Schrijven, Lezen, Leven.
0

CULTUUR IN FRIESLAND

Reizen

De winter was vergangen, maar de lente nog niet begonnen. In dit onbestemde intermezzo bezochten wij tijdens de paasdagen Leeuwarden. Pardon? Ja, de hoofdstad van Friesland is in 2018 de Culturele Hoofdstad van Europa. Provincie en stad zijn vooral bekend vanwege sportieve activiteiten als varen, wandelen en schaatsen. Nu wil men aan de verwachte vier miljoen bezoekers laten zien, dat stad en provincie ook op het gebied van cultuur veel te bieden hebben: cultureel erfgoed èn moderne kunst.

Toren de Oldenhove, Leeuwarden. Foto: Tryater.

Een koude wind blaast ons over de grachten en door de straatjes, langs het stadhouderlijk paleis en eeuwenoude gestichten, langs talloze creatieve werkplaatsen, kleine musea en muren met graffiti. We komen uit bij het stoere Fries Museum, waarvan het dak op poten als zeilmasten staat. Hier leren we alles over terpen en dijken en over de wereldstad die Hindeloopen ooit is geweest en die leidde tot het fenomeen Hindelooper kamer, een attractie die eind negentiende eeuw op alle wereldtentoonstellingen stond.
De tijdelijke tentoonstelling Art beyond Escher toont een aantal reusachtige eigentijdse kunstwerken, waarin niets is wat het lijkt. Combinaties van grafische vormgeving, teksten en video’s gaan met onze hersens op de loop. Het zijn vreemde werken ontsproten uit een origineel idee. Vanaf eind april is er een tentoonstelling over Escher zelf.
De moderne kunst moet het in belangstelling verreweg afleggen tegen de expositie over die andere beroemde inwoner van Leeuwarden: mevrouw Margaretha Zelle, beter bekend als Mata Hari. Deze tentoonstelling over een ongelukkig leven beleefde op 2 april haar laatste dag.
We lopen buiten verder langs opgestapelde en samengebonden terrasstoelen. We zijn met velen. Op elke straathoek staat wel iemand gebogen over het kaartje met evenementen. Grijze haren verwaaien onder de grijze lucht, de blikken omhoog gericht naar de oude gevels.

De Blokhuispoort

De Blokhuispoort, een immens negentiende eeuws gevangeniscomplex, is sinds tien jaar omgevormd tot een verzamelgebouw voor, jawel, creatieve bedrijfjes, funshops en horecagelegenheden met namen als de Bak en het Proefverlof. Ook dit gewezen leed van de ander mag zich in een grote belangstelling verheugen.
Was de criminaliteit in deze streken even groot als dit cellencomplex? Ik lees wel eens over een vechtpartij in de straten van Leeuwarden en bij veel cafés zie ik buiten een bord met de waarschuwing: ‘Agressie is hier niet toegestaan’. Naast de stadse rauwdauwers zijn er de gelovige, vrome boeren die onverwachts uit hun slof kunnen schieten. En hoeveel gehuchten in deze noordelijke streken kennen niet die eerzame huisvader, die in een vlaag van opvliegendheid de vrouw de nek om draait en het lijk in stukken in de tuin begraaft?
Er heerste en er heerst nogal wat armoe in de culturele hoofdstad van Europa. Het is niet voor niets, dat we hier naast de stamboekkoe en het Friese paard Troelstra en Vondeling op een sokkel tegenkomen en dat de PvdA in de Leeuwardense gemeenteraad verreweg de grootste partij is. De PvdA heeft ervoor gezorgd dat er ook voor mensen die nooit naar een museum gaan iets te beleven valt.
In een park met kale bomen en sneeuwklokjes dagen roze objecten ons uit om interactief met taal bezig te zijn. Ik ben een liefhebber, maar deze vormen spreken me niet aan. Mijn aandacht wordt getrokken door het etablissement De koperen tuin, in de buurt waarvan zich het gelijknamige boek van Simon Vestdijk afspeelde. Wat heb ik als middelbare scholier niet meegetreurd met hoofdpersoon Nol en zijn onmogelijke liefde.
Leeuwarden stelt zich in veel gedaanten ten toon. Oanbefelle.

1

STROMENDE ZINNEN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (14)

Ik lig met mijn ogen dicht op een deken. Rondom mij is een zaal waar meer mensen liggen. Ik ben geheel ontspannen. Mijn buik beweegt zachtjes mee met mijn adem. Dan hoor ik klassieke muziek: langgerekte tonen van strijkers gevolgd door wonderschone, tedere pianoklanken. Ik ben totaal gelukkig, er is niets meer dat mij hindert. Ik voel mij bevrijd van elke spanning en angst, ik kan de hele wereld aan.

Alle spanning vanwege mijn idealen over maatschappijverandering, al mijn twijfels over mijn studie en mijn relaties en alle onzekerheden over mijzelf balden zich samen in mijn spraakgebrek. Het monster, dat mij in zijn greep had, weerhield mij van een gelukkig leven.
Telefoneren vermeed ik. Een brood kopen was een opgave, een retourtje bestellen een lijdensweg. Ik focuste uitsluitend op blokkades en pijnigde vergeefs mijn hersens met analyses van oorzaken. Zo raakte ik steeds dieper in de put.
Op televisie zag ik succesverhalen van de behandeling volgens de Doetinchemse Methode. Die was gebaseerd op acceptatie van je stotteren. Dat wilde ik niet. Daarom zocht ik stad en land af naar een therapie die mij, het liefst in korte tijd, van mijn monster kon bevrijden. Na een paar jaar speuren zonder succes klopte ik toch maar in Doetinchem aan.

Met een groep van twintig stotteraars zijn wij een week lang in afzondering bij elkaar. Door middel van adem- en ontspanningsoefeningen proberen we een nieuwe manier van spreken op te bouwen, in een laag tempo, soms maar één woord op een adem. We pakken de vermijding aan door opzettelijk te stotteren.
‘Ja, ik ben een stotteraar’, luidt de eerste zin in het begeleidend oefenboek. En ook: ‘ik ben, zoals ik ben, goed genoeg’. Het is in deze groep van lotgenoten niet erg om fouten te maken.
Mijn angsten vallen weg. Ongeduldig wacht ik tot ik een spreekbeurt mag houden voor de hele groep. De zinnen stromen vloeiend uit mijn keel. Ik wil nog heel lang doorpraten en genieten, maar al snel is de volgende aan de beurt.
We oefenen eindeloos met elkaar en daarna gaan we naar buiten om opzettelijk stotterend de weg te vragen. Of om een Rolletje Redband Drop te kopen op spreektechniek.
De twee behandelende logopedisten verklaren dat de vermijding de angst in stand houdt en hoe een positieve situatie voorbereiding behulpzaam kan zijn. Die uitleg komt mij wat te simpel over, ik plaats er kanttekeningen bij. Als we in de groep elkaar feedback geven komen mijn opmerkingen als een boemerang terug: ik reageer volgens de anderen te verstandelijk, ben te kritisch, te drammerig. Ik zou mijn gevoelens meer moeten uiten, meer tevreden moeten zijn, vooral met mijzelf. Enkele vrouwen prikken door mijn façade heen en laten een zwak voor mij blijken.

Na vier van dit soort weken word ik weer losgelaten in de maatschappij van vloeiende sprekers en normaal spreektempo. Ik zit vol met positieve ervaringen en loop over van de goede voornemens. In mijn schriften staan de oefeningen en de aanwijzingen om de negatieve cirkel te doorbreken. De uitdaging wacht.

N.B. De muziek waarnaar in de eerste alinea van dit stuk wordt verwezen is het Andante uit het 12e pianoconcert van W.A. Mozart (KV 414).

0

DE MAAND VAN ….

In het nieuws

foto’s: www.maandvandeleukeseks.nl

Het was mij eerlijk gezegd nog niet opgevallen. Terwijl het onderwerp toch van groot belang is en het ook mìjn warme belangstelling heeft.
Het is op dit moment de maand van de leuke seks.
Het zal wel mijn opvoeding zijn, die ervoor zorgt dat mijn haren direct overeind gaan staan bij dit initiatief. Dat werkt natuurlijk contraproductief, want voor leuke seks heeft het geen nut als je haren overeind komen. De weerstand zit ‘em in het woord leuk, het meest uitgeholde woord in de Nederlandse taal. En dan moeten we ook nog eens een maand lang leuk doen.
Ik besluit maar eens te kijken op de website.

Een landelijk platform van seksuologen, docenten en pedagogen vindt dat door alle publiciteit over de negatieve kanten van seks het nu wel eens tijd wordt om, met name voor ouders en kinderen, de leuke kanten van de seks te belichten. Op tal van plaatsen worden daarom lezingen en workshops georganiseerd: een congres Praten over Seks, de vertoning van de film ’69: liefde, seks, senior’, een workshop Adem je vrij voor vrouwen, een avond over daten voor mensen met een verstandelijke beperking.
Zalig zijn de meisje die in Amersfoort en omgeving wonen, want zij kunnen deelnemen aan een workshop Handjob. ‘We oefenen met voldoende glijmiddel op felgekleurde dildo’s. Na afloop ontvang je een diploma’, zo lees ik op de site. Nuttige handwerken voor meisjes, dat klinkt mij bekend in de oren.
Tijdens de avond is ook Nynke Vingerhoed (what’s in a name) aanwezig. Zij is van Ilvy, het online platform dat ‘zorgt voor je dagelijkse dosis gezonde seks’. Jammer genoeg ontbreekt een workshop voor jongens die een job te doen hebben met de voorbips, zoals van Kooten en de Bie het vrouwelijk deel noemden.

Ik ben weer even terug in 1980, bij mijn eerste baan als preventiewerker bij Buro Voorlichting en Vorming. Vanzelfsprekend stond ook de seksuele voorlichting op het programma. We trokken er met een koffertje vol gebruiksartikelen op uit om op aanschouwelijke wijze uitleg te geven aan werkende jongeren, priesterstudenten, geestelijk gehandicapten en jonge plattelandsvrouwen. Het ultieme doel was niet de techniek, maar de bewustwording, het verkrijgen van inzicht in wat je zelf het fijnste vindt. Als dit inzicht tenminste paste binnen onze normen van wat fijn behoorde te zijn. ‘Daar moet een piemel in’ werd toen nog niet gezongen, maar jonge macho’s zorgden nog wel eens voor problemen tijdens de oefeningen in bewustwording.
We discussieerden onderling over de termen om de geslachtsdelen aan te duiden. Want al zijn er in het woordenboek weinig woorden waar zoveel alternatieven bij staan, tussen medische taal en schuttingtaal is er niet veel. De Belgen waren daar toen al veel beter in, getuige dit advies van een Vlaamse voorlichter in de Sekstant: ‘Draag altijd een plastieken band om uwen pint’.

Sinds 1980 is er al veel gevormd en voorgelicht. Is aandacht voor de positieve kanten van seks nog nodig? Eigenlijk hoef ik niet lang over een antwoord te denken. Ja, dat is nodig. Er gaat nog steeds van alles mis. Grappen maken over seks is een stuk gemakkelijker dan praten voor seks, zo moet ik hier eerlijk bekennen. Dat los je niet in één generatie op. Daar is meer voor nodig dan een maand van de vleselijke gemeenschap.

 

0

HAD IK MAAR

Dagelijks

Ze is halverwege de zestig. Haar hele leven bestond uit zorgen, zorgen en nog eens zorgen. Ze had naar de toneelschool gewild, maar dat mocht niet van haar ouders. Het werd een saai baantje in het onderwijs. En nu speelt ze vol overgave toneel.
In het tv-programma Kruispunt kwamen ouderen aan het woord die terugkijken op hun leven. Stel je mocht het leven over doen, zou je het dan anders doen, was de vraag. In een onderzoek onder 1700 ouderen bleek dat meer dan de helft van de ondervraagden zijn leven anders zou inrichten. Het meest genoemde punt van spijt betrof de opleiding. Veel ouderen van nu mochten vroeger niet studeren, ze moesten geld verdienen. Of hun ouders stuurden hen naar een andere opleiding dan zij zelf wilden.
En nu, in de herfst van hun leven, zeggen ze: ‘Had ik maar…’

Als je een trein te laat genomen hebt of als de kapper teveel heeft afgeknipt, dan is het leed te overzien. Het wordt al erger als je een huis gekocht hebt, wat toch niet bevalt. Maar zelfs die keus zou je nog kunnen repareren. Maar als je je hele leven werk gedaan hebt, wat je eigenlijk niet wilde. Of als je decennia lang je ziel en zaligheid hebt opgeofferd voor de PvdA. Tja, wat moet je dan?
Ik weet niet wat bij mij overheerst bij het zien van deze documentaire: de bewondering om het lef waarmee de mensen hun spijt onder woorden brengen of het meeleven met de pijn, die zij hierbij voelen.
Of raakt de documentaire mij, omdat ik geconfronteerd wordt met mijn eigen keuzes?
Aan het einde van de middelbare school twijfelde ik tussen geschiedenis, mijn beste vak, en psychologie. Het werd het laatste. Als ik nu in het jaar van mijn pensionering zie met welke hartstocht ik met zingen en schrijven bezig ben en hoe graag ik met mijn neus in de historische archieven zit, kan ook ik me afvragen of ik andere keuzes zou maken, als ik het leven over mocht doen. Heb ik de juiste richting gekozen? Heb ik mijn talenten voldoende benut?
Deze vragen roepen tegenstrijdige gedachten op. Er schuurt iets in het brein. Psychologen noemen dat cognitieve dissonantie. En net als in de muziek wil je dat de dissonanten oplossen. Daarom komen er in mijn hoofd direct argumenten op, die mijn keuzes ondersteunen: ik heb een mooie loopbaan gehad, met fijne collega’s en met de ruimte om naast het werk een dag voor mijn kinderen te zorgen. Daarnaast had ik de tijd en energie om cabaret te maken en te zingen.
Probleem opgelost. Of niet?

Het zijn confronterende vragen. Want wat doe je als je moet bekennen, dat je eigenlijk liever iets anders had willen doen. Als je ouders de keuze voor jou gemaakt hebben, kan je hen nog de schuld geven. Maar als je zelf hebt kunnen kiezen?
Veel opties om dit conflict op te lossen zijn er niet. Je kunt alsnog proberen om iets in te halen wat je gemist hebt, zoals de vrouw die nu toneel speelt. Of je kunt erin berusten, zoals een aantal ouderen uit de documentaire: ‘het is zo gelopen, zoals het is’.

 

1

JANNIE

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (13)

Ze staat te wachten op het stationsplein in Arnhem. Ze is klein en heeft blond haar. We kussen zonder elkaar aan te kijken. Het voelt vreemd naast haar in de bus naar Malburgen Oost. We lijken onbekenden van elkaar. Jannie is stil. Ik kijk uit het raam en vraag me af hoe ik het ijs kan breken. We stappen uit bij de flat, waar ze samen met haar zus woont.
‘Die is nu een weekendje met haar vriend weg’, zegt ze vlak.

Twee weken daarvoor was ik in het aksiesentrum De Kargadoor in Utrecht. Er was een congres van basisgroepen over de organisatie van de klassenstrijd. Leden van uiterst linkse splinters uit het hele land discussieerden een weekendlang over de eenheid in de strijd. Gesjeesde studenten in werkmanskloffies betwistten elkaar de juiste interpretatie van de geschriften van Marx, Lenin en Mao. Tussen de langharige, shagjes draaiende kamergeleerden liep een aantal werkende jongeren uit Arnhem. In de discussiegroep over het revisionisme binnen de arbeidersbeweging zat een van hen, een klein blond meisje, tegenover mij. Zij zei niets. Ik zei ook niets. Ik pijnigde mijn hersens over een zinvolle bijdrage aan de discussie.
Die avond was er voor de congresgangers een spetterend feest. De Nijmeegse aktieband Kladderadatsch speelde onaangepaste muziek met teksten over werkloosheid, woningnood en kernenergie. Opeens zag ik, een paar meter bij mij vandaan, het kleine, blonde meisje staan. Zij stond alleen, ik stond alleen. We keken elkaar aan en pats! Daar was de hunkering, de gedeelde hartstocht, het samenzijn dat geen woorden nodig heeft. Twee magneten die elkaar niet kunnen ontlopen. We verlieten al snel de herrie en gingen naar mijn kamer.
‘Wat een boeken heb jij’, zei Jannie vol bewondering.

Nu zitten we naast elkaar op haar bed. Aan de wand van haar meisjeskamer hangt een poster van Rod Stewart. Op een kastje staan een paar knuffels. Muziek van Queen voorkomt de stilte. Ik voel me nog niet op mijn gemak. Jannie kijkt me af en toe even snel aan, haar blik heeft iets kinderlijk ondeugends. Het avondrood valt de kamer binnen. Ik heb trek. Ik zit te wachten op het moment dat Jannie naar de keuken gaat om te koken. Zal ik haar aanbieden om te helpen?
‘Zullen we er maar in gaan liggen?’, vraagt Jannie onverwachts. Nu al?, schiet er door mij heen. Ik heb meer zin in eten, maar dat zeg ik niet. Jannie houdt van doorwerken. We trekken onze kleren uit en kruipen onder de deken. In een mum van tijd is het voorbij.
‘Ben je klaar?’, vraagt Jannie, op een toon alsof ik de boontjes aan het haren ben. Zonder het antwoord af te wachten stapt ze uit bed, vist haar slipje bij het voeteneind vandaan en veegt daarmee wat vlekken weg. Onderweg naar de douche gooit ze het slipje direct in de wasmachine.

De volgende ochtend maakt Jannie zonder te praten een ontbijt. Wel vraagt ze tweemaal of ik genoeg heb. Of ik nog ontbijtkoek wil. Of de thee smaakt.
Het is nog vroeg op de zondagmorgen als we over de dijk langs de Rijn wandelen.  In de verte klinkt het gebeier van kerkklokken.
‘Ik vond dat congres vreselijk’, zegt Jannie, ‘al dat moeilijke gepraat, al die gestudeerde types’.
‘Ik ben toch ook zo’n gestudeerd type’.
‘Nee, maar jij was… jij bent, ja…’. Jannie draait zich naar me toe: ‘..ja, ..anders’.
We omarmen elkaar. Midden op de Rijndijk is de intimiteit voor even terug. Maar tegelijkertijd dringt bij mij het besef door, dat – als de trein mij straks weer naar Utrecht heeft gebracht – ik nooit meer terug zal keren.

 

0

HET SMACHTEND WACHTEN

Dagelijks

 

Ach we hadden er zo naar uitgekeken. Zoals zo vaak gebeurd is de afgelopen jaren. Het was een ongekende vlaag van collectieve hartstocht. Een dwangmatig verlangen, dat massa’s mensen onrustig maakte. Dat de arbeidsproductiviteit substantieel deed dalen.
De Sehnsucht werd nog eens aangewakkerd door alle sociale en a-sociale media. Statistieken over ijsgroei en ijsdiktes. Mogelijke schaatslocaties. Aanbevelingen voor een veilige tocht.
Trouw zou Trouw niet zijn als het niet twee filosofen van stal had gehaald om hun licht over dit deel van de oer-Hollandse identiteit te laten schijnen. ‘In het niet-maakbare van het schaatsen op natuurijs zit iets transcendents’, zo lazen we. Het is het Carnaval van het Noorden, op de ijsbaan is iedereen gelijk. Gelet op het afzien in de kou en het meters maken, werd het schaatsen als een protestante bezigheid betiteld.
Ik overwoog een ingezonden brief.

We hadden er eigenlijk al niet meer op gerekend, maart kwam er al aan. De zon scheen weer fel. Maar toen kwam de Siberische beer om de hoek kijken. Die zou de zon een poepie laten ruiken. Hij is al even invloedrijk als zijn baasje Vladimir P.
Elke dag van de afgelopen week stond ik klaar om te gaan. Ik volgde de berichten van uur tot uur. Het werd dinsdag. In de provincie Utrecht staan het Leersumse Veld en de Molenpolder al jarenlang bovenaan de lijst van locaties waar al vroeg geschaatst kan worden. Nu las ik berichten over hoeveel mensen er per uur door het ijs heen gingen. En van baantjes van 40 x 75 meter ontdooi ik niet.
Jos Werkhoven, van het weerstation De Arend in Kortenhoef, steun en toeverlaat voor iedereen tussen Amsterdam en Utrecht die het ijs mint, had vorige week nog een juichend bericht de wereld ingestuurd: het is niet de vraag, òf we kunnen gaan schaatsen, maar op welke dàg. Op woensdag laat Jos in de Volkskrant weten, dat hij het niet meer ziet zitten. Dit soort bijzondere omstandigheden heeft hij nog nooit van zijn leven meegemaakt, zegt hij mismoedig.
Het werd donderdag. Wie het erop wilde wagen, moest niet alleen een nat pak riskeren, maar ook de straffe oostenwind weerstaan. Trotseren was hèt woord in de media. Zou het toch de katholiek zijn, die binnen bleef?

Eergisteren is het er toch nog van gekomen. Ik had mij flink ingepakt. Beschermende kleding in diverse lagen. Hoezen voor mijn schaatsen. Het vetleren buideltje ter bescherming van de edele delen, de ph, mannelijk pendant van de bh, had ik toch maar thuis gelaten. Het was tenslotte geen Elfstedentocht.
Mijn schaatsen had ik verwarmd boven de kachel, zoals we dat vroeger deden. Een beter bewijs van de stelling dat je gedrag bepaald wordt door de ervaringen in je jeugd is er niet. Daarom ook ontbraken de priem, het fluitje en het lange touw in de uitrusting. Mijn telefoon had ik nog wel in een plastic zakje geborgen.
Met mijn broer schaatste ik door de Molenpolder. Aanvankelijk nog wat wankelend tornden we tegen de wind op, soms bijna vallend door de scheuren of het vuil op het ijs. Bij onze aankomst hadden we als waarschuwing een ambulance zien staan. De traumahelikopter bleef achter de hand.
Zelf gevorderd van leeftijd memoreerden wij onze opa, die tot op hoge leeftijd de schaatsen onderbond, en diens broer, ome Kees. Op zijn 73ste schaatste deze over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag twee maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis. Uit dit “oord der ellende” stuurde hij vrolijke brieven naar de familie. Niet alleen het schaatsen, ook het schrijven zit in onze genen.
We hebben het overleefd. We kunnen het vertellen aan onze kleinkinderen, nee niet later, maar nù. Opa was erbij die barre dag in maart. Hij scheerde langs een wak en schaatste op zijn klappers iedereen voorbij.

1

ORLINSKI

Muziek

Jakub Józef Orlinski

Op deze plaats heb ik al vaker geschreven over de verschillen tussen alten en countertenoren. En daarbij niet onder stoelen of banken gestoken dat countertenoren een prachtige beheersing hebben van de stem, maar dat er toch niets gaat boven een mooie alt (om te horen, zal ik er hier maar aan toevoegen, want het ijs is snel glad als mannen iets over vrouwen zeggen).
Een altstem vind ik mooier, omdat deze een donkerder timbre heeft en meer warmte. De stem van een alt klinkt natuurlijker en minder gekunsteld.
Echter, ik moet mijn standpunt een beetje nuanceren. Ik heb een contratenor ontdekt met een mooie, warme stem: Jakub Józef Orlinski, een jonge Poolse countertenor, geboren in 1990. Hij studeert momenteel aan de Juilliard School, een conservatorium in New York en verovert in hoog tempo de podia in Europa en de Verenigde Staten.
Ik hoorde Orlinski anderhalf jaar geleden in Utrecht, waar hij één aria mocht zingen tijdens een concert van het ensemble L’Arpeggiata. Pas onlangs heb ik hem via YouTube verder leren kennen.
In onderstaande opname, duur 5:40, zingt Orlinski Vedro con mio diletto, een liefdesaria uit de opera Giustino van Vivaldi. Wie niet afgeleid wil worden door de bijzondere zomerse omstandigheden van deze uitvoering, kan beter zijn ogen even dichtdoen.


Hier hoor ik niet alleen een prachtig, warm geluid, maar ook een mooie expressie en een uitstekende beheersing van de stem. Vergelijk deze stem bijvoorbeeld eens met die van de bekende en aanbeden Philippe Jaroussky. Op YouTube is ook van hem ook een opname van Vedro con mio diletto te beluisteren.
Het moet gezegd, de muziek van Vivaldi helpt mee bij mijn waardering. Het is een heerlijk dramatisch lied, dat, onlangs wandelend over de dorre heideheuvels van de Posbank, niet uit mijn hoofd te bannen was.
Dat Orlinski ook de snelle loopjes beheerst, mag blijken uit de opname, duur 2:30, van Fara la mia spada, ook een aria van Vivaldi. Let op de ogen van Jakub. Hij wordt begeleid door een leuk stel jonge musici.

Wat moet die jongen nog leren op het conservatorium, zou je bijna denken, als je hem hoort zingen. Maar wij toeschouwers zien alleen het eindresultaat en niet al het geoefen en geploeter, dat een professionele zanger dagelijks doet en zijn hele leven lang blijft doen om op hoog niveau te kunnen zingen.
Niet alleen Vivaldi’s muziek helpt mee, ook de verschijning van Jakub Józef. (Ik besef, nu ik dit schrijf, dat ik het ijs minder glad vind, als het over het uiterlijk van mannen gaat). Orlinski is een mooie jongen. Dat vinden ook bekende merken als Levi’s, Nike en Samsung, die hem voor reclamecampagnes hebben ingeschakeld. Zelfs zijn naam is mooi, om met Henk Westbroek te spreken.
Nog een bijzonderheid, is dat Orlinski een uitstekende breakdancer is. Ook in die tak van sport heeft hij diverse prijzen binnengesleept. Na het concert van L’Arpeggiata, het ensemble, dat een naam hoog te houden heeft in verrassende toegiften, mocht Jakub anderhalf jaar geleden in TivoliVredenburg een stukje breakdance laten zien.
Orlinski dus. Onthoud die naam.

0

ACTIE-ONDERZOEK

Herinnering

Serie Studeren in de jaren ’70 (12)

Een samenvatting van de eerste elf stukken in deze serie:
Geïnteresseerd in de mentale kant van topsport begon ik in september 1970 met de studie psychologie. Direct in het eerste jaar raakte ik in de ban van het onrecht in de wereld: de armoede in ontwikkelingslanden, de uitbuiting van arbeiders. Ik dook in de marxistische literatuur en werd actief in de studentenoppositie. Ondertussen studeerde ik op mijn kamertje in de studentenflat braaf voor de tentamens fysiologie en persoonlijkheidsleer. Mijn kandidaatsexamen behaalde ik met lof, maar de verandering van de maatschappij vond ik veel belangrijker dan mijn studie. Na een jaar werken in de bouw vond ik nieuwe inspiratie bij de Vakgroep Vorming en Aktivering: wetenschap in dienst van de klassenstrijd.

Daalderop, foto: Michel van Berkum

Ik participeer in een onderzoek naar het bedrijvenwerk van de katholieke vakbond NKV bij metaalfabriek Daalderop in Tiel, bekend van de boilers. Het oorspronkelijke familiebedrijf was enkele jaren daarvoor overgenomen door Internatio-Müller, een multinational. Er is sprake van reorganisaties en inkrimping. De werksfeer is matig, de directie doet een proef met de invoering van werkoverleg. Het NKV, op zijn beurt, kampt bij Daalderop met een gebrek aan animo onder de leden.
Onze projectgroep, bestaande uit 7 studenten en een wetenschappelijk medewerker, krijgt opdracht van de bond om een onderzoek uit te voeren naar verbeteringen in het bondswerk en de standpunten over het werkoverleg.
Wij hebben onze doelstellingen uitgebreid beschreven en degelijke Duitstalige literatuur doorgenomen over Das Bewusstsein der Arbeiter en Arbeiterräte in der Novemberrevolution. Ons doel is de politisering en activering van de metaalarbeiders. Daartoe hebben we een informatieve brochure samengesteld (zie de cartoon, hieronder).
Zo zit ik op een avond met een lange vragenlijst aan tafel bij een van de oudere bondsleden, een kalende man die ik in het bedrijf in een grijze stofjas zag en die mij nu in geruit colbert met stropdas ontvangt. Mijn notablok ligt naast het biedermeier koffiekopje op het hoogpolige tafelkleed. De Friese staartklok tikt de minuten weg, de kanariepiet naast de Dru-gashaard laat af en toe van zich horen.
Mijn gesprekspartner geeft korte antwoorden, mijn bloknoot blijft akelig leeg. Al na een half uur zijn we al door alle vragen heen. Van dit bondslid hoef ik geen revolutie te verwachten. Of ben ik tekort geschoten in mijn activerende taak?

Wij moeten onze hooggespannen verwachtingen bijstellen. Er zijn maar weinig werknemers die willen meewerken aan het onderzoek. Meer dan de helft van de geïnterviewden is niet op de hoogte van het bestaan van het werkoverleg. De leden van het NKV weten niet wie hun kaderleden zijn.
Er is in de verste verte geen teken van radicalisering of verzet te bespeuren. Desondanks blijf ik vasthouden aan de idealen van de revolutie. Zo ben ik opgegroeid. De hemel uit mijn katholieke jeugd is weliswaar vervangen door de socialistische heilstaat, maar voor het overige zijn er opvallende parallellen tussen het katholicisme en het socialisme: het opkomen voor de minder bedeelden, de opoffering, het zieltjes winnen, de oppervlakkige zekerheden van het ware geloof.
Ik blijf geloven. Nog even.

Wil je de voorgaande stukken in deze serie lezen, klik dan in de rechterkolom onder Thema’s op Studeren jaren ’70.

3

DE NIEUWBOUW

Herinnering

 

Het huis midden op de foto is mijn ouderlijk huis. Het lag tussen de weilanden en boomgaarden, als laatste huis aan de onverharde Hamweg in Vleuten. De foto is genomen in de vijftiger jaren.
Mijn opa Ekelschot heeft het huis in 1919 laten bouwen door zijn oudste zoon Dirk. Opa had een klein boerenbedrijfje. Links van het huis zie je nog de kippenschuur. In mijn jeugd was deze gepromoveerd tot kolenhok. Achter het huis lag de grote schuur waar mijn opa enkele koeien en varkens hield. Mijn ouders namen in 1950 het huis voor 11.000 gulden over.
Naast ons woonde in mijn jonge jaren de familie van der Horst, een gezin met veel kinderen en, zo te zien, een hoop witte was. Achter dit huis zie je een stuk van de Molenvliet, die uitkwam op de Vleutense Wetering.
In deze wereld van bessenbomen, brandnetels en pispotjes, zonder enig verkeer en zonder lawaai, ben ik opgegroeid. We speelden verstoppertje, sprongen over slootjes met kroos, plakten het kleefkruid op elkaars kleren en haren en maakten boomhutten in de knotwilgen langs de Hamweg. Vandaar keken we uit over de weilanden en de spoorlijn Utrecht – Woerden. Als er goederentreinen langskwamen telden we het aantal wagons. Dat waren er soms wel zeventig.

Begin zestiger jaren vonden burgemeester en wethouders, dat het dorp Vleuten in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden. Monumentale boerderijen en andere oude huizen in de kern van het dorp werden gesloopt. Weilanden moesten bouwrijp worden gemaakt voor de bouw van nieuwe woonwijken. Bezwaar maken was er in die tijd niet bij.
Als eerste verdwenen bij ons huis de Molenvliet en het land  aan de rechterkant van dit water (uiterst rechts op de foto). Hier werd de Hamwijk gebouwd (foto hieronder, ik zit voor op de fiets, het huis van onze buren is inmiddels wit geschilderd).
Een paar jaar later werden de knotwilgen langs de Hamweg gerooid en verschenen er draglines in de weilanden voor ons huis. Op gepaste afstand stonden wij te kijken hoe zo’n gevaarte met zijn ijzeren bak aan rammelende kettingen enorme hoeveelheden grond verplaatste. Slootjes werden dichtgegooid en grondwater werd weggepompt. Er hing tijdenlang een geur van natte klei. Over deze aarden vlakte werd een ruitwerk van geasfalteerde wegen aangelegd. Dat waren voor ons uitstekende rolschaatsbanen. Mijn broer heeft er in het Dafje van mijn vader leren autorijden.
Toen er huizen werden gebouwd speelden we op de steigers.
In een bouwkeet zagen mijn vriendje en ik foto’s van halfnaakte vrouwen hangen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. ’s Avonds probeerden we met een stok via een openstaand luikje een van de dames aan de haak te slaan. Juist toen dat leek te gaan lukken werden we gestoord door de bewaker, een gepensioneerde metselaar die op zijn Mobylette door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen. ‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’ Mijn vriendje vroeg nog of we wel op het opgedroogde werk mochten spelen.

Vleuten dijde steeds verder uit. Als slotstuk werd eind zestiger jaren de boomgaard links op de bovenste foto omgetoverd in een villawijkje. We woonden niet meer aan een doodlopende weg. Verdwenen waren de weilanden en boomgaarden. Ons huis was het laatste huis niet meer. In minder dan tien jaar tijd waren we ingebouwd. Vleuten was meegegaan met zijn tijd.
Het zou toen niet lang meer duren of ik zou het ouderlijk huis verlaten om voor mijn studie in het dichtbevolkte Utrecht te gaan wonen. Daar woon ik nu nog. Ik verlang er regelmatig naar een rustige, groene omgeving waar ik kan uitkijken over de velden en waar ik de kikkers kan horen kwaken.

3

EEN DAG IN DE TREIN

Reizen

In zestien uur lieten we ons in een geleidelijke overgang meevoeren van de alpiene sneeuw naar de Hollandse winter van regen en wind, van de grillige bergen naar de geordende vlakten, van de barokke kerken naar de kantoortorens, van het bijzondere naar het alledaagse.
Onze plaatsen waren gereserveerd, dus wachtten we op ons gemak tot we in de verte de twee gele lichten in een donker silhouet naderbij zagen komen. Terwijl de trein schokkend weer in beweging kwam, installeerden we ons in een aangename warmte op de toegewezen plekken.
We lazen een boek en maakten een puzzeltje en een praatje. We keken mijmerend uit het raam naar kleine dorpen onderaan een helling met de kerktoren en het kasteel als eeuwenoude bakens. Waar mensen hun leven met elkaar doorbrengen, in het jaarlijkse ritme van kerkelijke vieringen, optochten en zomerfeesten. We zagen op de Autobahn de voortracende Volkswagens, die door de hogesnelheidstrein tot pruttelende Piaggio-wagentjes gedegradeerd werden.
We keken naar de huizen langs het spoor, waar zich achter de ramen een onbekend leven afspeelde. Waar misschien gekookt werd, gestudeerd, geruzied of gevreeën. En waar men op zijn beurt niet geïnteresseerd was in het onbekende leven achter de ramen van de zoveelste passerende trein.
En op de momenten dat de trein tot stilstand gekomen was, keken we naar de reizigers die in optocht met hun rolkoffers op weg waren naar de uitgang, naar de rokers die samengepakt in een geel afgebakende rechthoek snel aan hun peuken trokken, naar de blije omhelzing van de reiziger die opgewacht werd en het melancholieke wuiven van de achterblijvers die een vriend of geliefde uitzwaaiden. Er was genoeg te bekijken.
De uren verstreken geruisloos. Het anonieme landschap werd grijs en we zagen we onszelf steeds beter weerspiegeld in de ruit. We aten een broodje en strekten de benen onder de ritmische cadans van de wagon en het moderne jargon van de servicegerichtheid: goedemiddag dames en heren (in Nederland: reizigers), wij heten u hartelijk welkom aan boord van onze trein, heeft u een vraag of een wens, dan sta ik met mijn team voor u klaar. Vervoerder Abellio, die de Rhein-IJssel-Express tussen Düsseldorf en Arnhem exploiteert bedankte ons voor de keuze voor Abellio (waarvan wij nog nooit gehoord hadden) en eindigde met: ‘Abellio sagt tschüss’, wat in het Nederlands vertaald werd in: ‘Abellio neemt hier afscheid van u’, alsof wij niet meer mochten meedoen.

Zoals wij kozen voor sneeuwwandelen in plaats van skiën, zo kozen we voor de trein in plaats van het vliegtuig. Heerlijk ontspannen met veel ruimte en heel milieuvriendelijk. Maar twee tot drie keer zo duur als het vliegtuig. Met dank aan de marktwerking en de onbelaste kerosine. En hoe goedkoper het vliegen wordt en hoe meer mensen het luchtverkeer verkiezen, hoe meer treinen geschrapt worden en hoe beperkter de mogelijkheden op het spoor. Voor onze heenreis wilden we aanvankelijk een nachttrein. Dan hadden we om 03.00 uur een overstap met wachttijd in Keulen gehad en om 6.30 uur een overstap met wachttijd in München.
Nu stapten we op de terugweg om 6:56 in de trein in Mezzana, Noord-Italië, en kwamen om 23:07 in Utrecht aan. De vijf verschillende treinen reden alle nagenoeg op tijd. Maar zou er ’s morgens een trein een vertraging van een half uurtje opgelopen hebben, dan hadden we Utrecht die avond niet meer kunnen bereiken.
De trein is heerlijk, de trein is schoon. Maar om dat zo te houden moet het spoor in Europees verband beter gefaciliteerd worden en zal het vliegverkeer meer belast moeten worden.