tot op de dag van vandaag. Dus doe ik heel goed mijn best om te solliciteren, om mijn profiel op tal van sites te plaatsen, mijn netwerk in te lichten, enzovoort.
De hemel verdien je echter niet zomaar. Daarvoor is inspanning vereist. Dat vraagt uithoudingsvermogen.

Sinds vanavond voel ik me  meer ontspannen  in deze strijd.
Ik bevind mij in goed gezelschap, want koningin Beatrix heeft een paar uur geleden haar abdicatie aangekondigd. Dat brengt mij terug naar donderdag 31 januari 1980.
Ik was nog geen drie maanden begonnen aan mijn eerste baan, als coördinator van het project ‘De dood – doodzwijgen?’ . Ik had een gespreksavond georganiseerd, er waren interessante sprekers uitgenodigd en er was ruimte voor uitwisseling van gedachten. De zaal aan het Willem van Noortplein was aan het begin van de avond, tot mijn eigen verbazing, tot aan de nok toe gevuld, toen de beheerder van het centrum als eerste het woord vroeg. Dat stond niet in ons draaiboek, dus ik bereidde mij voor op het ergste. Voordat we zouden worden ingewijd in de betekenis van het levenseinde in deze maatschappij en voordat we elkaar hierover diep in de ogen zouden kijken, wilde de beheerder een mededeling doen. Enkele minuten daarvoor was op radio èn op TV bekendgemaakt, dat koningin Juliana zou aftreden en dat prinses Beatrix haar zou opvolgen. Dit bericht ontlokte aan de zaal een spontaan applaus. De aanwezigen vertrouwden er onmiddellijk op, dat ook Beatrix de dood niet zou doodzwijgen (…).

Dat was aan het begin van mijn loopbaan. Nu, tegen het einde, kondigt Beatrix haar vertrek aan.
De koningin en ik hebben dus beide 33 jaar de goede zaak gediend. Wat er ook nog mag volgen, strafregels of vermanende woorden van mijn directeur daarbij inbegrepen, het lijkt mij, dat een terugtreden van mijn kant, door de verlossende toespraak van Hare Majesteit vanavond, nu meer aanvaardbaar is geworden. In ieder geval voor mijzelf.
Ik heb trouwens vorige week nog als figurant gesolliciteerd. Maar daarover een volgende keer meer.

 

 

 

 

Op verzoek een noot voor de lezer, die zich afvraagt hoe hij het beste kan reageren.
Klik hieronder op het woord opmerkingen. Vul je reactie in en zet er desgewenst je naam onder.
Vervolgens moet je achter Reageer als nog een optie aanklikken. Kies hier voor anoniem.

4

SCHRIJVEN

Dagelijks
Het vroegste schrijfsel dat ik van mijzelf heb kunnen vinden is een rijm, dat ik maakte voor de 47e verjaardag van mijn moeder. Dat was in 1960. Het staat op een groot, met bloemen gekleurd vel en is omlijst met plakplaatjes als was het een eenmalige uitgave van een poeziealbum.
 
Lieve Mama
Ik ben blij, omdat Uw jarig is
Ik heb goed voor Uw gebeden in de H. Mis
En ’t mooiste wat God heeft gegeven
Is Moeder! Dus ik verwen haar even
Ik heb een prachtig cadeau
Waarom Uw vast en zeker blij mee is
U denkt zeker bloem of een vaas,
Of wat het ook maar is. Maar dan hebt Uw mis!
Ik hoop dat Uw nog lang zult leven
Tot Uw honderdse jaar
En als Uw oud ben niet meer zult beven.

Ik was toen acht jaar oud.
Aan de neiging om een analyse los te laten op de normen en waarden, vanwaaruit ik dit rijm schreef,  of om in te gaan op de voorspellende waarde van de laatste paar regels, wil ik hier niet toegeven. Voor nu volstaat hier de constatering, met de blik van nu: ik heb er kennelijk aardigheid in gehad om voor haar iets te schrijven.

Die aardigheid had ik ook als adolescent. Ik  voerde uitgebreide correspondenties met vrienden en (vooral) vriendinnen. Later hield ik, als jonge vader, in vakantiedagboeken onze belevenissen bij. Nog voor ik de laatste punt had gezet achter het verslag van de dag, werd het schrift vaak al uit mijn handen gerukt om te lezen wat ik ervan gemaakt had. Zoals men zich in de vorige eeuw kon verdringen voor de vitrines van de dagbladen.
Nu ik wat minder in beslag genomen word door werk en kinderen, begint het weer te kriebelen. De zin om te schrijven. Schrijven is spelen met taal. Je kunt er iets moois van maken, iets mooiers in ieder geval dan ik met spreken kan. Daarom begin ik dit weblog.
Ik heb me afgevraagd, of ik mijn schrijfsels openbaar wil maken. Als ik dat doe, laat ik me dan meesleuren door de cultuur van ‘zie mij eens iets belangrijks doen’? De cultuur, waarin iedereen zijn eigen podium creert, jongeren met megalimousines worden opgehaald om als popsterren naar de disco te worden gebracht, directeuren ernaar streven om genomineerd te worden in de verkiezing van de grootste beïnvloeder in de eerstelijns zorg en mensen elkaar gedag zeggen met Succes!. Waarom niet mijn overdenkingen met pen of potlood neerschrijven in dat prachtige cahier met kleurige kaft, dat ik een jaar geleden bij een ouderwetse drukker in Weimar kocht?
 
Ik praat niet in mezelf. Ik heb niets tegen mensen die dit doen, maar ik heb er geen behoefte aan.
Ik praat tegen anderen, ik praat ook wel met de kat. Al zegt ie niets terug, hij reageert vaak wel.
Ik doe dus mijn mond open om in contact te komen en een boodschap over te brengen. Contact is toch bijna een ander woord voor leven. De ander hoeft nog niet eens te reageren. Hij kan mijn woorden ook overdenken of op zich in laten werken.
Als ik iets zeg, wil ik gehoord worden. Als ik iets schrijf wil ik gelezen worden.
De vergelijking tussen spreken en schrijven gaat natuurlijk niet helemaal op. Zo schrijf ik geen brieven aan onze kat. Schrijven en gelezen worden is een vorm van uitgesteld contact, van slow contact zoals je ook slow food hebt. Slow contact  is een vorm van onthaasting, een mooie aanvulling op live contacten.
Het plan is om een à twee keer per week een tekst te maken. Ik zal schrijven over van alles wat mij roert, bijvoorbeeld over alledaagse vreugden en irritaties, over mijn ervaringen met polsstokverspringen, over wat muziek mooi maakt,  over vreemde vogels of over Alexander Pechtold en zijn stip op de horizon. Ik doe dit vanuit een persoonlijke invalshoek. Ik schrijf omdat ik er aardigheid in heb.