Daar is hij weer eens. Veertig jaar na zijn dood is er een nieuwe documentaire, opgebouwd uit de bekende zwart-wit beelden: een man in een zwart pak, vol passie zingend in de kleine cirkel van een spotlicht, druk bewegend met zijn armen. Zijn getuite lippen ontbloten de tanden en het tandvlees en zijn gezicht druipt van het zweet. Het is de uitdrukking van een storm, van een strijd, van totale overgave aan het lied. Terwijl Brel jarenlang avond aan avond optrad, soms meermalen per dag, gaf hij zijn publiek bij elk optreden het gevoel alsof hij er nog één keer volledig voor wilde gaan.
Jacques Brel was een Franstalige Belg, die halverwege de vorige eeuw zijn burgermansbestaan in de steek liet en een enkeltje Parijs nam om zijn zelfgeschreven liedjes te laten horen. Het duurde even voor hij doorbrak met wat zijn handelsmerk zou worden: het overbrengen van emoties in alle soorten en maten. Gesteund door François Rauber als muzikaal arrangeur en drie andere uitstekende muzikanten bereikte hij rond 1960 de top van de muziekwereld.
Brel was een eigenzinnig man. Hij deed alleen wat hij zelf wilde en was wars van compromissen. Behalve aan zijn liederen bond hij zich nergens aan, niet aan vrouwen, niet aan plaatsen, niet aan geld of carrière. Op zijn 37e, op de toppen van zijn roem besloot hij om nooit meer op te treden. Zoals hij ooit zijn vrouw en jonge kinderen verliet, zo vertrok hij uit Parijs. Pas aan het einde van zijn korte leven nam hij nog eenmaal een plaat op. Het zijn dramatische liederen, gezongen met een stem aangetast door de vier pakjes sigaretten per dag.

Ik ben al jaren Brel-fan. De muziek is prachtig en zijn teksten gaan over de ware dingen in het leven: liefde, vriendschap, haat en nijd, aftakeling en afscheid.
Maar boven alles is het de muziek die mij direct terugbrengt naar mijn jeugd, naar de tijd, dat ik muzikaal ontwaakte uit de kinderversjes en Marialiedjes. We hadden één singletje thuis, met Madeleine op de ene kant en Bruxelles op de andere kant. Al verstond ik er geen jota van, ik voelde dat deze liederen over zaken gaan die er toe doen. Het was de eerste muziek waar ik ondersteboven van was. Bovendien, wie Franse muziek mooi vond, telde in die tijd mee. Brel opende voor mij, nog voor het tijdperk van de beatmuziek, de wereld van het populaire lied.
Ik leerde nog veel meer van hem kennen. ‘Oh mon amour, mon douce, mon tendre, mon merveilleux amour’. Zonder te oefenen ken ik stukken tekst uit mijn hoofd. Zijn uitspraak van het Nederlands (zonder liefde, oewarme liefde, oeweent de zee, de ghrijze zee) zit net als zijn timing vastgebeiteld in mijn hoofd.
Uit de tijd, dat ik een beetje piano speelde, heb ik de akkoorden van het lied Amsterdam overgehouden en een enkele keer als niemand luistert begeleid ik mijzelf nog wel eens stuntelig: ‘Dans le port d’Amsterdam, y-a des marins, qui boivent’.
Dus als er om de zoveel tijd weer een documentaire over Brel op tv komt, dan kijk ik. Al heb ik alle beelden al meermalen gezien, hij pakt me telkens weer. Hij brengt me telkens weer terug.