Schrijven, Lezen, Leven.
0

EEN S-BOCHT

Herinnering

De smalle Themaat

Het is een zonnige zondagmiddag, G en ik fietsen over de Thematerweg in Vleuten. Het is een smal polderweggetje iets ten noorden van het dorp. Aan beide zijden van de weg ligt een sloot. Verspreid liggen links en rechts oude boerderijen. Je waant je in het verleden.
Het eerste deel is niet veel breder dan een fietspad. Er staan knotwilgen in de berm. Het tweede deel is breder ten behoeve van het verkeer naar Haarzuilens. De Thematerweg is een kaarsrechte weg, op één bocht na. In het brede deel is er een S-bocht. Het is een kromming met historie, de Noodlotsbocht van de familie van Dijk.
De weg loopt al eeuwenlang door de polders Themaat en Wielreveld. Reeds in 1226 wordt de verbinding in de boeken genoemd. Hij loopt van de voormalige ridderhofstad den Engh, even ten westen van Utrecht, naar het kasteel de Haar. De S-bocht is ooit ontstaan omdat men bij de ontginning van de polder uitging van weidepercelen met een standaardlengte van 1300 meter.

Zo rond 1920 hebben mijn tante Jo (18 jaar) en haar broer Johan (16 jaar) de eerste prijs gewonnen in de versierde optocht op Koninginnedag, eind augustus. Mijn vindingrijke opa had van twee fietsen en een rol gaas een kleine auto gemaakt, een vervoermiddel dat  destijds sterk in opkomst was. De feestauto was versierd met klimop en bloemen. In hun overwinningsroes maakten broer en zus met het jongste broertje Kees (6 jaar), mijn vader, nog een rondje over Themaat. Zij merkten niet dat er onderweg enkele moeren waren losgegaan. In de bocht van de weg raakten zij de macht over het stuur kwijt en belandden met bloemen en al in de sloot. Jo’s eerste zorg was de kleine Kees, maar die was al eerder dan zij weer op de kant gekropen. Johan was blij, dat hij geen been gebroken had. Dat was hem als kind al tweemaal overkomen.
Ook mijn opa was meer dan opgelucht. Hij had in zijn jeugd een broertje verloren, die tijdens het spelen ongemerkt in een sloot was beland.
Behalve de natte pakken en het uit elkaar gevallen feestvoertuig leek er niets aan de hand. Totdat enkele dagen later Keesje problemen had met zijn ogen. Hij kon in de krant de letters niet van elkaar onderscheiden. Hij mocht van de dokter enkele weken niet naar school.

Jaren later, in 1959, had mijn neef Dirk (20 jaar) de beschikking over een motor. Dat was een machtig mooi gevaarte met een vermogen en een snelheid, waarbij vergeleken een bromfiets een slak was. Het was augustus, het weer was goed. Hij nodigde mijn broer Jos (12 jaar) uit voor een rondje over Themaat. Met wapperende haren reden zij over de Parkweg. Na het bruggetje aan het einde van de Joostenlaan kon Dirk op de Thematerweg weer gas geven. Bij het afremmen voor de S-bocht slipte de motor onderuit. De beide neven belandden met motor en al in de sloot. Jos werd met een gebroken bovenbeen naar het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht vervoerd, waar hij drie maanden lang met zijn been omhoog moest liggen.

‘Een bocht met historie’, zeg ik tegen G. Als ik door de flauwe bocht fiets, kan ik er nauwelijks een S-bocht in zien. Het is eigenlijk maar een lullig bochtje.

3

WAAR IS HET DRAMA?

Dagelijks

Herengracht 274 Amsterdam

Dit voorjaar zat ik weer op school. In een kale bovenkamer van een statig pand aan de Herengracht in Amsterdam zaten de cursisten aan drie zijden van de carré van tafeltjes. Aan de overgebleven zijde zat de docent achter een grote mok thee en twee koekjes, die gedurende de les onaangeroerd bleven.
(Nodigt deze opening uit tot verder lezen?)
Nauwelijks had ik aan het begin van dit jaar besloten om een boek te gaan schrijven over mijn heeroom, toen ik in Trouw een artikel las over een cursus ‘Verhalende non-fictie’. Dat is zoiets als schrijven over wat waar gebeurd is in de vorm van een boeiend verhaal. Dat zou ik in mijn boek ook wel willen. Waar ik normaal nog wel eens loop te dubben over een keuze, meldde ik me na het lezen van het artikel onverwijld bij de Schrijversvakschool aan.
‘Heb jij nog iets te leren dan?’, vroeg een vriend.
(Gebruik regelmatig citaten om de tekst te verlevendigen).
We zaten met zeven leergierige schrijvers-in-spe aan het carré: een gepensioneerde vrouw die de biografie van haar oma wil schrijven; een gewezen gevangenisdirecteur die zijn ervaringen met gedetineerden hoopt vast te leggen; een jonge ondernemer die wil vertellen hoe hij na een burn-out op verhaal kwam bij een Indianenstam; een ontslagen universiteitsmedewerker die al het onrecht dat hem is aangedaan te boek wil stellen; een jonge vrouw die bezig is de ellende met een narcistische vader van zich af te schrijven; en de speechwriter van de bekende A.A., veelgeprezen burgemeester te R.
De docent was Viktor Frölke, filosoof, journalist en schrijver, bekend geworden door het boek Dagboek van een postbode, een waar gebeurd verhaal, wat leidde tot zijn ontslag bij PostNL.
(De personages zijn nu bekend, maar het verhaal wil nog niet echt op gang komen. Is die laatste toevoeging wel relevant?).
Viktor gaf ons opdrachten om ter plekke in tien minuten anekdotes te schrijven, tirades, onze eigen necrologie, een spannend rechtbankverslag en een artikel over de val van Halbe Zijlstra. Thuis mochten we het als huiswerk nog eens overdoen. Bij de bespreking daarna hoorden we dat de helft van wat wij geschreven hadden er wel uit kon, zeker alle uitleg en overtuigingen. Show, don’t tell.
(Waar zit in dit blog het drama en het conflict? Ging er een cursist vreselijk af? Was de docent in slaap gevallen? Zat er onderhuidse irritatie?).
Al snel merkte ik dat mijn bijdragen op positieve reacties van mijn medecursisten konden rekenen. Zo ging ik met steeds meer plezier op maandagavond naar de Herengracht.
(Kill your darlings: woordspelingen en grapjes waar je aan gehecht bent staan soms een goed lopend verhaal in de weg).
Over het onderwerp voor mijn boek waren er wel wat vragen. Valt er wel een spannend boek te schrijven over het saaie leven in het klooster, waar elke dag hetzelfde is als de vorige, jaar in, jaar uit?
‘Als ik geen spannende details had ontdekt, was ik er al mee gestopt’, was mijn antwoord.
(Dit is de eerste stap in de marketing).

0

CREATIEVE BROEINESTEN

Dagelijks

De stad is ingehaald door zijn eigen succes. Jarenlang is het vreemdelingenverkeer gestimuleerd. Op de golven van de Internetrevolutie mag iedere burger nu hotelletje spelen Weggeefprijzen voor vliegreizen en cruises doen de rest. Dus raakt de stad overspoeld door rolkoffers en bierfietsen. Het centrum is één grote horeca-gelegenheid, de geur van weed hangt op elke hoek en op terrassen spreekt de student-bediende je in het Engels aan.
Weg van de toeristen (wij zien onszelf niet als zodanig) nemen wij samen met mijn nicht A de pont naar de overkant van het IJ, een jarenlang verweesd deel van de stad. Daar komt nu verandering in.
Opeenvolgende sociaal-democratische wethouders hebben in de vorige eeuw gezorgd voor keurige huisjes voor werkende mensen in Amsterdam-Noord, niet ver van hun werk in de scheepsindustrie. De huizen zijn nu gerenoveerd, de industrie is compleet verdwenen.

Film bij Pllek

Het terrein van de voormalige NDSM, ooit de grootste scheepswerf ter wereld, is nu een culturele hotspot. De grote loods is ingenomen door kunstenaars en andere creatievelingen. Daarnaast wordt deze rauwe industriële locatie gebruikt voor filmopnamen, tentoonstellingen, dancefeesten e.d. In een oude hal aan het water is Pllek gevestigd, met een aanbod van live muziek, films, kunstexposities, mini-festivals ‘en nog veel meer’. Al rondlopend vraag ik mij af, of er in onze maatschappij een ideale verhouding is tussen het aantal mensen dat kunst maakt en het aantal dat kunst consumeert: tussen schilders en kopers, zangers en publiek, schrijvers en lezers. Naderen we een kritisch punt in deze verhouding? Dan worden de kunstenaars de heckrunderen en konickpaarden van Neerlands Plas.
Er zijn ook straten met garages, werkplaatsen, dansscholen, boksscholen en Thaise massagesalons. Er staan loodsen die mij uitermate geschikt lijken voor gestolen waar en ontvoeringen.
Dan komen wij bij de Ceuvel. Deze voormalige werf waar de grond ernstig vervuild is, is nu een kerkhof voor zestien afgedankte woonboten. De Ceuvel afficheert zichzelf als een van de meest duurzame en vernieuwende stedelijke experimenten in Europa. De oude boten liggen als auto’s zonder wielen op het droge. Ze zijn opgelapt tot werkplekken waar kunstenaars en ondernemers werken aan duurzame innovaties. Onderzoekers uit Wageningen doen experimenten met bodemreinigende planten.
Een labyrinth van houten vlonders leidt tussen de woonboten door. Vlakbij het water vinden we Boef, de oude ark van mijn nicht, een lapjesdeken van schrootjes bovenop een betonnen bak. De boot was stokoud en voldeed niet meer aan de eisen van de gemeente. En ja, wat moet je dan? Er is geen afvalbak of ophaaldienst voor afgeschreven woonboten. De Ceuvel bood een unieke kans. Nu is de ark gerecycled en begonnen aan zijn tweede leven. Voor tien jaar overigens. Dan zal de Ceuvel plaats moeten maken voor een woonproject met een minder prozaïsche naam, Urban Space Living of iets dergelijks, stel ik me voor; fraaie huizen, die ondanks de astronomische prijzen toch allemaal verkocht zullen worden.
Van kunst alleen kan een gemeente niet leven.

0

EEN SPELING VAN HET LOT

Herinnering

Foto: De Utrechtse Internet Courant

Per 1 juni sluit banketbakkerij Hagdorn aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht de deuren. Er is geen opvolger gevonden, die zich elke week zes lange dagen tussen de zoetwaar in het zweet wil werken. Daarmee zal een van Utrechts bekendste middenstandsparels verdwijnen. Ik zou op deze plek geen aandacht aan de sluiting hebben besteed, als ik niet in de derde klas van het gymnasium (schooljaar 67/68) gek was geweest op de dochter van de banketbakker.
H was een lief, intelligent en verder doodgewoon meisje. Zij toonde regelmatig haar warme belangstelling voor mij. Klasgenoten noemden mij in die tijd Nol. Had ik eens een zeven voor een Herodotusvertaling gehaald, dan riep H hartstochtelijk uit: ‘O, Nol!’. Na een verloren tafeltenniswedstrijd, was het een liefdevol ‘O, Nol!’ Het spreekt, dat ik voortdurend mijn best deed om mijn verzameling ‘O, Nol’s’ uit te breiden.
Tijdens een klasseavond liepen de jongens om een binnenkring van meisjes heen. Als de muziek stopte, had je je partner gevonden. Ik kwam precies bij H uit, zodat ik haar om de nek kon vallen. Ik was er nog niet uit, welke waarde ik aan deze uitkomst moest hechten. Deze gebeurtenis viel echter in het niet bij wat zich enkele maanden daarna zou voordoen.
Voor mijn verjaardag had ik een aantal vrienden en klasgenoten uitgenodigd, waaronder natuurlijk H. Het had mijn ouders wijs geleken, dat ik het feest in onze garage zou vieren. Een dag lang was ik bezig met het opruimen van bonenstaken, fruitkisten, kippengaas en spinnenwebben. De kale muren versierde ik met banen gekleurd crèpepapier en foto’s van popsterren uit de Muziek Expres.
Ruim op tijd ging ik aan het begin van de avond op weg naar het station om H en haar vriendin af te halen. Maar niet nadat ik mij tevoren rijkelijk had besprenkeld met eau de cologne van 47/11. Mijn moeder zag het gebeuren, deed haar mond open, maar besloot die wijselijk weer te sluiten zonder er een woord aan vuil te maken.
Het liefst had ik H bij ontvangst willen zoenen. Maar omdat ik niet wist, of ik de vriendin dan ook moest zoenen, gaf ik hen allebei een hand. Hierop barstte de vriendin in een onbedaarlijke lachbui uit. Ik kon wel door de grond zakken. Ik had me niet aan de etiquette gehouden. Of misschien was het wel die eau de cologne.
Daarop vertelde H met een rood hoofd, dat zij met haar vriendin een spel speelde. Zij telde voorwerpen (10 rode auto’s en 10 blauwe voordeuren). De 10e man die zij vervolgens een hand zou geven zou de man zijn met wie zij zou gaan trouwen. Die eer viel mij te beurt.
Ik was in verwarring. Was dit nu een teken van de voorzienigheid? Of een betekenisvolle speling van het lot? Misschien was het H wel geweest, die als eerste haar hand had uitgestoken. Ik zag Amor met zijn cupidootjes wegvliegen boven het stationsgebouw.
Een paar maanden later ging H naar 4gymB en ik naar 4 gymA en was de liefde weer vervlogen. Van haar taartjes heb ik nooit mogen eten.

0

HAUST PANEERMEEL

Herinnering

Er staan vier huizen plus een eettentje rond een spoorwegovergang, meer is het niet: Assel, een gehucht ten westen van Apeldoorn. Ik fiets er rond en speur naar een vakantiehuis in het bos.
In het voorjaar van 1960 ging ik voor het eerst van mijn leven met mijn ouders, broer en zussen en weekje op vakantie. Eigenlijk is vakantie niet het goede woord. Mijn vader was depressief geraakt en om daarvan bij te komen stelde zijn directeur diens vakantiewoning op de Veluwe een weekje ter beschikking. Het was een houten huisje, midden in het bos, niet ver van de spoorlijn naar Apeldoorn. Het heette de Turfflesch.
Ik was zeven jaar, voetbalde met mijn broer en speelde op mijn eentje zelfbedachte spelletjes op het grasveld naast het huis. Af en toe fietsten mijn vader en ik naar een kloosterboerderij om melk te halen. Ik mocht er kijken naar de varkens in de schuur.

Mijn broer wil bij mij een doelpunt maken

Of de vakantie mijn vader geholpen heeft, zou ik niet weten. Daar werd niet over gesproken. Ik wist alleen dat deze week iets met zijn ziekte te maken had en dat we de directeur van Douwe Egberts eeuwig dankbaar moesten zijn voor diens edelmoedige gebaar.
Dat mijn moeder na dit weekje minder gezond naar huis ging was mij echter meer dan duidelijk. Het was bovendien nog mijn schuld ook.
Het was midden in de week. Iemand begon na het avondeten opeens over Haust paneermeel. Ik moest daar vreselijk om lachen en holde naar mijn moeder die in het keukentje de afwas deed. In de gang botste ik hard tegen haar op. Zij had veel pijn. Alle familieleden hadden aandacht voor haar, niemand keek naar mij om. De hoofdpijn van mijn moeder zou weken aanhouden. De huisarts schreef rust voor. Jaren later, bij het opruimen van het ouderlijk huis, zou ik in de map Apotheek nog recepten voor kalmeringsmiddelen tegenkomen, die dr. Fizaan in 1960 voor mijn moeder had uitgeschreven. Het was een ongelukje, maar ik voelde mij diep schuldig. Onze eerste vakantie, de vakantie voor het heil van mijn vader, had ik voor mijn moeder grondig verpest.

Bij de spoorwegovergang werkt Structon aan de verbetering van het spoor. Het terras van Halte Assel, het eettentje naast de spoorwegovergang, zit vol. Niets hiervan komt mij na achtenvijftig jaar bekend voor. Wel zie ik even verderop een boerderij van de Paters Salesianen van Don Bosco. Nergens zie ik een eenzaam houten huisje in het bos.
Als ik een paar dagen later een rondje over Kootwijk fiets en op een paar kilometer van Assel de spoorlijn passeer, zie ik opeens een glimp van een huis in het bos. Ik keer mijn fiets en zie, verstopt achter de struiken, een houten woning liggen. Ik zie de horizontale planken op de gevel en de kenmerkende knik in het dak. Dit moet de Turfflesch zijn. Het huisje was in mijn herinnering sparrengroen, nu is het zwart. Hier ligt een glimp uit mijn jeugd, een plek voor altijd verbonden met mijn eerste vakantie en nog meer met Haust paneermeel.

1

DE SPEELPARADIJS-ZESDAAGSE

Dagelijks

Het fris-groene gebladerte aan de bomen is nog niet geheel uitgekomen. Een merel zingt, een houtduif klapwiekt. Hoog in de lucht klinkt voortdurend het zachte gebrom van vliegtuigen. Nu het opeens rustig is geworden, vallen mijn ogen dicht. De meisjes zijn op stap om zich te laten schminken. Daarna hebben zij een Meet & Greet met Bollo, de Disney-achtige mascotte.
Nieuw Milligen heet het hier, het is niet veel meer dan een rotonde ten westen van Apeldoorn. G en ik verblijven een weekje met onze kleindochters van 7 en 5 in een bungalowpark.
In de ParkShop laden jonge vaders plastic zakken vol croissants en lekkere broodjes. Corpulente moeders met natte haren komen uit het subtropisch zwemparadijs, gevolgd door een schare kinderen. Opa’s leggen bij de kinderboerderij aan peuters het verschil uit tussen een schaap en een geit.
In een enorme hal is een overdekt speelparadijs. Het terras zit vol ouders en grootouders, terwijl de ontelbare kinderen door het kleurige klim- en springtuig krioelen. Zijn ze eenmaal verdwenen, dan zie je hen niet snel meer terug. Zij springen, glijden, hossen en vallen. Af een toe komt er een huilend uit een opening tevoorschijn.
Het zwembad is de watervariant van het speelparadijs. Onze kleindochters gaan elke dag en het einde komt voor hen altijd te vroeg. Komen ze thuis om te eten, dan willen ze eerst nog een potje voetballen.
Er is een Fun en Entertainment Programma. Er worden hutten gebouwd en knutselwerken gemaakt. Voor het voeren van de dieren is zoveel belangstelling dat je je een paar dagen van tevoren moet opgeven. Na afloop krijg je een getuigschrift: You did it!
Onze meisjes zijn net lang genoeg om mee te doen met het tokkelen. Met een valhelm op scheren ze over een kabelbaan van de ene boomtop naar de andere. Ze draaien er hun hand niet voor om. Het is een voorbereiding op een leven met bungee jumpen, sky-diven, en wat al niet meer.
Het vakantiepark mag dan een en al vermaak zijn, in de nabijheid klinkt de lokroep van nog veel meer vertier. Speel- en doe-paradijzen, klimbossen, magische kastelen met zoektochten. Zelfs het museum Paleis het Loo blijft niet achter met een kinderatelier, prinsessendagen en een speurtocht door de koninklijke tuinen.
Gaan we een keertje buiten de deur eten, dan zijn de meisjes direct naar de speelzolder verdwenen en krijg ik hen voor het uitkiezen van een gerecht slechts met de grootste moeite uit de kinderkapsalon. Na het eten mogen ze een surprise uit een schatkist kiezen.
Wij brengen een dagje door in pretpark de Julianatoren, waar alom een geur van pannenkoeken en zoetigheden hangt. Waar je hier ook kijkt, het draait, tolt, springt, tuft en zweeft. De kinderen zijn voor even weer terug in de baarmoeder. Ik wacht regelmatig op een bankje tot ik een van de kinderen langs zie vliegen. Dan kan ik enthousiast zwaaien.
‘Opa, opa’, hoor ik voortdurend om mij heen, maar het gegil blijkt zelden voor mij bedoeld.
Aan het einde van de dag staan de meisjes nog enthousiast te springen op de trampolines. Ik voel de slaap in mij opkomen.

0

ONTLUIKEND VERZET

Herinnering

Ce n’est qu’un debut, continuons le combat. Etudiants solidairs des travailleurs. De strijdkreten uit Parijs in mei 1968 kon ik vertalen, maar daarmee hield mijn begrip van wat er gaande was wel op.
Ik was 15 en zat in 4 gymnasium alpha. Mijn tafeltennisclub, de top 40 en het potje toepen in de schoolpauze waren de welkome afwisselingen in een braaf scholierenbestaan. De 35 lesuren per week bestonden voor meer dan de helft uit klassieke talen: 9 uur Grieks en 9 uur Latijn. Waar al die vertalingen goed voor waren, vroeg ik mij niet af. Ik noteerde in mijn agenda de spreuk van de dag: ‘en de meisjes, toen zij zich geolied hadden’ (leraar Grieks) en ‘hij deed een hoop op het graf’ (een klasgenoot worstelde met het Latijnse ‘mole sepulcrum imponit’).
Ik had zowaar al eens meegelopen in een demonstratie. Met een korte tocht vroegen we aandacht voor de hongersnood in Biafra. De school gaf er alle medewerking aan door een lesuur vrij te roosteren. De tocht werd in stilte gelopen, zodat de demonstratie het karakter kreeg van een katholieke stille omgang voor een noodlijdend missiegebied.
Verder sprak rebellie tegen leraren mij in die tijd erg aan. Het was een belegen slag mensen van voor de oorlog die van verbieden de hoogste kunst hadden gemaakt. Zij hinderden mij nogal in mijn ondergrondse correspondentie met Trees, die twee banken achter mij zat. Sommige klasgenoten noemden mij Momfer de Mol.
Maar oproepen in de schoolkrant om de vertegenwoordigers in het schoolparlement van munitie te voorzien, waren aan mij niet besteed. Ik onderscheidde mij daarin niet van andere leerlingen, want op de enquête waarin namen werden gevraagd van interessante sprekers kwamen Phil Bloom, Jan Cremer, Mao tse Tung en Rita Corita uit de bus. Uiteindelijk kon Herman van Veen gecontracteerd worden.

Bonifatius Lyceum, Kromme Nieuwe Gracht, Utrecht

Mijn grootste uiting van radicalisme was nog wel, dat ik op een vraag van de leraar geschiedenis, wie tegen de Navo was, als een van de weinigen in de klas mijn vinger had opgestoken. Mijn vader was vóór en mijn oudere broer tegen, dus die keus was snel gemaakt. Gelukkig hoefde ik mijn standpunt niet te onderbouwen.
Niet lang daarvoor had mijn vader mij in een onverwacht kwade uitval bevolen om een afspraak met de kapper te maken. Dat ik shag ging roken kon overigens wel op zijn instemming rekenen. Als het maar Drum was, het merk van zijn broodheer Douwe Egberts.
Mijn moeder voelde de tijdsgeest iets beter aan. Zij had op haar eigen initiatief een paar oranje badstof sokken voor mij meegebracht. Daarna volgde het manchester ribpak. Ook de modewereld had de solidariteit met de arbeiders ontdekt.
Geleidelijk druppelden na mei 1968 de veranderingen mijn leefwereld binnen.
Klasgenoot Clemens had het lef om bij elke leraar een discussie uit te lokken over het boekje Nooit met de rug naar de klas van onderwijsvernieuwer Helge Bonset, waarop onze leraar Latijn, Kloosterman, in een vermoeide klaagzang uitriep: ‘Ach, jongens hou nou toch eens op met die onzin’.
Na school gingen we een keer op bezoek bij een kraakpand om de hoek, waar somber ogende jongeren in zwarte kleren door vuile gangen liepen. Of we gingen naar café de Trechter aan de Oude Gracht, waar hash verkocht werd. ‘Het ruikt naar schoensmeer’, zei iemand. Ik nam een trek, maar merkte geen effect. Ik bond mijn schooltas weer onder de snelbinders en fietste vlug naar huis. De volgende dag wachtte een Vergiliusvertaling.

0

DE VERLOSSING VAN ALLE KWALEN

Muziek

Toen ik vorige week door de Wolter Heukelslaan in Utrecht fietste zag ik daar een vuilniscontainer met een sticker Zingen is Gezond. Welk menslievend wezen ooit zijn geld gespendeerd heeft om stickers met deze lumineuze tekst te laten drukken, heb ik niet kunnen achterhalen. En de vraag wie er eenmaal op een goede dag de ingeving kreeg om zo’n sticker uitgerekend op een vuilniscontainer te plakken, zal wel nooit beantwoord worden.
Feit is wel, dat er de afgelopen jaren een stroom aan publicaties op gang is gekomen over de heilzame werking van zingen. De boodschap is nog niet, dat veelvuldig zingen tot het eeuwige leven leidt, maar we zijn er wel dichtbij.
Zingen zorgt voor een betere fysieke gesteldheid door de training van de ademhaling, de longen en tal van spieren. Het heeft een positief effect op de bloeddruk en het hartvaatstelsel. Zingen leidt bovendien tot een toename van de afweerstoffen en een verbetering van je weerstand.
Als we zingen is het ‘feest in onze hersenen’, aldus Barber van de Pol in haar boek Zingen is Geluk. Alle hersendelen worden volledig geactiveerd en we vergeten de zorgen. Chronische pijn verdwijnt even naar de achtergrond. Zingen reguleert de emoties en het vermindert de stress. Zelfs een beetje zingen onder de douche is fitness voor de ziel. Wie ooit de bedrukte en gespannen gezichten heeft gezien van koorzangers die aankomen bij een repetitie en de uitgelaten, kinderlijke blijheid waarmee zij na afloop het repetitielokaal verlaten, wist dit natuurlijk allang. Het raadsel, waarom koormonniken een leven lang achter gesloten muren kunnen uithouden is nu opgelost. Ook is duidelijk waarom een ghettoblaster op de steiger onmisbaar is. Met de titel Arbeidsvitaminen waren deze radiomakers hun tijd ver vooruit.
Naast dit alles leidt zingen ook nog eens tot meer saamhorigheid. Uit onderzoek blijkt dat je tijdens het zingen oxytocine aanmaakt. Dit stofje bevordert dat je tijdens sociale contacten een gevoel van plezier ervaart. De van tv bekende neuropsycholoog Erik Scherder zegt, dat oxytocine je empathischer maakt.

Zingen is derhalve een goed medicijn tegen allerlei kwalen: copd, stotteren, somberheid. Dat zangers minder vaak verkouden zijn, zoals is aangetoond, kan ik helaas niet uit eigen ervaring bevestigen net zo min als de bewering dat zingen heilzaam is voor mensen met slaap-apneu. Wie ooit tijdens een koorweekend op een slaapzaal heeft gelegen zou, gelet op het meerstemmige, ritmische gesnurk eerder het omgekeerde kunnen concluderen.
In Nederland mag dan deelname aan een koor nog niet op recept verkrijgbaar, in Engeland en Duitsland is er een beweging op gang gekomen van Singing Hospitals c.q. Singende Krankenhäuser. Ernstige Parkinsonpatiënten slaan soepel aan het bewegen, dementerenden worden blij met Hoeper de Poep zat op de Stoep. De Musikalische Exequien van Heinrich Schütz, die ik komende week ga uitvoeren, lijkt me voor het ziekenhuis ook een geschikt keuze: ‘es ist allhier ein Jammertal, Angst, Not und Trübsal überall’.
Ik zie opeens nog veel meer mooie toepassingen voor me: koren voor gevangenen, treinende forenzen, boze witte mannen, daklozen, hongerende Afrikanen, de rij is eindeloos. En waarom zouden we niet een zangcoach meesturen als Trump binnenkort bij Kim Jong-un op bezoek gaat?

2

GEDULDIG ZOEKEN

Dagelijks

Ik heb mijzelf deze week opgesloten in een archief. Terwijl ik door het smalle raam zie hoe de magnolia haar knoppen stralend naar het hemels blauw opent, zit ik achter dikke muren in de kilte. Het ruikt er lekker, een beetje muf, naar papier en karton, naar het verleden, naar vergane glorie. De complete rust in het archief is een verwijzing naar de gewijde stilte van deze plek. Om de twee uur klinkt er klokgebeier.
De weg naar de koffie voert door de uitgestorven kloostergangen. O beata solitudo, o schone eenzaamheid, staat er in gekrulde letters boven de deuren naar het slot. Mijn nieuwe schoenen knersen zachtjes op de diagonaal gelegde tegels en op de uitgesleten houten treden van de trap. Hier liggen de voetstappen van mijn heeroom, van mijn vader en van talrijke monniken, die zich sinds 1881 voor gebed en gezang teruggetrokken hebben achter de muren van abdij Koningshoeven in Tilburg.
Mijn oom heeft een boeiend leven geleid als monnik en abt. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Moet ik dat dan maar niet eens doen, vroeg ik me begin dit jaar af.
Alleen al het stellen van deze vraag, riep direct twijfels op. Heb ik wel voldoende stof om een boek te vullen? Ben ik als niet-meer-gelovige wel de juiste persoon om een kloosterleven te beschrijven?
Ik maakte als proef een opzetje voor de indeling en noteerde de onderwerpen waar ik meer over zou moeten lezen. Die laatste lijst groeide snel. Ik las een boek over de geschiedenis van het katholicisme in de 20e eeuw. Het zat de hele dag in mijn hoofd. Heeroom liet mij niet meer los.
Wikkend en wegend stelde ik mijzelf nog één voorwaarde: ik zou toegang moeten krijgen tot het archief van Koningshoeven. Stiekem rekende ik er al op, dat de abdij geen toestemming zou geven. Dan kon ik met een gerust hart deze megaklus laten liggen.
Op mijn voorzichtig informeren mailde de huidige abt terug:
‘Van onze kant verlenen we graag alle medewerking. Het archief staat voor je open’.
Maandagmorgen wacht Dom Bernardus me op. Hij draagt over zijn monnikspij een sportief fleece jack van La Trappe, het bier van Koningshoeven.
Het archief over mijn oom is een meter breed: dozen vol met correspondentie, toespraken, jubileumliederen. Stukjes bij beetjes wordt zichtbaar wat er onder de oppervlakte van het vredige, stille klooster gebeurd is.
In het gastenverblijf ontmoet ik bij het avondmaal een jonge benedictines. Ook zij draagt een fleece jack. Flee into the paradise staat er achter op haar rug. Als zij hoort dat ik niet meer gelovig ben, drukt zij mij hoopvol op het hart: ‘het kan nog komen’. Het lijkt mij het beste haar hoop niet te ontmoedigen. De avondzon projecteert een perfecte kopie van het glas-in-lood rozetraam op de muur van de eetkamer.
Na twee dagen geduldig zoeken heb ik twee archiefdozen doorgewerkt. Er zijn er nog zes te gaan.
Mijn vader, die archivaris was van beroep, kan met voldoening vanuit de hemel meekijken. Zijn zoon, die een andere kant op ging, volgt op latere leeftijd alsnog zijn spoor.

0

EEN UNIEKE BELEVENIS

Dagelijks

De mailwisseling eindigde van mijn kant met het dreigement dat ik contact zal opnemen met de Consumentenbond en het consumentenprogramma Radar. Daarna heb ik van de tegenpartij niets meer gehoord.

Bij het afscheid van mijn werk had ik een cadeaubon van € 50 ontvangen. Het was een klein doosje met de titel Ultimate Choice, uitgegeven door Giftforyou. Een unieke pincode maakte het mij mogelijk een keuze te maken uit meer dan 1500 belevenissen, zoals een borrel, diner,  beauty of weekendje weg.
Het doosje was ergens op een stapel in een kast beland, waar ik het na een goed jaar weer terug vond. Pas toen las ik in de kleine lettertjes, dat de bon één jaar geldig was. Met de staart tussen de benen vroeg ik de firma of hier nog een mouw aan te passen was.
‘Natuurlijk, meneer’, zei de servicegerichte frontoffice-medewerkster ‘u kunt nog voor een jaar verlengen’.
Dit bracht weliswaar € 5 administratiekosten met zich mee, maar dit leek mij draaglijk. Toen ik in een later stadium googlede op ervaringen met de Giftforyou-bon kwam ik tientallen verontwaardigde reacties tegen van boze mensen, die met een niet meer geldige bon waren afgehaakt.

Restaurant Seven, Mariaplaats Utrecht

Na de verlenging stort ik mij verlekkerd op de websitepagina’s met 1500 verwenbelevenissen. Een authentieke scheerbeurt met Barbershop lijkt me wel fun, maar ook een stoere autorit met een Ferrari met Drive Experience ziet er heftig aantrekkelijk uit. Als een kind met een hand boven de snoeptrommel blijf ik lang aarzelen. Uiteindelijk val ik terug op een bekende belevenis en bestel ik een Diner voor Twee voor € 50,-. In Utrecht blijkt slechts een beperkt aantal restaurants de bon te accepteren, maar een kniesoor die daarop let.
Zo beleven G. en ik een gezellige avond bij Restaurant Seven in Utrecht.
We hebben meer geconsumeerd dan € 50, dus volgt er een rekening. Daarop is € 45 in mindering gebracht vanwege onze cadeaubon.
‘€45?’, vraag ik verbaasd.
‘Dat is standaard voor de Giftforyou-bon’, verzekert de ober.
Een ander zou de resterende € 5 bestempelen tot fooi en vrolijk naar huis gaan, maar, ervan overtuigd dat ik een belevenis van € 50 heb aangeklikt, komt er bij mij een irritatie op die niet zal verdwijnen voordat ik de zaak tot op de bodem heb uitgezocht.
Op mijn reclameren bij Giftforyou krijg ik als antwoord, dat een Diner voor Twee belevenis altijd € 45 waard is.
Omdat ik mijn bon al verzilverd heb, is mijn unieke pincode niet meer geldig en kan ik op de site niet meer controleren hoe het aanschafproces verlopen is.
Ik informeer maar eens, waar de overgebleven € 5 gebleven zijn. Die blijven, zo luidt het antwoord, altijd op mijn kaart staan.
‘Maar ik kan er niet meer bij, omdat de pincode niet meer werkt’.
‘Dat komt omdat u uw bon al verzilverd heeft bij restaurant Seven’, zo reageert de Helpdesk.
‘En hoe kan ik dan iets met die € 5 doen?’
Na een langdurige mailwisseling ontvang ik uiteindelijk een nieuwe pincode. Hiermee kan ik constateren, dat er voor de 5 euro’s die voor eeuwig op mijn kaart staan geen enkele belevenis te koop is.

De Consumentenbond heb ik niet meer benaderd.
Het is zes weken geleden. Ik zie nu op de website van Giftforyou, dat een bon inmiddels twee jaar geldig is en dat een Diner voor Twee nu € 45 kost.