Schrijven, Lezen, Leven.
0

SÜSSE TRIEBE

Dagelijks
Vorig weekend zat ik in een koude tuin me te warmen aan de zon. Je moet tenslotte wat doen om het voorjaar af te dwingen. De vogels zijn er ook klaar voor. Een paar pimpelmezen was met veel gefladder en gepiep bezig het vogelhuisje te verkennen. Toeval of niet, door mijn hoofd ging een liefdesduet uit die Zauberflöte, een stuk dat ik diverse keren gezongen heb. De eerste zinnen luiden:

Pamina (sopraan): Bei Männer welche Liebe fühlen, fehlt auch ein gutes Herze nicht.
Papageno (bas): Die süssen Triebe mit zu fühlen, ist dann der Weiber erste Plicht.
Daarna gaan beiden in samenzang verder: Wir wollen uns der Liebe freuen, wir leben durch die Lieb allein.

Met de eerste regel kan ik, uit ervaring, volmondig instemmen.
De plicht uit de tweede zin lijkt me achterhaald, al zou het me niet verbazen dat nog een behoorlijk percentage van de nederlandse mannen, daartoe uitgedaagd door Maurice de Hond, deze stelling met Ja zou beantwoorden.
Misschien kwam het door die pimpelmezen, misschien door mijn eigen toestand, maar mijn gedachten in de ochtendkou bleven hangen bij de süsse Triebe. In de tekst worden geen doekjes gewonden om de Triebe van de man, al is het vervolg dan wel weer heel verheven.
Als je als man süsse Triebe voelt, hoe zou je dat in het nederlands zeggen, vroeg ik mij af. Zoete driften, bijna een contradictio in terminis, zou bij mijn vroegere Duitse lerares, juffrouw de Jong, denk ik niet in de smaak zijn gevallen. Het woord driften kwam, in relatie tot de liefde, überhaupt niet in haar vocabularium voor. Een tedere zin in liefhebben past denk ik meer bij deze tijd. Voor andere suggesties hou ik me aanbevolen. Ik ben benieuwd wat onze nationale hertaler Jan Rot ervan gemaakt zou hebben.
Elk tijdperk heeft zijn eigen woorden.

Als puber kwam ik in de slaapkamer van mijn ouders een keer onverwachts  een boek tegen, waarvan de titel of ondertitel de woorden geslachtsleven van een man bevatte. Het was een groot, dik boek met een donkerbruine harde kaft, waar de letters van de titel verdiept in lagen. Het boek zag er vooroorlogs uit.
Het was mij toen direct duidelijk dat dit boek niet in de huiskamer hoorde te liggen. Mijn vader had mij nooit uit dit boek voorgelezen. Dus intrigerend was het boek zeker. Toch borg ik het weer snel op, uit angst om betrapt te worden. Bij het opruimen van het ouderlijk huis, vele jaren nadien, kwam het boek niet meer tevoorschijn, zodat ik jammer genoeg nog steeds niet weet hoe men in de eerste helft van de twintigste eeuw een groot, dik boek vol kon schrijven over het geslachtsleven van een man.
Geslachtsleven, je komt het woord weinig meer tegen.
Zoals bekend heeft het woord geslacht verschillende betekenissen. Dat kan tot verwarring leiden. Vorig jaar kwam de dirigent van ons koor voor de kerst met een ouderwetse versie van Er is een roos ontsprongen. In het derde couplet kwamen de regels voor:
David’s oude geslacht, is tot bloei gekomen in de nacht.
Ik zag in deze regels een teken van hoop voor de derde levensfase.

Dat ging er vorig weekend door mijn hoofd, daar in de tuin. De poes van de achterburen kwam ook maar eens kijken bij de drukte van de pimpelmezen. Ze bleef langdurig en doodstil staan met haar kop schuin omhoog naast de stam van de pruimenboom, waar het gepiep vandaan kwam.
Zou de poes ook gedreven worden door süsse Triebe?

0

BIJ HET TONEEL

Herinnering
In het parochieblad  Wij Samen stond een oproep om je aan te melden voor de toneelvereniging. De bedoeling was om met de opvoering van een kerstspel de kwijnende vereniging nieuw leven in te blazen. Ik was een jaar of tien en ik was op zolder al regelmatig voorgegaan in een heilige mis. Gekleed in een heus kazuifel leidde ik de viering, staande achter een oude commode die als altaar diende, met perensap als miswijn en met medewerking van enkele vriendjes die de rol van misdienaar of gelovige op zich wilden nemen. In het echte leven zat ik als misdienaar bijna wekelijks met mijn magere knietjes op de trappen van het altaar. Ik kende de riten, gebaren en gebeden van buiten. In de viering op zolder kon ik eens een trapje hoger op het altaar staan.

Buiten het religieuze spel had ik tot op dat moment geen enkele blijk gegeven van interesse voor een of andere vorm van acteren.  De oproep in het parochieblad opende voor mij echter perspectieven op een optreden voor een grotere schare toeschouwers. Ik zag een uitverkocht Verenigingsgebouw voor me met een ademloos vanuit het donker toekijkend publiek.
Zus H, vier jaar ouder,  was ook geïnteresseerd in de toneelvereniging. Dat kwam goed uit, want zonder haar aanwezigheid zou ik van mijn ouders nooit de toestemming hebben gehad om mee te doen. Zo gebeurde het dat H en ik ons op een doordeweekse avond naar het Verenigingsgebouw begaven voor de eerste repetitie.
In het gebouw, schuin tegenover de kerk, was een grote, hoge rechthoekige zaal met een houten vloer. Ik kende de kale zaal van allerlei parochie-activiteiten, zoals de jaarlijkse fancy fair, met het intrigerende rad van avontuur, een tentoonstelling over jongeren in de missie of een film voor alle kinderen van de lagere school (op weg ernaartoe riepen we: film in de broek van willem!).
Er was die avond een kleine groep belangstellenden voor de toneelvereniging gekomen, genoeg voor het aantal rollen dat er in het kerstspel te vergeven was. Een man met een verweerd gezicht en een vrouw met krullen bespraken de inhoud van het stuk en de rolverdeling. Zij keken voortdurend langs mij heen. In de oproep waren geen leeftijdsgrenzen genoemd, maar het was duidelijk dat men niet op tienjarigen gerekend had. Voor het kind in de kribbe was ik te groot en voor een herder of koning te klein. Pakken voor een os en een ezel waren er niet.
De repetities begonnen zonder dat er voor mij een plan was. Ik mocht zolang toekijken aan de rand van het podium. Toen duidelijk was dat er voor mij geen glansrol was weggelegd, vond ik het repeteren ongelooflijk stom. Volwassen mensen die een beetje raar stonden te doen, daar wilde ik  niet bij horen. Mijn lidmaatschap van de toneelvereniging bleef beperkt tot één avond.
Zus H had een onbeduidend rolletje toegewezen gekregen. Niettemin was het spelen zo enerverend dat het woord plankenkoorts 50 jaar na dato bij haar nog altijd het beeld oproept van de planken op  het podium van het R.K. Verenigingsgebouw in Vleuten.

Op de avond dat het kerstspel werd opgevoerd, vulde de zaal zich bijna tot aan de laatste rijen. Even voordat het toneelstuk zou beginnen liep ik nog naar de wc. Toen ik weer terug wilde gaan naar de zaal, kon ik het slot van de wc-deur niet meer openkrijgen. Hoezeer ik ook probeerde, ik slaagde er niet in om de knop  weer terug te schuiven. Ik kreeg het opeens heel warm. In de hal voor de toiletten was het oorverdovend stil. Ik begon te bonzen op de deur, eerst zacht, daarna wat harder. Tussendoor luisterde ik scherp of de redding al nabij was. Daarna begon ik erbij te roepen, hoewel ik dat eigenlijk heel gek vond. Ik begon een hekel te krijgen aan dit Verenigingsgebouw.
Na een paar minuten hoorde ik een vrouwenstem aan de andere kant van de deur. Ze zei, dat ze hulp ging halen. Weer enige tijd later hoorde ik gemorrel aan het slot en binnen een paar seconden ging de deur open. Er stond een man voor de deur met een schroevendraaier in zijn handen, daarachter de vrouw die mij kennelijk als eerste had gehoord. Zonder hen verder aan te kijken, liep ik langs beiden heen. Opgelucht snelde ik de zaal in. Daar zag ik nog juist op tijd, dat de bruine gordijnen voor het podium halverwege het opentrekken bleven steken. De man met het verweerde gezicht, hoofdrolspeler en regisseur tegelijk, schoof de gordijnen toen eigenhandig opzij. De voorstelling kon beginnen.
0

HET IMAGO VAN PASEN

Dagelijks

Het is duidelijk dat het paasfeest een andere uitstraling heeft dan het kerstfeest.
Waar je bij Kerstmis denkt aan gezelligheid, kaarslicht, kerstboom, en familiebezoek, roept Pasen associaties op met kale paastakken, winderig en fris weer en een overdaad aan hardgekookte en met verf besmeurde eieren. Terwijl de oprispingen van de eieren nog in de weg zitten, moet je dan naar de meubelboulevard. En ’s avonds maar weer eens Jesus Christ Superstar op televisie.
Met Kerst is de emotie duidelijk: er is blijdschap vanwege de geboorte van een kind. Met Pasen, gevierd op wisselende dagen, ligt dat minder eenduidig. Welke emotie overheerst hier?  Na een week van ellende en smart vier je de opstanding van Jesus uit de dood. Dat heeft toch iets ongeloofwaardigs. Met de kennis van nu zou je kunnen zeggen, dat Jozef van A. zijn werk maar half gedaan heeft. Ich will Jesum selbst begraben. Dat had ie beter aan een ander over kunnen laten.
De paastakken, als pendant van de kerstboom, zijn nooit echt doorgebroken en de Paashaas haalt het niet bij de Kerstman. Kortom, Pasen lijdt aan een imagoprobleem.

Natuurlijk, het zijn toptijden voor handelaren in eieren en chocolade paaseitjes. In een managementopleiding heb ik eens een casus moeten oplossen over de inzet van tijdelijk personeel in de chocoladebranche. Later bleek, dat de chocolade eitjes het hele jaar door geproduceerd worden. Zo doet de  real-life kip dat natuurlijk ook. Het kan overigens zo maar zijn, dat er nu een technoloog van het Productschap voor Pluimvee zit te broeden op het idee om de genen van kippen zo te manipuleren dat ze in de maand vóór Pasen tien keer zoveel eieren leggen. (Komen we dan niet weer bij de oorspronkelijke natuur uit, vraag ik me af, zoals andere vogels ook hun eieren in het voorjaar leggen?).

Eitjes verstoppen vond ik vroeger een van de leukste onderdelen van de paasdagen. Toen onze kinderen klein waren, was één verstopronde bij lange na niet genoeg. Het spel moest steeds herhaald worden. Na verloop van tijd wist je niet meer op wat voor onmogelijke plaatsen de eieren waren verstopt. Zag je ’s zomers onder de kachel of onder een varen in te tuin opeens een gekleurd zilverpapiertje glinsteren.
Laten we overigens in de paastijd de Matthaeus Passion niet vergeten. Dat zou je in marketingtermen booming business kunnen noemen. De Matthaeus is een sterk merk. Elke omroep zendt zijn eigen Matthaeus-gerelateerd programma uit. Iemand heeft uitgerekend, dat er in deze dagen zo’n 200.000 Nederlanders ‘iets met de Matthaeus doen’. Volgens het magazine Zing wordt er 147 maal een gezongen passieverhaal uitgevoerd, waarvan 15 keer in de provincie Utrecht en meer dan 40 keer in Noord-Holland. Vergeleken met Noord-Holland is de Utrechtse markt blijkbaar nog niet verzadigd. Hier lijkt nog enige groei mogelijk. Maar als dit zo doorgaat komen we op een gegeven ogenblik publiek tekort. Iedereen wil  op het podium staan.  Advocaat Oscar Hammerstein liet op radio 4 weten, dat de Matthaeus Passion het enige muziekstuk is dat hem nooit verveelt en dat hij telkens opnieuw kan horen. Ik zou  dat niet willen onderschrijven. Enige rantsoenering lijkt me op zijn plaats. Een Matthaeus in de zomer kan mij niet bekoren.
Marketingmensen weten hoe het met cash-cows afloopt. Elk product heeft zijn levenscyclus. Wat meer variatie in het muzikale aanbod zou daarom geen kwaad kunnen. Denk bijvoorbeeld eens aan het Stabat Mater. Naast die van Pergolesi zijn er meer dan 200 composities op deze  tekst gemaakt. Onder meer Scarlatti (A) en Rheinberger schreven prachtige werken.

Zou het niet eens goed zijn als er een topteam van marketeers en co-creators aan de slag gaat met het product Pasen?  De vraag is:  wie geeft de opdracht? De detailhandel of de katholieke kerk?
En, nog belangrijker,  wat zou het imago moeten zijn? Wat mij betreft gaan we terug naar het paasfeest als einde van de vastentijd. Dan gaan we het vasten voor grote groepen opnieuw invoeren. In deze tijden van overdaad en overconsumptie enerzijds en economische crisis anderzijds lijkt mij matiging een aansprekend thema. Bovendien worden de tandartsen blij, als je je snoeptrommeltje in één keer leeg eet in plaats van een over 40 dagen gespreide consumptie.
0

SOLLICITATIELEED

Herinnering
Vlak na mijn afstuderen aan de universiteit, in 1979, solliciteerde ik mij een slag in de rondte om aan een betaalde baan te komen. Zo reageerde ik op een vacature bij het JAC (Jongeren Advies Centrum) in R.  Het sollicitatiegesprek vond plaats in een soort huiskamer annex opvangcentrum. Er lag een meisje op een afgetrapte donkerbruine bank te huilen. Er liepen jonge mensen in en uit. Ik voelde me er zeer ongemakkelijk.
Deze ervaring weerhield mij er niet van om enige tijd later bij het JAC in Z. te solliciteren. Dit gesprek in een kantoor met enkele aardige medewerkers liep gesmeerd. Ondanks dat ik me in die dagen vaak zeer onzeker voelde, was ik om de een of andere reden die middag in Z. goed in vorm en zelfverzekerd. Zo antwoordde ik hooghartig op de vraag, of ik getrouwd was, dat dat onderwerp mij niet van belang leek voor de uitoefening van de functie. Discussie gesloten.

Mijn gesprekspartners leken onder de indruk van mijn kennen en kunnen. Ze lieten aan het einde van het gesprek blijken dat ze mij graag zouden willen aanstellen. Ik vond het een uitdagende functie en de mensen spraken mij ook aan. Toch hapte ik niet meteen toe. Het was namelijk een full-time baan en dat had ik niet voor ogen.  Alle dagen werken leek me toentertijd iets voor carrièrremakers. Er zou bovendien te weinig tijd over blijven voor al die andere leuke en creatieve dingen die ik graag deed. Retrospectief zou ik deze overwegingen ook kunnen duiden als angst voor de overgang van het vrije studentenleven naar een regelmatig bestaan met plichten.
Zelfverzekerd als ik die middag was zei ik dus, dat ik deze baan niet full-time wilde vervullen.
De coördinator dacht even na. ‘Zou je dan misschien iemand kennen met wie je samen deze baan zou willen vervullen?’, vroeg hij toen. Hij wilde blijkbaar ver gaan in zijn streven om mij te contracteren. Een duobaan sprak me wel aan en mensen die op zoek waren naar een dergelijke baan kende ik ook wel. Diezelfde avond nog polste ik M. Ze was gelijk enthousiast en besloot zonder omhaal te solliciteren. De baan was immers al half binnen. De toekomst zag er zonnig uit.

Het tweede gesprek vond plaats op de avond dat Johan Cruijff zijn fameuze afscheidswedstrijd tegen Bayern München speelde. M. had als eerste een gesprek met de commissie, die voor deze gelegenheid was uitgebreid met enkele bestuursleden. Ik zag ontspannen in een naastgelegen kamer hoe Bayern München het ene na het andere doelpunt scoorde. Ik hoopte dat M. er goed doorheen zou komen, zodat we samen aan de slag konden.
Daarna werd ik nog een half uurtje ondervraagd. Ik vond dat vreemd, want ik was toch al goed bevonden. Ik had me niet op nieuwe vragen voorbereid. Het gesprek verliep derhalve wat stroef.
Na afloop keek ik nog even naar de einduitslag van Ajax – Bayern München (0-8) en wisselde wat ervaringen uit met M., die redelijk tevreden was. ‘Dat komt wel goed’, zei ik.

Drie dagen later werd ik gebeld door de voorzitster van het bestuur. Ze had een hele omhaal van woorden nodig om uit te leggen, dat de keuze niet op mij gevallen was en dat men besloten had om M. full-time aan te stellen. Ik was te verbouwereerd om goede vragen te kunnen stellen. Bovendien kon ik echt niet geloven, dat ik op deze manier gepasseerd werd en dat M. hierin zou meegaan.
De volgende dag, na een aantal telefoontjes met M. en met de voorzitster, waarin mijn ongeloof geleidelijk was overgegaan in boosheid, gemarchandeer en hulpeloos geargumenteer, moest ik concluderen dat het echt waar was: men had M. aangenomen. M. bleef als een repeterende grammofoonplaat herhalen, dat zij was uitgekozen en dat dat inderdaad vervelend was voor mij.
Er was die avond een huisfeest in het studentenhuis, waar ik woonde. Ik liep er het eerste halfuur wat verdwaasd rond door de nog halflege kamers. Daarna vluchtte ik weg met een jonge jenever in de hand, een borrel die ik tot aan die avond nog nooit gedronken had. Op een kamer boven gaf ik mij over aan mijn verdriet en machteloosheid, de hele wereld om me heen vervloekend, de voorzitster van het JAC in Z. en mijn mede-studente M. in het bijzonder. Beneden werd onder luid gejuich voor de zoveelste maal die avond The sultans of swing van Dire Straits opgezet.

0

VERANTWOORDELIJKHEID OVERDRAGEN

Dagelijks

Stel: je wilt als ouder dat je kinderen meer voor zichzelf en voor hun omgeving zorgen en minder afhankelijk worden van jou. Welke ouder wil dit niet? Sterker nog, het kinderen leren op eigen benen te staan lijkt me de kern van de  opvoeding. Het overdragen van taken en verantwoordelijkheden gaat echter niet vanzelf. Kinderen zijn gewend dat er voldoende cola in huis is en dat er elke avond eten op tafel staat. Zij gaan niet uit zichzelf opeens inkopen doen of de was ophangen.
Om de verantwoordelijkheidszin te bevorderen, kan je als ouder je kind stimuleren, uitdagen, de positieve kanten laten zien, goed gedrag belonen.  Je kunt een appèl doen op het verstand (‘bij meer rechten horen ook meer plichten’ of ‘we moeten allemaal ons steentje bijdragen’). Je kunt op het gemoed spelen (‘je bent toch een volwassen vent’ of ‘als je erbij wilt horen, moet je ook je handen laten wapperen’). Ik heb het vinden van de juiste stimulans altijd ervaren als een van de grote uitdagingen van het opvoeden.

Overheden staan feitelijk voor dezelfde taak. Zij willen dat burgers minder bij hen aankloppen en meer voor zichzelf gaan zorgen. Dat wij zelf onze ouders verzorgen als die hulp nodig hebben. Of dat wij zelf een buurthuis runnen of ons eigen straatje schoonvegen. Net als kinderen nemen burgers die verantwoordelijkheid niet uit zichzelf over. Die moeten daartoe uitgedaagd of gestimuleerd worden. Bij hoger opgeleiden lukt dat nog wel eens, maar bij de kwetsbare groepen in de samenleving is dit een moeilijke opgave.
Dit proces speelt in veel landen, maar er zijn, volgens de wetenschappers Imrat Verhoeven en Evelien Tonkens
[1]grote verschillen in aanpak tussen de engelse overheid en de nederlandse overheid. In Engeland wordt een positief toekomstbeeld geschetst en worden burgers uitgedaagd om vooral de positieve kanten van de gemeenschapszin te ontdekken. In Nederland wordt het individu ‘op een norse wijze’  aangesproken op zijn plichten als burger. Je behoort voor je medeburger te zorgen en als je dat niet doet, dan mag je je schuldig voelen.  Het ‘come on, love’ tegenover de opgeheven vinger van de dominee. De voorkeur lijkt mij duidelijk. Maar geeft de verantwoordelijkheidsdrager zelf het goede voorbeeld?

In ondernemingen spelen soortgelijke ontwikkelingen. Leidinggevenden willen graag een ‘aanspreekcultuur’ bevorderen. Dat betekent, dat de medewerkers zich meer verantwoordelijk voelen voor de resultaten van de onderneming en dat medewerkers en leidinggevenden elkaar daarop aanspreken.  Medewerkers doen niet vanzelf wat de organisatie wil. Zouden ze dit wel doen, dan waren er geen managers nodig. Teammanagers lopen achter medewerkers aan om te zorgen dat de productie gehaald  wordt. Dat kan leiden tot een vervelende sfeer. Medewerkers voelen zich als kinderen behandeld en managers willen niet alleen maar controleur en boeman zijn.
Het zou derhalve mooi zijn als medewerkers zelf meer verantwoordelijkheid nemen voor de te behalen resultaten. Op zich is dit een streven, waar beide partijen voordeel uit kunnen halen. Een voorwaarde is dan dat er in onderling overleg afspraken worden vastgelegd over haalbare resultaten en dat de medewerker vervolgens de vrijheid wordt gegund op welke wijze hij deze resultaten wil behalen.

Een tweede voorwaarde is, dat het management zelf het goede voorbeeld geeft, d.w.z. dat het transparant is over de eigen doelstellingen en zich daaraan houdt. Als dit laatste ontbreekt is de missie tot mislukken gedoemd. Immers, wat zouden kinderen er van vinden als zij 2 x per week de  boodschappen moeten doen,  4 x de vaat en 1 x de strijk, terwijl  pappa en mamma gewoon maar doen wat hun goed lijkt, de ene keer dit, de andere keer dat?
Verantwoordelijkheid overdragen, het gaat niet vanzelf.


[1]Actief burgerschap: een wens of een moetje. Artikel op www.socialevraagstukken.nl
0

HALSBANDPARKIET

Dagelijks
Deze winter zag ik voor het eerst een halsbandparkiet in onze tuin. Ik weet zeker, dat ik deze vogel  niet eerder in de tuin gezien heb, want ik houd dit bij. Ik heb twee lijsten: één van alle vogels die ik ooit heb waargenomen, waar ook ter wereld; en één van de vogels die ik rond ons huis heb gespot: in de tuin, in de lucht daarboven of aan de voorzijde.
De eerste lijst bevat nu 157 vogels, de tweede lijst met deze halsbandparkiet erbij 38.

Ik had hem verwacht overigens, deze parkiet. Het is een exotische vogel, oorspronkelijk afkomstig uit Afrika en Zuid-Azie. Waarschijnlijk zijn er in Nederland ooit een paar uit een volière ontsnapt. Zij blijken hier goed te kunnen overleven, wat heet, ze planten zich in duizelingwekkende vaart  voort. De vogel is in Nederland aan een onstuitbare opmars bezig, met name in de steden.
Een halfjaar geleden kwam ik voor het eerst een groep halsbandparkieten tegen in de Voorveldsepolder. Ik wist eerst niet niet wat ik zag. Ik was aan het hardlopen, volgens een bepaald schema, maar ik stopte onmiddellijk. Dat wil wel wat zeggen, want als ik tijdens het hardlopen een mens ontmoet loop ik gewoon door.
Met een hand boven mijn ogen omhoog turend tegen het licht zag ik een aantal grote, lichtgroen gekleurde vogels met een lange staart en een rode snavel. Ze waren luidruchtig, ze stootten harde, hoge, schrille geluiden uit. Dat moest de halsbandparkiet zijn.

Een paar weken geleden zat ik op een morgen met mijn rug naar het raam te lezen in Zwarte Hondenvan Ian McEwan. In de tuin achter mij hoorde ik een hard, schril geluid. Omkijkend zag ik daar onmiskenbaar een halsbandparkiet. In zijn eentje.
In onze tuin stond een tafeltje met daarop iets, wat ik nog het best zou kunnen omschrijven als een ‘vogeltaart’, een ondiepe, bruine schaal geheel gevuld met vogelzaden, gedroogde kersen, nootjes en wat al niet bij vogels het water in de snavel doet lopen (of werkt dit bij vogels niet zo?). ‘Daar komen een hele hoop vogels op af’, was mij verzekerd. Op dat moment dacht ik nog niet aan de halsbandparkiet. Ik dacht vooral aan de sijsjes, vinken, goudhaantjes en winterkoninkjes, die ik jarenlang ‘s winters regelmatig in de tuin zag, maar die ik nu al een aantal jaar gemist heb.

De halsbandparkiet zat bovenin de pruimenboom als een ontsnapte papegaai om zich heen te loeren.
Zou hij bij toeval langsgevlogen zijn en ver onder zich iets lekkers hebben zien staan of geroken?
Na een tijdje liet hij zich omlaag zakken naar een van de onderste takken, een heel dun takje waar hij met al zijn gewicht zachtjes op heen en weer wiegde. Hij keek weer om zich een, zelfverzekerd en doelgericht. Hij liet zich ondersteboven vallen en hing toen met één poot aan dat dunne takje. Weer nam hij de omgeving in zich op. De parkiet had zijn zinnen gezet op die taart, dat leek mij duidelijk.
Toen nam hij de gok en stak over. Echter niet naar de schaal op het tuintafeltje, maar naar een pindanetje aan de onderste tak van de boom.
Het netje hangt met opzet aan een lang touw om te voorkomen dat eksters, gaaien en kauwen vanaf de onderste tak het netje kunnen leegeten. Vooral kauwen zijn zo slim dat ze met hun poten het pindazakje nog naar boven kunnen trekken.
Deze halsbandparkiet was niet zozeer slim, het was vooral een akrobaat. Zoals hij net aan het dunne takje hing, zo hing hij met zijn hele gewicht aan dat dunne touwtje, op zijn kop, zodat hij zich tegoed kon doen aan het lekkers.
Deze circusact kon mij niet bekoren. Ik moet opkomen voor de zwakkeren in deze samenleving, in dit geval de kleine vogeltjes. Dus sloeg ik hard tegen het raam. Dat helpt bij alle vogels, zelfs bij duiven. Deze halsbandparkiet was echter onverstoorbaar, ook voor het lawaai van de achterdeur, en ook toen ik een meter onder het pindanetje ging staan om hem zijn ongewenste gedrag duidelijk te maken.
Pas toen ik in mijn handen klapte, vloog ie op, die stoere acrobaat.
Het moeten zijn genen zijn, gevormd in de tropische wildernis.

0

GEPIMPTE TUINKABOUTER

In het nieuws, Reizen
Berlusconi is terug, tot verbazing en afgrijzen van velen. Hoe kan het dat er zoveel mensen stemmen op een schaamteloze flapuit, een oude seksist, een mooiprater, die de wetten aan zijn laars lapt? Waarom haalt hij nog 50% meer stemmen binnen dan de protest-leider Grillo?

Toen wij najaar 2007 in Rome waren trok een wijd verspreid affiche onze aandacht. Het was een oproep voor een politieke manifestatie met diverse sprekers, waaronder S. Berlusconi. Italianen houden van een levendig debat, ze zwaaien met vlaggen en komen massaal de straat op om hun onvrede te uiten. Omdat wij dat in Nederland niet zo veel meer meemaken, liepen wij naar het manifestatieterrein in een park ten zuiden van het Colosseum. Van de organiserende partij hadden we nog nooit gehoord. (Een week later zagen we thuis op Internet dat het de jongerenafdeling van de MSI was, de opvolger van de partij van Mussolini). Van een levendig debat of protest was overigens geen enkele sprake. Er ontstond alleen enige beroering toen er een groep veiligheidsmensen tussen een haag van achteruitlopende cameraploegen het manifestatieterrein opkwam. Daartussen bleek onze gepimpte tuinkabouter te lopen. Hij is zo klein, dat hij pas zichtbaar werd, toen hij op het podium werd gezet. Daar liet hij zich geheel ontspannen, als de vader des vaderlands, met een grap en een grol, interviewen over de benarde economische situatie van de Italiaanse jeugd. De toeschouwers luisterden ademloos en vol vertrouwen.

Italianen, zo is het beeld, zijn extravert, emotioneel, gericht op het uiterlijk. Als ze met elkaar praten, lijkt het of ze ruzie hebben. Zij willen opvallen en er mooi uitzien. De decolleté’s zijn er dieper dan elders. De grafmonumenten zijn er groter en protseriger. De aria’s worden met meer emotie gezongen en na een aria springt het publiek applaudiserend op. Zelfs een mis van Puccini of het Requiem van Verdi klinkt als een opera.
Officieel zijn Italianen katholiek. Er gaan nog steeds jonge mannen het klooster in en priesters lopen in Italie in hun soutane over straat. In Rome kan je jaarkalenders kopen met zwart-wit foto’s van aantrekkelijke, jonge priesters. Je kunt in Italië nog biechten. Ik zag eenmaal een stel nonnen in de rij geknield voor de biechtstoel (en ik dacht: wat hebben die daar te zoeken?). De meeste Italianen gaan echter niet meer naar de mis of ter biecht. Ze nemen het met de regels van kerk en staat niet zo nauw.
Bijgelovig zijn de inwoners van Italie zeker.  In iedere kerk is er wel een beeld van een heilige dat gekust moet worden om onheil af te wenden of een hoekje waar de foto’s van overleden kinderen, verongelukte wielrenners en motorrijders, tezamen met de gedragen helm, als gedenkteken aan de muur hangen.
Sportfanaten zijn het ook. Als het Italiaanse voetbalelftal speelt, is het, behalve in Süd-Tirol, overal uitgestorven op straat. Ze doen er alles voor om te winnen. De kennis over doping is tot wetenschap verheven.

Als deze beelden kloppen, dan is Berlusconi, met zijn schone schijn, gesjoemel, sport en porno, de meest Italiaanse man die er bestaat. En dan moeten we ons niet verbazen, dat er velen op deze man gestemd hebben.
Elk volk kiest de leiders die erbij passen, hoe zeer ook het buitenland, de financiële markten of Brussel dit anders zouden willen. De Europese Unie heeft eenmaal gedaan gekregen dat er een technocraat als regeringsleider werd aangesteld. Dat was tot voor enkele jaren geleden ondenkbaar. Het zal voorlopig een uitzondering blijven. Als je zaken wilt doen met Italie, krijg je met Berlusconi-achtige leiders te maken.
0

GROETEN UIT GUARDA

Reizen
Als ik uit het raam van het hotel kijk, zie ik een besneeuwde helling waarover diagonaal een wandelpad loopt. Bovenop de helling staat een rij kale naaldbomen. Daarachter ligt een bergrug waarvan de witte toppen, nog net beschenen door de late middagzon,  afsteken tegen een helder blauwe lucht.
G en ik vermaken ons deze week in de sneeuw in Guarda, een plaats in Oost-Zwitserland waar men Raeto-Romaans spreekt. Je wordt hier welkom geheten met Bainvignü. Alsof je een Duitser Italiaans hoort spreken. De taal is Zuid-Europees en het weer is veelal zonnig zuidelijk. In cultureel opzicht daarentegen heerst hier de Duitse Gründlichkeit und Ordnung. In deze enclave van de Europese unie komen Noord- en Zuid-Europa elkaar tegen.
Guarda is een klein dorp, gelegen op een zuidelijke helling op 1650 m hoogte. Op de gele en bruine gevels van de 17e eeuwse boerderijen zie je versieringen, spreuken en trompes d’oeuils. Dat noemen ze sgraffiti. Auto’s kom je er in de smalle straatjes niet tegen, winkels, reclames en vertier al evenmin. Hier wordt wintersport in stilte bedreven. Wandelend in de bergen hoor je alleen je eigen voetstappen, een sluiting van de rugzak die meetikt met de beweging, soms een piepend geluid als de punt van de wandelstok uit de sneeuw wordt getrokken.

Wij verblijven in hotel Meisser, al evenzeer een bolwerk van traditie als het dorp en een combinatie van stijl en zuinigheid. Het is keurig ingericht – zo’n vijftig jaar of langer geleden. Kroonluchters beschijnen de houten lambrizering in de eetzaal. Het bestek is van zilver en de naam van het hotel is in het damasten tafellaken geweven. De kaalgesleten plekken in het fraaie tapijt op de trap verraden jarenlang gebruik.
We hadden een eenvoudige hotelkamer geboekt. Omdat deze niet de gehele week beschikbaar was,  hebben we een kamer toegewezen gekregen aan de overkant van de straat, in zo’n oude, versierde boerderij. De entree is eeuwenoud: een vloer met brede planken, een lage zoldering, smalle deurtjes links en rechts en een steile trap omhoog. Op de 2e etage, onder de nok, waar eerst de hooizolder was, gaat een deur open naar een zeer luxueuze suite van enorme afmetingen. Tussen het woongedeelte en de badkamer en tussen de keuken en het slaapgedeelte kunnen we hier aardig wat meters maken. De wandelvakantie strekt zich tot binnen uit. Het voordeel is dat er genoeg ruimte is om de vochtige wandelkleding uit te hangen. Ook de scheetjes van de Zwitserse Raclette lossen hier snel op.
In de bergkamer hangt achteloos de prijs van deze suite aan de muur:  400-500 euro per nacht op basis van halfpension. Sinds wij de wijnkaart hebben gezien, met diverse gerenommeerde wijnen van boven de 100 euro, kijken we hier nergens meer van op.

Vandaag wandelden we op onze sneeuwschoenen met een groepje onder leiding van de gediplomeerde berggids André naar een naamloze stapel stenen op zo’n 2400 meter. In het begin is het even wennen aan die dienbladen onder je voeten. Maar als de sneeuw dikker wordt blijkt hoe handig ze zijn. Het Schneeschuhwandern heeft twee verschillende kanten. Omhoog loop je eerst over gebaande paden, hogerop maak je slalommend door de Tiefschnee op de alm je eigen weg. Dit is het meest inspannende deel van de tocht. Omlaag loop je gewoon via de kortste weg de berg af. Je zet eerst je ene hak in de sneeuw, daarna de andere en schuift zo omlaag. Je moet er enig lef voor ontwikkelen, maar als dat is gelukt, loop je heerlijk ontspannen immer gerade aus de helling af. Je moet niet stil blijven staan, want dan zak je tot je knieën of meer in de sneeuw. Kom je vast te zitten, dan duik je voorover in de sneeuw om je benen weer los te wrikken. Zo valt er steeds wat te beleven.
Voor onze veiligheid hoeven wij niet te vrezen. Ieder van ons draagt een pieper. De gids heeft uitgelegd hoe je een signaal moet uitzenden als iemand bedolven is onder een lawine. Het is iets met drie maal kort indrukken of éénmaal drie seconden lang indrukken. Dat heb ik nog niet goed begrepen. Ik hoopte dus maar dat André niet bedolven zou raken. Ik had vandaag de verantwoordelijke taak om peilstok en schepje mee te sjouwen, noodzakelijke instrumenten om iemand die onder de sneeuw ligt uit te graven. Ik had voortdurend zin om mijn schepje uit te proberen.
Onderweg legde André het verschil uit tussen een spoor van een edelhert en dat van een ree. Verder zagen we een braakbal van een vale gier en het toilet van een das. Het woord van de dag was Losung (uitwerpselen). We kennen nu niet alleen de vorm, maar ook de structuur van de Losung van alle wilde dieren in het Engadin-dal.
Morgen gaan we weer op pad.

3

DEBUUT

Dagelijks

Op zondag 9 juni 1985 stond ik ‘snachts om 01.30 uur buiten voor het Militair Hospitaal in Utrecht te wachten op een taxi. Ik was zojuist voor het eerst vader geworden. Ergens in het gebouw achter mij lag in een couveuse een wurmpje met een grote rode vlek op zijn hoofd. Het was erg stil op straat. Ik stond daar alleen. Het vaderschap drong nog niet tot mij door.
Een jaar of zeven later stond ik regelmatig op de zaterdagmorgen langs het voetbalveld. Met mij stonden er nog zo’n 10 mannen, 10 vaders, langs de lijn naar hun zoontjes te kijken. Vader zijn betekende je zoon aanmoedigen bij het voetballen. Ik voelde me toen meer vader dan ooit.
Op vrijdagavond 1 februari 2013 had ik weer zo’n vadermoment. Het was opnieuw bij een voetbalwedstrijd, nu bij het eredivisieduel RKC-Heerenveen in Waalwijk. Ik zat in een uithoek van het kleine stadion temidden van zo’n 7000 toeschouwers en een hoop lawaai.  Ik was er weer als vader. Zoon A zat als reservekeeper op de bank bij RKC.
Diep in de tweede helft bleef mijn blik hangen bij de hoge bomen die in het oosten boven de lage tribune uitrijzen.  In de luwte van het stadionlicht stonden de bomen er schitterend en sprookjesachtig bij, als een oase van rust boven de drukte op de fel belichte grasmat beneden. Op dat moment zwelde het rumoer in het stadion aan. De keeper van RKC, Jeroen Zoet, had een penalty veroorzaakt en werd met een rode kaart het veld uitgestuurd. Dat kon maar één ding betekenen. A zou zijn debuut in de eredivisie maken. Mijn hart sloeg direct een versnelling hoger.

Het duurde nog een lange tijd, eer hij in een wit-grijze outfit voor de dug-out aan de zijlijn verscheen. Hij zag er breed, lang en fors uit. Was dat mijn zoon, daar beneden in die arena vol licht en geluid? Was dit werkelijkheid? Van een afstand, in een stadion of op tv,  zien voetballers er steeds hetzelfde uit. Het zijn half anonieme mannen met gespierde benen en bezwete hoofden. Zo zag ik voetballers toen ik jong was, zo zie ik het ook nu vaak. Het lijkt soms nog steeds alsof die mannen op het veld ouder zijn dan ik. Als ik de spelers na afloop van een wedstrijd tegenkom en van dichtbij zie, zijn het opeens jonge jongens, ook al dragen ze het door de club voorgeschreven pak met stropdas.
De reservekeeper van RKC, met het rugnummer 22, zag er behalve fors, ook enigszins breekbaar uit.
Hij moest namelijk direct aan de bak voor het keren van de strafschop. Het leek alsof het lopen van de middenlijn naar het doel heel lang duurde.
Het kan mij niet heugen, dat een keeper die koud en niet-ingespeeld van de bank komt, een strafschop gestopt heeft. Bovendien was de technisch begaafde, Servisch voetballer Filip Djuricic de tegenstander in dit psychologische spel. Djuricic wachtte zo lang dat hij in een fractie van een seconde zag welke hoek A in gedachten had en schoot slim en genadeloos in de andere hoek.

Toen er weer was afgetrapt kwam bij mij weer het dubbele gevoel dat ik zo vaak heb als A een wedstrijd keept. Enerzijds hoop ik dat het spel zich niet teveel voor zijn doel afspeelt, zodat de kans klein is dat hij een doelpunt moet incasseren. Anderzijds hoop ik dat er eens een tegenstander een lekkere bal op het doel schiet, waardoor A kan laten zien wat hij kan.
De Rooms-Katholieke Combinatie ging in de laatste minuten wanhopig op zoek naar de verdiende gelijkmaker, dus Heerenveen kwam weinig in de buurt van A. Eenmaal redde hij knap door zich manmoedig voor de benen van de doorgebroken Kums te werpen. In blessuretijd kwam er toen nog onverwacht een kans om zich te onderscheiden en een plaats te verdienen in de voetbaloverzichten van dat weekend (Is dat wat vaders willen? Wil je als ouder dat je kind bereikt wat je zelf niet hebt kunnen bereiken?). Keeper A ging mee naar voren toen RKC nog een laatste corner kreeg.
Het speelde zich af bij het doel dat ver van mij vandaan was. Ik zag zijn witte shirt in een melée van 19 andere spelers. Tussen het geelblauw van RKC en het zwart van Heerenveen leek hij als een exotische vogel tussen een troep duiven en kauwen. Mijn adem stokte, toen ik zag dat de bal met een strakke boog richting het hoofd van A ging.
In zijn jonge jaren heeft A op alle posities gespeeld. Hij voelde zich heel verantwoordelijk en was overal op het veld te vinden. Ooit maakte hij 8 doelpunten tegen VVIJ. Ik heb echter nooit gezien, dat hij koppend uit een voorzet gescoord heeft.
Hij kreeg deze bal daadwerkelijk op zijn hoofd. De bal ging in de richting van het doel maar was net te hoog om onder de lat te vallen.
Na het laatste fluitsignaal schuifelde de ontevreden en mopperende massa supporters heel traag over de betonnen trappen het stadion uit. Temidden hiervan was er tenminste één toeschouwer, die nog nagloeide van  opwinding en trots, een vader.

0

MOOIE MUZIEK

Muziek
Radiozenders laten hun luisteraars regelmatig vertellen, wat zij de mooiste muziek vinden. Daar wordt dan een top 400 of een top 2000 van samengesteld. Een handige vorm van marktonderzoek. Je bindt luisteraars aan je programma en je weet wat je de rest van het jaar moet draaien om je luisteraars te behouden.
Programmamakers zijn overigens niet alleen geïnteresseerd in wèlke muziek men het mooiste vindt. Ze willen ook weten, waaròm. Het blijkt nog een hele klus om dat goed uit te leggen. Als het over populaire liedjes gaat, dan hoor je antwoorden als:
‘het is een lekker opgewekt nummer, ik word er altijd zo vrolijk van’
‘ik vind het gewoon een goed nummer, het gaat door merg en been’.
Andere liefhebbers verklaren hun waardering voor de muziek vanuit hun eigen ervaringen.
‘Ik zat op de Brouwersdam in Zeeland naar de ondergaande zon te kijken, mijn relatie was net vier weken daarvoor uitgegaan, en toen hoorde ik dit nummer voor het eerst’.
Op welke wijze mensen hun waardering ook uitleggen, het lijkt er altijd om te gaan dat de muziek bij hen een bepaalde emotie heeft geraakt.
 

In de klassieke muziek is dit al niet anders. Je komt in deze muzieksoort wel meer gestudeerde explicateurs tegen. Mensen die veel meer woorden gebruiken om uit te leggen, waarom een bepaalde uitvoering mooi is. Zoals bijvoorbeeld op zondagmiddag op Radio 4 in het programma Discotabel.

Hierin bespreekt een steeds wisselend panel van muziekjournalisten, musici en muziekwetenschappers nieuwe en oude muziekopnamen, onder leiding van presentator Hans Hafmans, de Jack van Gelder van de klassieke muziek.
Dat de ene uitvoering mooier is dan de andere, wordt door de panelleden onderbouwd met verwijzingen naar de dynamiek, het tempo of de ‘frasering’. Soms zijn het speciale details, zoals ‘een mooie houtblazersectie’, een goed gebalanceerde opname of een mooie concertzaal (‘lijkt me de Wigmore Hall in Londen’). Het meest doorslaggevende argument, het argument dat het steeds weer wint van alle andere argumenten is, dat ‘musici hier hun eigen verhaal vertellen’. Welk verhaal er wordt verteld, is mij vaak niet duidelijk.
De panelleden weten niet alleen veel van muziek, maar ook van de geschiedenis, van de tijdgeest en niet in de laatste plaats van de persoonlijkheid van de componist. Dat zijn kennelijk onmisbare elementen om te kunnen duiden of de uitvoering van de muziek ‘mooi’ is. Zo liet dirigent Jan-Willem de Vriend onlangs in Pauw en Witteman weten, dat de snelle strijkersnootjes aan het begin van de 9e symfonie van Beethoven verwijzen naar een 19e eeuwse voorloper van een asfalteermachine die toenterijd het geluid op straat in Wenen beheerste.

Afgelopen jaar was ik tijdens het festival Oude Muziek in Utrecht bij een uitvoering van Zelenka’s Missa Omnium Sanctorum. Ik was diep onder de indruk van de pracht van dit werk. Via YouTube leerde ik daarna nog veel meer missen en andere vocale werken van Jan Dismas Zelenka kennen. Alleen al de naam van de componist vind ik intrigerend. Zelenka was een tijdgenoot van Bach. Hij werkte in Dresden, Bach in Leipzig. Zelenka was katholiek, Bach protestant.
Waarom vind ik de muziek van Zelenka zo mooi? Hierbij geef ik mijzelf het podium om in enkele regels uit te leggen, wat er zo mooi aan is.
“Het zijn fraaie harmonieën, een afwisseling van koorzang en solozang. Allerlei emoties komen langs, smart, opgewektheid, toewijding. Bovenal sprekt het tempo mij aan. Zelenka is Bach op 45 toeren. Er zit een energie in, een drive, en een opgewektheid zelfs als de toonsoort in mineur staat”.
Moet ik verder zoeken welk verhaal hier wordt verteld? Duiken in de persoon van Zelenka?
Ik stop met verklaren en uitleggen.
Ik vind Zelenka gewoon mooi. Ik word er vrolijk van. Nooit gedacht dat ik  van een katholieke mis nog eens vrolijk zou worden.
Et  unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam! Tafels en stoelen aan de kant!
Luister zelf maar.