Schrijven, Lezen, Leven.
0

GENIETEN

Dagelijks
 Het gebeurt wel eens, dat anderen iets zeggen over hoe men mij ervaart.
‘Jij zult ook nooit eens een agent tussen zijn benen pissen’, heeft ooit iemand tegen mij gezegd.
Dat was een rake observatie.
‘Je kunt niet genieten’ was een andere opmerking die een kern van waarheid in zich heeft.

Ik hou van klassieke muziek, maar ik ga nooit zomaar op de bank zitten luisteren. Dan pak ik er toch even het strijkgoed bij. Een kaartspelletje spelen op de computer vind ik een aangenaam tijdverdrijf, maar het mag natuurlijk niet te lang duren. In een therapie heb ik een keer een opdracht gekregen om activiteiten op te schrijven waarvan ik kan genieten. Sindsdien neem ik nog wel eens een warm bad (daarover een andere keer meer).
In het leren genieten kan ik een voorbeeld nemen aan onze kat Y. Heeft ie net een nacht lang liggen pitten, nestelt hij zich op een plekje in de zon en gaat daar heerlijk liggen spinnen. Als ie zijn brokjes in saus krijgt, likt hij eerst alle saus op, omdat ie dat het lekkerste vindt. Gedurende de rest van de avond werkt hij met enige moeite de brokken naar binnen. Dat zou ik nu precies andersom doen. Eerst de brokken wegwerken en dan nog even genieten van de saus.  Eerst het nuttige, dan het aangename.
Ik voel daarom steeds minder aansluiting bij de wereld om mij heen, waarin genieten, kicken en het nastreven van succes tot het grootste goed behoren. Meedoen aan een danswedstrijd op tv: kicken! Deelnemers aan the Voice of Holland die staan te bibberen voor een optreden: ‘ik ga nu heel erg genieten’! Als het resultaat toch wat tegenvalt, wordt het optreden alsnog met woorden mooi gemaakt: ‘je was echt fan-tas-tisch’.
Wie wil blijven genieten, moet voortdurend zijn grenzen verleggen. Is gewoon skieën op de piste te saai geworden, dan begeven we ons buiten de geprepareerde baan. Of we gaan na afloop naar het wellness landscape in het hotel. Het avondje naar de disco heeft zich ontwikkeld tot 12 uur lang springen op een dance festival. I want it all and I want it now.

De belgische psychiater Dirk de Wachter beschrijft in zijn boek Borderline times de alomtegenwoordigheid van de ‘plicht’ om jezelf te zijn en te genieten. Als je niet kunt genieten dan ben je een loser, die behandeld moet worden. Het consumentisme vult het gat op dat ontstaan is door het wegvallen van tradities, kerk en geloof. Achter een façade van succes en geluk ziet hij een gebrek aan eigenwaarde, bindingsangst en relationele instabiliteit. Gaat een relatie even minder goed, dan gaan we op zoek naar een ander. We kunnen er niet mee leven als het een tijdje minder gaat, want we moeten gelukkig zijn en geluk is maakbaar. Problemen die bij het leven horen, zoals rouwen en opstandig gedrag van kinderen, worden psychiatrische problemen waarvoor professionele hulp gewenst is.
De Wachter gebruikt de metafoor van de speedboot, waar de mooie succesjongens met gebruind bovenlijf voorop staan, maar waar achteraan steeds meer mensen afvallen. Daarachter varen de reddingsboten van de ggz. Die raken overvol, daar mogen dus minder mensen in.

Zijn antwoord is: we moeten leren om een beetje ongelukkig te zijn. Als je tegenspoed kunt accepteren, kan je beter met dips omgaan. Daarnaast moeten we meer om elkaar denken. Verbinding, engagement en solidariteit moeten tegenwicht bieden aan het doorgeschoten individualisme, aldus de Wachter.

De vergelijking van de maatschappij met de borderline persoonlijkheidsstoornis vind ik wat vergezocht. Bovendien is het wat paradoxaal van iemand die de psychiatrisering tegen wil gaan om de maatschappij nu juist met een psychiatrisch ziektebeeld te vergelijken. Niettemin kan ik me vinden in zijn analyse. Na het dogma van de economische groei is er nu de plicht van de groei in geluk.
Leren omgaan met tegenslag en met het uitstellen van directe behoeftenbevrediging horen in elke opvoeding thuis, net zoals het elkaar helpen.

Dat geschreven hebbende, ga ik nu eerst mijn oefeningen doen. Een volgend glaasje wijn inschenken. Lekker genieten.
Of wacht eens, kan dat eigenlijk wel? Gisteravond zat ik ook al te drinken in een café. Laatst zag ik nog een bericht over de schrikbarende groei van het alcoholgebruik onder 50+ mannen. Het is ook altijd wat.

0

GROETEN VAN VLIELAND

Reizen

Het bleke licht van een waterige zon wordt weerspiegeld in het grijze nat van het drooggevallen wad. Grutto’s en bergeenden spitten naar eten. Wat verder uit de kust foerageren aalscholvers boven het rimpelige water.
In de duinen waait de wind stevig door het geelbleke helmgras. Scholeksters scheren in paartjes luidruchtig en opgewonden boven onze hoofden. Op de groengrijze duintoppen zijn her en der de witte vlekken van rustende meeuwen zichtbaar. Voortdurend horen we het knarsende geluid van fietsbanden over schelpenpaden.

G en ik wandelen op Vlieland. Wij behoren tot de weinigen die het eiland te voet doorkruisen. Het lijkt wel of iedere toerist, jong of oud, de godganse dag rondjes fietst over het eiland. Vooral tandems voor 1 volwassene en 1 kind zijn hier razend populair. In de Dorpsstraat van Oost-Vlieland,  waar terrasstoelen, reclameborden, gestalde fietsen en kledingrekken de voetganger dwingen om op de rijweg te lopen, moet je uitkijken dat je niet omver gereden wordt door mensen die hun eerste meters maken op zo’n tandem.
Toegegeven, van huis uit was ik ook meer fietser dan wandelaar. Als ik met mijn ouders eenmaal per jaar een weekje op vakantie ging, ergens in Nederland, dan gingen altijd de fietsen mee. Toen ik later zelf op vakantie ging, trok ik er met de racefiets op uit. G daarentegen is van jongs af aan gepokt en gemazeld in het wandelwezen. Zij heeft mij de schoonheid van het wandelen geleerd.
Behalve met fietsers is Vlieland deze week vol met kinderen. Uit wat ik zo hier en daar opvang van de conversatie tussen kinderen en hun ouders wordt mij duidelijk, waarom ouders maar wat graag hun kinderen op een tandem zetten om een eindje te gaan toeren, met een ijsje als beloning in het vooruitzicht.
Een jongetje van een jaar of zes tegen zijn moeder: ‘daarover wil ik nu niet in discussie’.
Een andere jongen ’s avonds om half negen in de ijssalon: ‘dan wil ik nu nog naar de manege’. ‘Oh nee’, reageert moeder kordaat, ‘dàt gaan we nu niet meer doen’. Waarop vader zegt: ‘van mij mag ie naar de manege…’.
Schuin onder ons logeert een gezin met drie kinderen: een meisje van naar schatting 11 jaar, een jongen van 9 en een meisje van 7. De drie kinderen doen buiten allerlei spelletjes, maar geen enkel spel houden ze langer dan 5 minuten vol. Spelen ze met een rugbybal, dan wil het jongetje stevig tegen zijn zusjes aanbotsen, maar de zusjes willen alleen kalm overgooien. De jongen heeft hele andere zaken aan het hoofd. Hij roept regelmatig: ‘Condooms! Hoeveel condooms heb jij, is dat wel genoeg om te sexen?’. Moeder doet ondertussen een vergeefse poging om rustig van de zon te genieten. Hebben wij vroeger ook op deze wijze vakantie gevierd?
Wij lopen  van het knersende schelpenpad af en klauteren moeizaam via een zanderig pad  een duin op. Tijdens het klimmen zakt de grond onder onze voeten weg. Het voelt als een soort sneeuwwandelen. Aan de andere zijde schuiven we met schoenen vol zand omlaag een breed strand op. Dam 30 heet het hier. Het is er volkomen leeg. Strand, zee en lucht zijn één oneindige ruimte. Zo ver wij links en rechts kunnen zien, is er geen mens te bekennen. De wind heeft vrij spel. Het lichte, droge zand wordt in grillige slierten over het vochtige deel van het strand geblazen. Het zand knerst tussen onze tanden.Opeens zien wij dat bandensporen hier dichtregels in het vochtige zand hebben achtergelaten:

Mijn lippen verlangen naar het zilte van de jouwe
De wind maakt ruimte en in de stilte kan ik van je houden.

Kijk, daar komen we voor.
Later lezen we dat de Vliehors Express elk jaar nieuwe dichtregels op zijn banden krijgt. Iedereen kan regels daarvoor insturen. Zal ik eens gek doen en de eerste zin van dit stuk toesturen?

0

KRONINGSDAG

Dagelijks

In 1970 verliet ik het ouderlijk huis en huurde een grijs zolderkamertje van 2 bij 3 in de Rivierenwijk in Utrecht. Om de kamer wat meer kleur te geven verfde ik de deur en de balken oranje, wat toen modern was. Omdat ik nog wat verf over had en tevens omdat ik de kans wilde verkleinen dat mijn fiets in de grote stad gestolen zou worden, verfde ik vervolgens ook mijn fiets oranje. Dat viel destijds nogal op. Mijn fiets werd niet gestolen, maar er was één dag per jaar, dat ik me op mijn fiets ongemakkelijk voelde: op 30 april. Als kind van de jaren zestig was ik tegen alle autoriteiten en tegen het koningshuis.
Daarin ben ik niet veranderd. Mocht er nu een volksraadpleging over de monarchie gehouden worden, dan stem ik zonder aarzelen tègen. We vlaggen niet op 30 april en van het Wilhelmus neurie ik inwendig alleen de eerste twee noten als ik in een muziekstuk de kwartsprong naar boven moet maken. Enige nieuwsgierigheid naar het koningshuis kan ik echter niet onderdrukken.

Daarom zitten G en ik op Kroningsdag om 10 uur voor de televisie om live de door 6 camera’s geregistreerde abdicatieplechtigheid te volgen. Als het publiek op de Dam buiten vervolgens ‘Bea bedankt, Bea, Bea, Bea bedankt’ gaat zingen, voel ik me al kregelig worden. Beatrix mag van mij best bedankt worden en wie weet verlangen we over tien jaar wel erg terug naar haar, maar dit scanderen roept associaties op met een volk dat zich nederig voor de troon van de koning buigt. G meent te horen dat het publiek ‘Heya Jan Bols’ scandeert.
Wanneer de NOS vervolgens diepgaand gaat analyseren of, en zo ja wanneer en hoe, de koningin een spoor van emotie vertoonde, schakelen we de tv uit, doen onze wandelschoenen aan en rijden spoorslags naar Doorn voor een wandeling over het landgoed Sandenburg.

In 1980 woonde ik in een gekraakt huis. Niettemin was er geen moment de gedachte bij mij opgekomen om op Kroningsdag in Amsterdam mee te doen met de krakersactie Geen Woning, Geen Kroning. Ik was net een brave burger geworden. Vijf maanden daarvoor had ik een baan gekregen en twee maanden daarvoor een vriendin. G en ik vierden eind april onze verliefdheid in een opgeknapt schuurtje achter een woning in Schiermonnikoog. Op de kroningsdag van Beatrix reisden we met de Daf, die mijn vader had nagelaten, van Holwerd terug naar Utrecht om ‘s avonds een concert van Joan Armatrading bij te wonen (Show some emotion, dat was toen al het advies aan de nieuw gekroonde koningin).

In Doorn heeft men uitbundig de vlaggen buitengehangen. Op een pleintje voor de HEMA is een terras ingericht. In het bleke zonnetje en de schrale wind zitten hier en daar wat mensen met oranje petten of sjaals hun koffie te drinken. De stemming moet er nog in komen. Een dj draait het gewraakte koningslied met de volumeknop ver open.
In 1981 heb ik prinses Juliana ontmoet. Ik had een hoofdstuk geschreven in het boek Samen gewoon verder (met als ondertitel gehandicapt zijn is anders dan je denkt). Het eerste exemplaar werd aan prinses Juliana overhandigd. De titel van het boek sprak haar zeer aan. Al was ik tegen het koningshuis, ik voelde me zeer vereerd om bij deze uitreiking aanwezig te zijn en vervolgens zeer teleurgesteld, toen ik haar niet de hand had kunnen schudden. Kritische mensen zijn toch vaak ook autoriteitsgevoelig, dat is het bijzondere.
We lopen door bos en veld en we zien het botten van de bomen en het bloeien van de blaadjes. De vogels kwetteren en de lammetjes mekkeren. Terug in Doorn nemen we het eerste ijsje van dit jaar.
’s Avonds op de bank zien we de samenvatting van de samenvatting en is de conclusie dat we vanaf vandaag behalve een koningin ook nog een koning hebben, een koning die druk bezig is om zich een populair imago aan te meten en een koningin die drie maal per dag naar de kapper gaat.
Rest de vraag wat wij ons over tien jaar nog van deze dag zullen herinneren.

1

BEWAREN OF WEGGOOIEN

Dagelijks

Ik ben in huis aan het opruimen geslagen. Meer dan vijfentwintig jaar zijn we druk geweest met werken en met het grootbrengen van kinderen. We namen geen tijd om op te ruimen. We zijn bovendien zuinig ingesteld: iets wat goed is, gooi je niet weg. Je zou het altijd nog eens nodig kunnen hebben en als wij het niet meer nodig hebben dan een ander wellicht. Tenslotte, omdat we in een groot huis wonen, was er geen noodzaak om op te ruimen. Wat we niet meer gebruikten konden we wel ergens opslaan.
Maar nu puilen de kasten uit, de kelder is overvol, op de logeerkamer staan de spullen naast het bed opgestapeld. Mocht het de komende jaren tot een verhuizing komen, en dat is niet ondenkbaar, dan kunnen we niet alles meenemen.
Daarom ben ik begonnen met opruimen. Vanaf de zolder werk ik systematisch alle kamers af. Er gaat heel wat door mijn handen: lakens, knuffels,  slaapmatjes, carnavalskleding, fotolijstjes, voetbaltassen, kussens voor tuinstoelen, prullaria uit kerstpakketten. Al die spullen zijn ooit een keer door de voordeur het huis binnengekomen. Ooit heeft er iemand in een winkel staan uitkiezen.
In mijn eigen kamer is het vooral een grote papierwinkel, van bankafschriften tot folders van ski-oorden, van de notulen van de ouderraad van het Bonifatiuscollege tot bloknoten vol aantekeningen uit een managementopleiding. De gedachte dat iets ooit nog eens van pas zou komen is niet uitgekomen. Desondanks speelt steeds weer die vraag: is het niet goed om gedocumenteerd te blijven, zodat ik later nog weer eens wat kan opzoeken en de sfeer kan proeven? Ga ik er later geen spijt van krijgen als ik nu iets weggooi? In een bijna open gescheurd, hard plastic mapje met rekeningen van aannemers vind ik onverwacht enkele bouwtekeningen van ons huis, gedateerd 26 juni 1897, met advies van den Insp. Th. Bouwens (!). Die bewaar ik zeker.

In de kamer van zoon A, een paar jaar geleden verlaten en voor een groot deel opgeruimd, staat nog een aantal van zijn spullen. Die mogen alle weggegooid, zei A. Ik kan dat echter niet zomaar in vuilniszakken kieperen. Niet eens zozeer vanuit motieven van afvalscheiding (bij de bloknoten verwijder ik zelfs de spiraaltjes van het papier) maar vooral om de persoonlijke elementen eruit te halen.
Zo heeft mijn moeder zo’n 30 jaar geleden tijdens een opruimactie in haar huis voor mij een doos gevuld heeft met documenten uit mijn jeugd. Hierin bevindt zich een variaplakboek met plaatjes van Conny Froboess, Catarina Valente en Eddy Hodges, plus een verzameling sigarenbandjes (Schimmelpenninck, Ritmeester, Elisabeth Bas, en vele andere). Verder zijn er wat overblijfselen uit mijn gymnasiumtijd (bovenaan een Tacitusvertaling, waarvoor ik een 8,5 had gekregen, heb ik met koeieletters gekalligrafeerd EINDELIJK GERECHTIGHEID! En in een agenda een uitspraak van mijn leraar Grieks ..en de meisjes, toen zij zich geolied hadden..). Maar bovenal is het een sportarchief van krantenartikelen, schaatsboeken en alle uitslagen van olympische spelen van 1896 tot 1968, door mij compleet overgetikt op de oude Remington van mijn vader.

Moet ik toch niet veel meer spullen bewaren?
In de kamer van A gooi ik een verzameling bierviltjes, donald ducks, schriften van de middelbare school en seizoensgidsen van Voetbal International bij het oud papier. Zijn verzameling sportprijzen, een aantal foto’s en een boekje afscheidsbrieven van de basisschool red ik van de ondergang.
Het moet gezegd: ik vind opruimen een weemoedige bezigheid, zeker waar het spullen van onze kinderen betreft. Als kinderen jong zijn heb je er je handen vol aan. In de tijd van de basisschool volg je de ontwikkelingen intensief. In de jaren van het voortgezet onderwijs begint het loslaten en voor je het weet zijn ze het huis uit en lijkt die hele periode met kinderen als een wervelwind voorbijgegaan.
Voor je het weet is dan je baan opgeheven en dringt zich onvermijdelijk de eerste vraag uit de kathechismus op: waartoe zijn wij op aarde?

Op naar de volgende fase.

0

(VOOR JE) KIEZEN

Dagelijks
Het gesprek ging over keuzevrijheid.
Ik zat met koorgenote G op de achterbank van een twintig jaar oude Saab, die onderweg was vanuit Limburg naar Utrecht. Ons koor had op zondagmiddag een optreden verzorgd in de Dominicaner kerk, nu boekhandel Selexyz, in Maastricht, als afsluiting van ons jaarlijkse koorweekend.
Terwijl we voortsuisden over de A2 spraken we over onze kinderen en over de keuze voor opleiding en werk.

Wij leven in een vrij land, we maken onze eigen keuzes. Het is goed dat onze ouders niet meer een partner voor ons uitkiezen. Dat de kerk niet bepaalt wat je wel en niet mag doen. Dat je afkomst niet meer direct je kansen in de maatschappij bepaalt.
Maar wat moeten we met een Albert Heijn XL waar je verdwaalt tussen de schappen met chips en andere zoutjes? Wie heeft er bedacht dat we bij een zeurende kies eerst de tarieven van verschillende tandartsen gaan vergelijken? Dat we aan het einde van elk jaar de zorgpolissen van diverse zorgverzekeraars moeten gaan doornemen? Om over belbundels, internetproviders en energieleveranciers nog maar te zwijgen.
Keuzevrijheid, het is bekend, brengt ook besluiteloosheid en stress met zich mee. Je moet er niet aan denken dat je achteraf van anderen hoort, dat je beter iets anders had kunnen kiezen. ‘Heb jij zoveel betaald voor het schilderen van je huis? Dat kan veel goedkoper, man..’
Als jij het kunt bepalen, dan kan je ook falen. Er zijn vele zelfmanagementboeken van goeroes, die vertellen dat je het lot in eigen hand hebt. Legio zijn de voorbeelden van geslaagde mensen in de media, mensen die blijkbaar de goede keuzen hebben gemaakt. Als jij een verkeerde keuze hebt gemaakt, dan kan je alleen jezelf daarvan de schuld geven. Of niet?
Uit het onderwijs komen steeds vaker geluiden, dat de veelgeprezen keuzevrijheid van de leerling geen positief effect heeft op de leerprestaties. Op middelbare scholen wordt nu veel tijd ingeruimd voor ‘orientatie op studie en beroep’. Is het dan niet verbazingwekkend dat het aantal studenten dat stopt met een studie en daarna weer een andere studie begint juist is toegenomen? Relaties: idem dito.

De Saab van AJ ruikt nog zoals een auto vroeger rook, naar leer en motorolie. Hij zoeft over de weg, geluidlozer dan menige nieuwe auto. Maar het was warm zondagmiddag daar op die achterbank. Dus we draaiden de raampjes wat omlaag en lieten het lawaai van de snelweg binnenkomen.
We vroegen ons af, of kinderen met teveel keuzen worden opgevoed.

Waar wil je heen met vakantie? Wil je logeren bij oma A of oma B (of C en D voor de kinderen uit samengestelde gezinnen)?
Verder vroegen we ons af of we ons eigen kinderen met teveel keuzevrijheid hebben opgevoed.
We wilden het anders doen dan onze ouders. We wilden het zelf uitvinden. Dat was de tijdgeest.
Ook opvoeden is continu een keuzeproces. Doe ik het wel goed? Elke situatie was weer nieuw. Telkens als ik dacht: ‘nu begin ik het een beetje in de vingers te krijgen’ deed zich weer een nieuw dilemma voor.

Al schrijvend aan dit stuk komt de vraag op, of ik zelf de goede keuze heb gemaakt in studie en beroep. Ik denk wel eens van niet. Maar wat is de zin van het stellen van deze vraag na 40 jaar?
Wat je precies kiest is eigenlijk minder van belang dan hoe je kiest. Gaat het daar niet om?
Je kunt lang wikken en wegen omdat je keuze perfect moet zijn. Dan is het moeilijk om te dealen met tegenvallers. Je kunt je ook realiseren dat je niet alles in eigen hand hebt. Je kunt tevreden zijn met alternatieven, die wellicht minder ideaal zijn. Soms is er niets te kiezen en dan krijg je het voor je kiezen.
Ooit was er het idee, dat ik later priester zou worden. Na het lezen van dit soort zinnen lijkt dat een niet zo’n hele rare gedachte meer.
Waar een gesprek op de achterbank van een Saab al niet toe kan leiden.

0

SÜSSE TRIEBE

Dagelijks
Vorig weekend zat ik in een koude tuin me te warmen aan de zon. Je moet tenslotte wat doen om het voorjaar af te dwingen. De vogels zijn er ook klaar voor. Een paar pimpelmezen was met veel gefladder en gepiep bezig het vogelhuisje te verkennen. Toeval of niet, door mijn hoofd ging een liefdesduet uit die Zauberflöte, een stuk dat ik diverse keren gezongen heb. De eerste zinnen luiden:

Pamina (sopraan): Bei Männer welche Liebe fühlen, fehlt auch ein gutes Herze nicht.
Papageno (bas): Die süssen Triebe mit zu fühlen, ist dann der Weiber erste Plicht.
Daarna gaan beiden in samenzang verder: Wir wollen uns der Liebe freuen, wir leben durch die Lieb allein.

Met de eerste regel kan ik, uit ervaring, volmondig instemmen.
De plicht uit de tweede zin lijkt me achterhaald, al zou het me niet verbazen dat nog een behoorlijk percentage van de nederlandse mannen, daartoe uitgedaagd door Maurice de Hond, deze stelling met Ja zou beantwoorden.
Misschien kwam het door die pimpelmezen, misschien door mijn eigen toestand, maar mijn gedachten in de ochtendkou bleven hangen bij de süsse Triebe. In de tekst worden geen doekjes gewonden om de Triebe van de man, al is het vervolg dan wel weer heel verheven.
Als je als man süsse Triebe voelt, hoe zou je dat in het nederlands zeggen, vroeg ik mij af. Zoete driften, bijna een contradictio in terminis, zou bij mijn vroegere Duitse lerares, juffrouw de Jong, denk ik niet in de smaak zijn gevallen. Het woord driften kwam, in relatie tot de liefde, überhaupt niet in haar vocabularium voor. Een tedere zin in liefhebben past denk ik meer bij deze tijd. Voor andere suggesties hou ik me aanbevolen. Ik ben benieuwd wat onze nationale hertaler Jan Rot ervan gemaakt zou hebben.
Elk tijdperk heeft zijn eigen woorden.

Als puber kwam ik in de slaapkamer van mijn ouders een keer onverwachts  een boek tegen, waarvan de titel of ondertitel de woorden geslachtsleven van een man bevatte. Het was een groot, dik boek met een donkerbruine harde kaft, waar de letters van de titel verdiept in lagen. Het boek zag er vooroorlogs uit.
Het was mij toen direct duidelijk dat dit boek niet in de huiskamer hoorde te liggen. Mijn vader had mij nooit uit dit boek voorgelezen. Dus intrigerend was het boek zeker. Toch borg ik het weer snel op, uit angst om betrapt te worden. Bij het opruimen van het ouderlijk huis, vele jaren nadien, kwam het boek niet meer tevoorschijn, zodat ik jammer genoeg nog steeds niet weet hoe men in de eerste helft van de twintigste eeuw een groot, dik boek vol kon schrijven over het geslachtsleven van een man.
Geslachtsleven, je komt het woord weinig meer tegen.
Zoals bekend heeft het woord geslacht verschillende betekenissen. Dat kan tot verwarring leiden. Vorig jaar kwam de dirigent van ons koor voor de kerst met een ouderwetse versie van Er is een roos ontsprongen. In het derde couplet kwamen de regels voor:
David’s oude geslacht, is tot bloei gekomen in de nacht.
Ik zag in deze regels een teken van hoop voor de derde levensfase.

Dat ging er vorig weekend door mijn hoofd, daar in de tuin. De poes van de achterburen kwam ook maar eens kijken bij de drukte van de pimpelmezen. Ze bleef langdurig en doodstil staan met haar kop schuin omhoog naast de stam van de pruimenboom, waar het gepiep vandaan kwam.
Zou de poes ook gedreven worden door süsse Triebe?

0

BIJ HET TONEEL

Herinnering
In het parochieblad  Wij Samen stond een oproep om je aan te melden voor de toneelvereniging. De bedoeling was om met de opvoering van een kerstspel de kwijnende vereniging nieuw leven in te blazen. Ik was een jaar of tien en ik was op zolder al regelmatig voorgegaan in een heilige mis. Gekleed in een heus kazuifel leidde ik de viering, staande achter een oude commode die als altaar diende, met perensap als miswijn en met medewerking van enkele vriendjes die de rol van misdienaar of gelovige op zich wilden nemen. In het echte leven zat ik als misdienaar bijna wekelijks met mijn magere knietjes op de trappen van het altaar. Ik kende de riten, gebaren en gebeden van buiten. In de viering op zolder kon ik eens een trapje hoger op het altaar staan.

Buiten het religieuze spel had ik tot op dat moment geen enkele blijk gegeven van interesse voor een of andere vorm van acteren.  De oproep in het parochieblad opende voor mij echter perspectieven op een optreden voor een grotere schare toeschouwers. Ik zag een uitverkocht Verenigingsgebouw voor me met een ademloos vanuit het donker toekijkend publiek.
Zus H, vier jaar ouder,  was ook geïnteresseerd in de toneelvereniging. Dat kwam goed uit, want zonder haar aanwezigheid zou ik van mijn ouders nooit de toestemming hebben gehad om mee te doen. Zo gebeurde het dat H en ik ons op een doordeweekse avond naar het Verenigingsgebouw begaven voor de eerste repetitie.
In het gebouw, schuin tegenover de kerk, was een grote, hoge rechthoekige zaal met een houten vloer. Ik kende de kale zaal van allerlei parochie-activiteiten, zoals de jaarlijkse fancy fair, met het intrigerende rad van avontuur, een tentoonstelling over jongeren in de missie of een film voor alle kinderen van de lagere school (op weg ernaartoe riepen we: film in de broek van willem!).
Er was die avond een kleine groep belangstellenden voor de toneelvereniging gekomen, genoeg voor het aantal rollen dat er in het kerstspel te vergeven was. Een man met een verweerd gezicht en een vrouw met krullen bespraken de inhoud van het stuk en de rolverdeling. Zij keken voortdurend langs mij heen. In de oproep waren geen leeftijdsgrenzen genoemd, maar het was duidelijk dat men niet op tienjarigen gerekend had. Voor het kind in de kribbe was ik te groot en voor een herder of koning te klein. Pakken voor een os en een ezel waren er niet.
De repetities begonnen zonder dat er voor mij een plan was. Ik mocht zolang toekijken aan de rand van het podium. Toen duidelijk was dat er voor mij geen glansrol was weggelegd, vond ik het repeteren ongelooflijk stom. Volwassen mensen die een beetje raar stonden te doen, daar wilde ik  niet bij horen. Mijn lidmaatschap van de toneelvereniging bleef beperkt tot één avond.
Zus H had een onbeduidend rolletje toegewezen gekregen. Niettemin was het spelen zo enerverend dat het woord plankenkoorts 50 jaar na dato bij haar nog altijd het beeld oproept van de planken op  het podium van het R.K. Verenigingsgebouw in Vleuten.

Op de avond dat het kerstspel werd opgevoerd, vulde de zaal zich bijna tot aan de laatste rijen. Even voordat het toneelstuk zou beginnen liep ik nog naar de wc. Toen ik weer terug wilde gaan naar de zaal, kon ik het slot van de wc-deur niet meer openkrijgen. Hoezeer ik ook probeerde, ik slaagde er niet in om de knop  weer terug te schuiven. Ik kreeg het opeens heel warm. In de hal voor de toiletten was het oorverdovend stil. Ik begon te bonzen op de deur, eerst zacht, daarna wat harder. Tussendoor luisterde ik scherp of de redding al nabij was. Daarna begon ik erbij te roepen, hoewel ik dat eigenlijk heel gek vond. Ik begon een hekel te krijgen aan dit Verenigingsgebouw.
Na een paar minuten hoorde ik een vrouwenstem aan de andere kant van de deur. Ze zei, dat ze hulp ging halen. Weer enige tijd later hoorde ik gemorrel aan het slot en binnen een paar seconden ging de deur open. Er stond een man voor de deur met een schroevendraaier in zijn handen, daarachter de vrouw die mij kennelijk als eerste had gehoord. Zonder hen verder aan te kijken, liep ik langs beiden heen. Opgelucht snelde ik de zaal in. Daar zag ik nog juist op tijd, dat de bruine gordijnen voor het podium halverwege het opentrekken bleven steken. De man met het verweerde gezicht, hoofdrolspeler en regisseur tegelijk, schoof de gordijnen toen eigenhandig opzij. De voorstelling kon beginnen.
0

HET IMAGO VAN PASEN

Dagelijks

Het is duidelijk dat het paasfeest een andere uitstraling heeft dan het kerstfeest.
Waar je bij Kerstmis denkt aan gezelligheid, kaarslicht, kerstboom, en familiebezoek, roept Pasen associaties op met kale paastakken, winderig en fris weer en een overdaad aan hardgekookte en met verf besmeurde eieren. Terwijl de oprispingen van de eieren nog in de weg zitten, moet je dan naar de meubelboulevard. En ’s avonds maar weer eens Jesus Christ Superstar op televisie.
Met Kerst is de emotie duidelijk: er is blijdschap vanwege de geboorte van een kind. Met Pasen, gevierd op wisselende dagen, ligt dat minder eenduidig. Welke emotie overheerst hier?  Na een week van ellende en smart vier je de opstanding van Jesus uit de dood. Dat heeft toch iets ongeloofwaardigs. Met de kennis van nu zou je kunnen zeggen, dat Jozef van A. zijn werk maar half gedaan heeft. Ich will Jesum selbst begraben. Dat had ie beter aan een ander over kunnen laten.
De paastakken, als pendant van de kerstboom, zijn nooit echt doorgebroken en de Paashaas haalt het niet bij de Kerstman. Kortom, Pasen lijdt aan een imagoprobleem.

Natuurlijk, het zijn toptijden voor handelaren in eieren en chocolade paaseitjes. In een managementopleiding heb ik eens een casus moeten oplossen over de inzet van tijdelijk personeel in de chocoladebranche. Later bleek, dat de chocolade eitjes het hele jaar door geproduceerd worden. Zo doet de  real-life kip dat natuurlijk ook. Het kan overigens zo maar zijn, dat er nu een technoloog van het Productschap voor Pluimvee zit te broeden op het idee om de genen van kippen zo te manipuleren dat ze in de maand vóór Pasen tien keer zoveel eieren leggen. (Komen we dan niet weer bij de oorspronkelijke natuur uit, vraag ik me af, zoals andere vogels ook hun eieren in het voorjaar leggen?).

Eitjes verstoppen vond ik vroeger een van de leukste onderdelen van de paasdagen. Toen onze kinderen klein waren, was één verstopronde bij lange na niet genoeg. Het spel moest steeds herhaald worden. Na verloop van tijd wist je niet meer op wat voor onmogelijke plaatsen de eieren waren verstopt. Zag je ’s zomers onder de kachel of onder een varen in te tuin opeens een gekleurd zilverpapiertje glinsteren.
Laten we overigens in de paastijd de Matthaeus Passion niet vergeten. Dat zou je in marketingtermen booming business kunnen noemen. De Matthaeus is een sterk merk. Elke omroep zendt zijn eigen Matthaeus-gerelateerd programma uit. Iemand heeft uitgerekend, dat er in deze dagen zo’n 200.000 Nederlanders ‘iets met de Matthaeus doen’. Volgens het magazine Zing wordt er 147 maal een gezongen passieverhaal uitgevoerd, waarvan 15 keer in de provincie Utrecht en meer dan 40 keer in Noord-Holland. Vergeleken met Noord-Holland is de Utrechtse markt blijkbaar nog niet verzadigd. Hier lijkt nog enige groei mogelijk. Maar als dit zo doorgaat komen we op een gegeven ogenblik publiek tekort. Iedereen wil  op het podium staan.  Advocaat Oscar Hammerstein liet op radio 4 weten, dat de Matthaeus Passion het enige muziekstuk is dat hem nooit verveelt en dat hij telkens opnieuw kan horen. Ik zou  dat niet willen onderschrijven. Enige rantsoenering lijkt me op zijn plaats. Een Matthaeus in de zomer kan mij niet bekoren.
Marketingmensen weten hoe het met cash-cows afloopt. Elk product heeft zijn levenscyclus. Wat meer variatie in het muzikale aanbod zou daarom geen kwaad kunnen. Denk bijvoorbeeld eens aan het Stabat Mater. Naast die van Pergolesi zijn er meer dan 200 composities op deze  tekst gemaakt. Onder meer Scarlatti (A) en Rheinberger schreven prachtige werken.

Zou het niet eens goed zijn als er een topteam van marketeers en co-creators aan de slag gaat met het product Pasen?  De vraag is:  wie geeft de opdracht? De detailhandel of de katholieke kerk?
En, nog belangrijker,  wat zou het imago moeten zijn? Wat mij betreft gaan we terug naar het paasfeest als einde van de vastentijd. Dan gaan we het vasten voor grote groepen opnieuw invoeren. In deze tijden van overdaad en overconsumptie enerzijds en economische crisis anderzijds lijkt mij matiging een aansprekend thema. Bovendien worden de tandartsen blij, als je je snoeptrommeltje in één keer leeg eet in plaats van een over 40 dagen gespreide consumptie.
0

SOLLICITATIELEED

Herinnering
Vlak na mijn afstuderen aan de universiteit, in 1979, solliciteerde ik mij een slag in de rondte om aan een betaalde baan te komen. Zo reageerde ik op een vacature bij het JAC (Jongeren Advies Centrum) in R.  Het sollicitatiegesprek vond plaats in een soort huiskamer annex opvangcentrum. Er lag een meisje op een afgetrapte donkerbruine bank te huilen. Er liepen jonge mensen in en uit. Ik voelde me er zeer ongemakkelijk.
Deze ervaring weerhield mij er niet van om enige tijd later bij het JAC in Z. te solliciteren. Dit gesprek in een kantoor met enkele aardige medewerkers liep gesmeerd. Ondanks dat ik me in die dagen vaak zeer onzeker voelde, was ik om de een of andere reden die middag in Z. goed in vorm en zelfverzekerd. Zo antwoordde ik hooghartig op de vraag, of ik getrouwd was, dat dat onderwerp mij niet van belang leek voor de uitoefening van de functie. Discussie gesloten.

Mijn gesprekspartners leken onder de indruk van mijn kennen en kunnen. Ze lieten aan het einde van het gesprek blijken dat ze mij graag zouden willen aanstellen. Ik vond het een uitdagende functie en de mensen spraken mij ook aan. Toch hapte ik niet meteen toe. Het was namelijk een full-time baan en dat had ik niet voor ogen.  Alle dagen werken leek me toentertijd iets voor carrièrremakers. Er zou bovendien te weinig tijd over blijven voor al die andere leuke en creatieve dingen die ik graag deed. Retrospectief zou ik deze overwegingen ook kunnen duiden als angst voor de overgang van het vrije studentenleven naar een regelmatig bestaan met plichten.
Zelfverzekerd als ik die middag was zei ik dus, dat ik deze baan niet full-time wilde vervullen.
De coördinator dacht even na. ‘Zou je dan misschien iemand kennen met wie je samen deze baan zou willen vervullen?’, vroeg hij toen. Hij wilde blijkbaar ver gaan in zijn streven om mij te contracteren. Een duobaan sprak me wel aan en mensen die op zoek waren naar een dergelijke baan kende ik ook wel. Diezelfde avond nog polste ik M. Ze was gelijk enthousiast en besloot zonder omhaal te solliciteren. De baan was immers al half binnen. De toekomst zag er zonnig uit.

Het tweede gesprek vond plaats op de avond dat Johan Cruijff zijn fameuze afscheidswedstrijd tegen Bayern München speelde. M. had als eerste een gesprek met de commissie, die voor deze gelegenheid was uitgebreid met enkele bestuursleden. Ik zag ontspannen in een naastgelegen kamer hoe Bayern München het ene na het andere doelpunt scoorde. Ik hoopte dat M. er goed doorheen zou komen, zodat we samen aan de slag konden.
Daarna werd ik nog een half uurtje ondervraagd. Ik vond dat vreemd, want ik was toch al goed bevonden. Ik had me niet op nieuwe vragen voorbereid. Het gesprek verliep derhalve wat stroef.
Na afloop keek ik nog even naar de einduitslag van Ajax – Bayern München (0-8) en wisselde wat ervaringen uit met M., die redelijk tevreden was. ‘Dat komt wel goed’, zei ik.

Drie dagen later werd ik gebeld door de voorzitster van het bestuur. Ze had een hele omhaal van woorden nodig om uit te leggen, dat de keuze niet op mij gevallen was en dat men besloten had om M. full-time aan te stellen. Ik was te verbouwereerd om goede vragen te kunnen stellen. Bovendien kon ik echt niet geloven, dat ik op deze manier gepasseerd werd en dat M. hierin zou meegaan.
De volgende dag, na een aantal telefoontjes met M. en met de voorzitster, waarin mijn ongeloof geleidelijk was overgegaan in boosheid, gemarchandeer en hulpeloos geargumenteer, moest ik concluderen dat het echt waar was: men had M. aangenomen. M. bleef als een repeterende grammofoonplaat herhalen, dat zij was uitgekozen en dat dat inderdaad vervelend was voor mij.
Er was die avond een huisfeest in het studentenhuis, waar ik woonde. Ik liep er het eerste halfuur wat verdwaasd rond door de nog halflege kamers. Daarna vluchtte ik weg met een jonge jenever in de hand, een borrel die ik tot aan die avond nog nooit gedronken had. Op een kamer boven gaf ik mij over aan mijn verdriet en machteloosheid, de hele wereld om me heen vervloekend, de voorzitster van het JAC in Z. en mijn mede-studente M. in het bijzonder. Beneden werd onder luid gejuich voor de zoveelste maal die avond The sultans of swing van Dire Straits opgezet.

0

VERANTWOORDELIJKHEID OVERDRAGEN

Dagelijks

Stel: je wilt als ouder dat je kinderen meer voor zichzelf en voor hun omgeving zorgen en minder afhankelijk worden van jou. Welke ouder wil dit niet? Sterker nog, het kinderen leren op eigen benen te staan lijkt me de kern van de  opvoeding. Het overdragen van taken en verantwoordelijkheden gaat echter niet vanzelf. Kinderen zijn gewend dat er voldoende cola in huis is en dat er elke avond eten op tafel staat. Zij gaan niet uit zichzelf opeens inkopen doen of de was ophangen.
Om de verantwoordelijkheidszin te bevorderen, kan je als ouder je kind stimuleren, uitdagen, de positieve kanten laten zien, goed gedrag belonen.  Je kunt een appèl doen op het verstand (‘bij meer rechten horen ook meer plichten’ of ‘we moeten allemaal ons steentje bijdragen’). Je kunt op het gemoed spelen (‘je bent toch een volwassen vent’ of ‘als je erbij wilt horen, moet je ook je handen laten wapperen’). Ik heb het vinden van de juiste stimulans altijd ervaren als een van de grote uitdagingen van het opvoeden.

Overheden staan feitelijk voor dezelfde taak. Zij willen dat burgers minder bij hen aankloppen en meer voor zichzelf gaan zorgen. Dat wij zelf onze ouders verzorgen als die hulp nodig hebben. Of dat wij zelf een buurthuis runnen of ons eigen straatje schoonvegen. Net als kinderen nemen burgers die verantwoordelijkheid niet uit zichzelf over. Die moeten daartoe uitgedaagd of gestimuleerd worden. Bij hoger opgeleiden lukt dat nog wel eens, maar bij de kwetsbare groepen in de samenleving is dit een moeilijke opgave.
Dit proces speelt in veel landen, maar er zijn, volgens de wetenschappers Imrat Verhoeven en Evelien Tonkens
[1]grote verschillen in aanpak tussen de engelse overheid en de nederlandse overheid. In Engeland wordt een positief toekomstbeeld geschetst en worden burgers uitgedaagd om vooral de positieve kanten van de gemeenschapszin te ontdekken. In Nederland wordt het individu ‘op een norse wijze’  aangesproken op zijn plichten als burger. Je behoort voor je medeburger te zorgen en als je dat niet doet, dan mag je je schuldig voelen.  Het ‘come on, love’ tegenover de opgeheven vinger van de dominee. De voorkeur lijkt mij duidelijk. Maar geeft de verantwoordelijkheidsdrager zelf het goede voorbeeld?

In ondernemingen spelen soortgelijke ontwikkelingen. Leidinggevenden willen graag een ‘aanspreekcultuur’ bevorderen. Dat betekent, dat de medewerkers zich meer verantwoordelijk voelen voor de resultaten van de onderneming en dat medewerkers en leidinggevenden elkaar daarop aanspreken.  Medewerkers doen niet vanzelf wat de organisatie wil. Zouden ze dit wel doen, dan waren er geen managers nodig. Teammanagers lopen achter medewerkers aan om te zorgen dat de productie gehaald  wordt. Dat kan leiden tot een vervelende sfeer. Medewerkers voelen zich als kinderen behandeld en managers willen niet alleen maar controleur en boeman zijn.
Het zou derhalve mooi zijn als medewerkers zelf meer verantwoordelijkheid nemen voor de te behalen resultaten. Op zich is dit een streven, waar beide partijen voordeel uit kunnen halen. Een voorwaarde is dan dat er in onderling overleg afspraken worden vastgelegd over haalbare resultaten en dat de medewerker vervolgens de vrijheid wordt gegund op welke wijze hij deze resultaten wil behalen.

Een tweede voorwaarde is, dat het management zelf het goede voorbeeld geeft, d.w.z. dat het transparant is over de eigen doelstellingen en zich daaraan houdt. Als dit laatste ontbreekt is de missie tot mislukken gedoemd. Immers, wat zouden kinderen er van vinden als zij 2 x per week de  boodschappen moeten doen,  4 x de vaat en 1 x de strijk, terwijl  pappa en mamma gewoon maar doen wat hun goed lijkt, de ene keer dit, de andere keer dat?
Verantwoordelijkheid overdragen, het gaat niet vanzelf.


[1]Actief burgerschap: een wens of een moetje. Artikel op www.socialevraagstukken.nl