Schrijven, Lezen, Leven.
2

MANNEN LET OP UW SAECK

Herinnering
We zitten met zes jonge mannen in een rommelige studentenkamer. Op een lage houten tafel, voor eeuwig gemerkt met kringen van glazen en schroeivlekken van peuken, staat een pot koffie op een brandend theelichtje. Er ligt een exemplaar van De (Vogel-)Vrije Fietser naast een nummer van het Utrechts Mannenblad. Vanuit de keuken horen we een hoogfrequent metalen tikgeluid. P, onze gastheer, houdt ervan om de warme melk voor de koffie zeer fijn op te kloppen.
‘B is natuurlijk weer eens te laat’, zucht V.
‘Gaan we dat nu een keer aan de orde stellen?’, vraagt F., terwijl hij met zijn tong het vloeipapier van een shagje vochtig maakt.
‘Daar ben ik erg voor’, antwoord ik.
M. kijkt de kring rond en zegt dan met nadruk, alsof hij wil scoren: ‘Het is natuurlijk wel erg mannelijk om elkaar daar zo strikt op aan te spreken’.
Het is eind jaren zeventig. De tweede feministische golf is op zijn hoogtepunt. Dat vrouwen van alles met elkaar delen in vrouwengroepen en vrouwenhuizen roept een reactie op: ook mannen moeten emanciperen. We moeten af van de traditionele rol van de stoere, zelfverzekerde en machtsbeluste man. Mannen moeten hun zachtere kanten ontdekken en onzekerheid durven laten zien.
Er worden op kringlooppapier gestencilde mannenbladen uitgegeven en Man-ifestaties gehouden. Ik draag een button met het ‘mannenteken’, waarbij de fier naar rechts gestoken pijl is omgebogen tot een slap naar beneden hangend pijltje. Ik koop een tuinbroek en versier mijn rechteroor met een lichtblauw knopje. Ik zet regelmatig een breiwerkje op. De aanmelding voor de mannenpraatgroep is een logische volgende stap.
We lezen Het kleine verschil en de grote gevolgen van Alice Schwarzer, interviews met vrouwen die onderdrukt zijn door hun man. We voelen ons erg schuldig. Wij, de mannen, hebben de vrouwen slecht behandeld. Het is tijd om onszelf onder handen nemen.
We lezen verder en ontdekken dat schuldgevoelens de emancipatie in de weg staan. Aan de hand van Angst im Kapitalismus van Dieter Duhm wordt de sosjalisatie van mannen in kapitalistisch perspectief geplaatst. De eis aan mannen om zich altijd sterk en moedig te gedragen heeft een keerzijde in een ‘regressieve behoefte aan koestering’.
Dan merkt iemand in de groep op, dat we mannenemancipatie op een wel erg theoretische manier  bespreken. Dat zoiets typisch mannelijk is.
Dit inzicht zorgt voor een doorbraak. We moeten het over onszelf hebben en over onze gevoelens. Dan pas kunnen we emanciperen.
De volgende avond bespreken we wat we onder emoties verstaan en waar ze vandaan komen. Er worden stellingen geponeerd en intelligente vragen opgeworpen. Dat gaat tot laat in de avond door. Het lijkt af en toe een wedstrijd: wie maakt de meest steekhoudende opmerking? Verspreid over de vloer naast de stoelen staan de lege beugelflessen Grolsch. De asbak zit vol met peuken.
‘We komen niet verder. Ik denk dat we moeten proberen om onze persoonlijke ervaringen aan emoties te koppelen’, stelt P. voor. ‘Laten we uitwisselen, waar we onzeker in zijn’.
De keer daarop praten we alleen nog maar over problemen in relaties. Ruzies over thuis blijven of uitgaan. Mag je twee vriendinnetjes hebben? De verschillen in behoefte aan seks komen aan de orde. Kan je een fikse ruzie oplossen door een vrijpartij? Is masturbatie schadelijk voor een goede relatie?
Om elkaar beter te begrijpen vertelt ieder zijn levensverhaal. We proberen patronen te ontdekken. Het gaat het er steeds therapeutischer aan toe. We ontleden en analyseren de verhoudingen in onze mannengroep.
‘Jij kijkt voortdurend zo afkeurend naar mij, als ik iets vertel’, zeg ik tegen M. vanuit mijn oude rookstoel. Waarop M. antwoordt: ‘Wat zegt dit over jou, dat jij zo op mij reageert? Lijk ik misschien op je vader?’
Wat mij nu terugkijkend opvalt, is dat ik in mijn schriftje van de mannengroep niets tegenkom over concurrentie tussen mannen onderling. Over de wedstrijdjes die mannen met elkaar houden om de meeste aandacht en de meest invloedrijke argumenten. Over de discussies die zij houden om het debat te winnen. Over de geurvlag die mannen neerzetten in een vergadering. Ik maak dit bijna dagelijks mee. Ik ken het van mezelf.
Elke man kan leren om zijn eigen overhemd te strijken. Je gedrag veranderen is een stuk ingewikkelder.
1

OP JE HOEDE VOOR JE WOEDE

Dagelijks
Het kost mij moeite om het te bekennen, maar ik kan er niet omheen: omgaan met boosheid is niet mijn sterkste kant. Als mij iets niet lukt, of als anderen mij in de weg zitten, dan ligt de irritatie al snel op de loer. Vervolgens weet ik niet goed wat ik met dat gevoel moet doen.
Zo kan ik al kregelig worden als ik een theedoek wil ophangen en ik het lusje pas bij de vierde hoek van de doek vind. Handleidingen van mobiele telefoons of downloadprogramma’s op Internet vormen ook een gemakkelijke bron van irritaties. De werking wordt slechts ten dele uitgelegd. Of er worden zaken bekend verondersteld die men mij nooit verteld heeft.
Verder weten mijn gezinsleden, dat ze zich beter niet in mijn buurt kunnen vertonen als vader in de kelder een fiets gaat repareren. Ik heb de firma Batavus al ettelijke malen vervloekt om de ondeugdelijke voorlampen, slecht bevestigde jasbeschermers of niet te openen kettingkasten.
Vaak gaat het om klussen, waar ik eigenlijk geen zin in heb. Als het dan niet meteen wil lukken en ik bovendien nog vind dat ik het klusje in een handomdraai moet kunnen klaren, dan ontstaat er een almaar toenemende onrust, die zicn een weg naar buiten zoekt en die na enige tijd ontsnapt via een flinke zucht, een kreet of een vloek.
Laatst heb ik mij nog ernstig moeten inhouden toen er een colporteur van kunstkaarten voor het goede doel tijdens het avondeten voor de deur stond. Ik kreeg de neiging om hem van het trapje te lazeren, omdat de arme man al de vijfde was die week die zo nodig onder het avondeten aandacht kwam vragen voor een schrijnende misstand.
Ooit heb ik daadwerkelijk een keer een tik uitgedeeld. Ik moest tijdens een sneeuwbui op de fiets onverhoeds in mijn remmen knijpen. Er kwam mij een grote groep scholieren tegemoet, die geen enkele ruimte liet voor een tegenligger. Dat was mij al vaak overkomen. Een ex-collega van mij is eens voor hetzelfde vergrijp door de politie opgebracht.
In mijn jonge jaren werd ik driftig genoemd. Als er ergens iets begon te koken, stuurde mijn moeder mij snel naar kruidenier Broekhuysen voor een pond suiker. Zo heb ik heel wat onnodige boodschapjes gehaald. De emotie moest beheerst en binnengehouden worden. Dat is een gevaarlijke strategie. Want als je irritaties opspaart dan barst de bom later alsnog en heftiger dan je wilt. Of de agressie keert zich tegen jezelf. Daar kan je depressief van worden.
Van alle emoties is de boosheid wel het lastigste te hanteren. Ik ben tenminste nog maar weinig mensen tegengekomen, die gebukt gaan onder gevoelens van hoop of verbazing.
De vraag is wat je het beste kunt doen, als je voelt dat je boos wordt. Tot tien tellen biedt alleen op de korte termijn soelaas.
In voorbije eeuwen werden spanningen niet uitgepraat, maar uitgevochten. Als kind heb ik nog lang in deze traditie gestaan door op het schoolplein menig robbertje te vechten. Als volwassenen moeten we andere manieren vinden om onze boosheid in goede banen te leiden.
Gelukkig zijn er genoeg humane instellingen, waar je kunt leren hoe je beter je agressie kunt reguleren. Op je hoede voor je woede, heet bijvoorbeeld zo’n cursus. Je leert op een beschaafde manier om negatieve gedachten die de boosheid uitlokken te vervangen door positieve gedachten. Hé Batavus, je nodigt mij uit om nieuwe dingen te leren!
Je kunt natuurlijk ook even lekker stampen of hardlopen. Accepteren, dat je deze gevoelens hebt. Boosheid omzetten in humor. Of een pondje suiker bestellen op Internet. 
Ach, we hebben nog veel te leren.  Voor sommige mannen zou een cursus Op je hoede voor je roede ook niet verkeerd zijn.
1

VERKOPERS VAN ZORG EN WELZIJN

In het nieuws
Ik moet voor mijn werk naar het gemeentehuis van Nieuwegein. Dat noemen ze daar het Stadshuis. Als ik de hoge, glazen toegang door ben, sta ik op een groot, overdekt plein. In het midden gaan een brede trap en een glazen lift uitnodigend omhoog naar het licht. Het gebouw straalt gastvrijheid en transparantie uit.
Op de 4e verdieping bevindt zich de Gildenborchzaal, een vergaderzaal die geheel gevuld is met een reusachtige, ovalen vergadertafel. Gedempt licht valt op de koffie- en theekannen. Eén  van de lange zijden heeft een glazen wand. Dit is de wereld van ontmoeting, debat en participatie.
De Gildenborchzaal stroomt vandaag vol met vertegenwoordigers van alle lokale welzijns- en zorginstellingen, die je maar kunt bedenken. Een stuk of veertig hebben een plaatsje aan de tafel weten te bemachtigen. Er worden stoelen aangesleept om de andere belangstellenden een plekje te geven op de tweede rij.
Wij zijn hier vandaag voor de brainstormsessie ‘verkenning regionaal specialistisch team Lekstroom’. Dat heeft alles te maken met de overheveling van budgetten voor de jeugdzorg en de maatschappelijke ondersteuning naar de gemeenten.
Aan één punt van het ovaal, naast het scherm met de powerpointpresentatie, staat een goed van de tongriem gesneden gespreksleidster in mantelpak en op hoge hakken. Zij schetst in hoog tempo het beleidskader. Ondertussen probeert een deelnemer tevergeefs een koffiekan naar de overzijde van de tafel te schuiven. Er komen nog steeds vertegenwoordigers binnen.
De gespreksleidster heeft zich kennelijk voorgenomen om de zaal eens lekker uit te dagen. Met de schouders naar achteren en de kin vooruit blikt ze over de tafel. Er moeten resultaten worden geboekt vandaag! Wat mogen bewoners van de Lekstroomgemeenten van jullie verwachten, waar sta je voor?
Na een aarzelend begin buitelen de sprekers over elkaar heen. Het gaat van autistische kinderen naar dementerende ouderen, van lichamelijk gehandicapten naar ‘multi-problem-problematiek’, van nieuwe veelbelovende trainingen, naar zichzelf ondersteunende vrijwilligers.
Youpee, Participatio, In Paradisum[1], of hoe de instellingen ook mogen heten, ze weten alle wat de cliënt nodig heeft. Dat is wat zij zelf bieden. Er wordt niet naar elkaar geluisterd en er wordt niet op elkaar gereageerd. Dit is de markt. Vertegenwoordigers zijn verkopers.
 
Overheveling van budgetten, marktwerking en bezuinigingen hebben er toe geleid, dat geen enkele instelling meer weet of zij over twee jaar nog bestaat. Om te overleven moeten instellingen concurreren. Hulpverleners worden ontslagen en marketingmedewerkers in dienst genomen.
Daarnaast wordt instellingen gevraagd om met elkaar samen te werken, in de zorgketen of in wijkteams.
Concurreren en samenwerken gaan moeilijk samen.
Er ontstaan conglomeraten van instellingen, met managers die van vergadering naar vergadering hollen, met businessmodellen en kengetallen strooien en die de competenties bezitten om te verbinden, op te schalen en af te schalen en slimme beslissingen te nemen.
Degenen die dit het beste kunnen, winnen de aanbestedingen bij de gemeenten.
In Utrecht is het werk van de sociale wijkteams gegund aan Incluzio[2], een nieuwe dochter van een  schoonmaakbedrijf, dat zich nu ook op de markt van zorg en welzijn richt. Uit het persbericht van Incluzio: ‘Het is een pittige opdracht, maar we zijn er klaar voor. Wij hebben Radar aan onze zijde, een zorg- en welzijnsorganisatie met een bewezen trackrecord in de kanteling van het hele sociale domein’.  
Dan weet je het wel. Waar gekanteld wordt, vallen er  mensen buiten de boot.
‘Ons moederbedrijf Facilicom levert daarnaast extra ontwikkelkracht’.
Bedoeld wordt dat schoonmakers de expertise hebben om duidelijk uit te leggen wat er wel en niet kan: wij begrijpen uw wens, maar er staat in het contract dat we u maar eenmaal per drie weken mogen douchen. Zou uw buurman u kunnen wassen, mevrouw?
In het onderwijs en de zorg klinkt steeds luider de roep om de invloed van de professional te versterken. Dat begrijpt Incluzio ook: ‘wij willen de professionals die nu al in Utrecht werken graag een plek bieden in onze organisatie. Zij zijn onze sterkste kracht en wij zullen er dan ook alles aan doen om hen de ruimte te bieden en te faciliteren.’ Wat moet de door de ervaren maatschappelijk werker die door deze reorganisatie op straat is gezet, hiervan denken?
Het mantelpakje haalt mij uit mijn dagdromen. We moeten in groepjes naar de flap-over. Netwerken!
Verkopen!

 



[1]In verband met de privacy zijn deze namen gefingeerd
[2]Niet gefingeerd, www.incluzio.nl, zie onder nieuwsberichten, bericht d.d. 16-07-2014
1

MIJN ASBESTCRISIS

Herinnering
Het is opvallend, dat de woorden as en best in samenstelling met elkaar de aanduiding vormen voor een brandwerende stof. Asbest is sterk, slijtvast en bovendien goedkoop. Hoewel al in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend was dat blootstelling aan asbestvezels een risico vormt voor de gezondheid, is de grondstof nog lange tijd gebruikt. Met name in de zeventiger jaren nam het gebruik van asbest in de bouw een hoge vlucht.
Ik werkte van september 1973 tot mei 1974 in de werkplaats van aannemer Versteegen in Montfoort.
Versteegen had ooit voor de KVP in de gemeenteraad gezeten. Daarna mocht hij de polders rond Montfoort volbouwen met keurige doorzonwoningen, voorzien van centrale verwarming. Vanwege de toegenomen brandveiligheidseisen diende de CV-ketel op zolder afgeschermd te worden. Daartoe fabriceerden wij in de werkplaats drie schotjes van vurenhouten latten en asbestplaat. De constructie leek op een soort laag uitgevallen kledingscherm. De asbestplaten zaagden we zelf. De chef van de werkplaats rekende uit, op welke wijze er zoveel mogelijk stukken uit één plaat gezaagd konden worden. Dat was economisch en daar had hij voor doorgeleerd.
Enig besef, dat het materiaal niet zo goed was voor de gezondheid was er wel. Als we asbestplaten zaagden, dan stonden alle deuren van de werkplaats open om het vrijkomende stof zo snel mogelijk te laten wegtrekken. Desondanks hing er na het zagen van één plaat al een grijze, stoffige lucht. Zo heb ik indertijd heel wat asbestvezels ingeademd.
Een decennium later kwamen de eerste verontrustende reportages in de media over de gevaren van asbest. Over de werknemers van een asbestfabriek die na jaren longvlieskanker kregen. Niet gewaarschuwd voor de ernstige risico’s voor hun gezondheid hadden zij zelfs hun tuinpaadjes volgestort met asbestafval. Ik verdrong die verhalen.
In de negentiger jaren kwam ik bij het afbreken van de serre van ons huis een aantal asbestplaten tegen. Bij de sloop braken er hier en daar nog stukken af. Ik wist dat ik voorzichtig moest zijn, maar het was voor mij geen aanleiding om de werk subiet te stoppen, de omgeving af te zetten met rood-witte linten en de hulpdiensten te waarschuwen.  Ik mocht de stukken gewoon zelf bij het afvalscheidingsstation afleveren. Als het materiaal maar keurig in plastic zakken was verpakt.
Pas toen er in de zomer van 2012  een asbestcrisis in de wijk Kanaleneiland ontstond en de gezondheidsrisico’s in de media breed werden uitgemeten sloeg mijn houding van ‘het zal wel meevallen’ om in grote bezorgdheid. Vooral het gegeven dat asbestkanker zich pas na jaren openbaart en dat het een stille sluipmoordenaar is, hakte er in. Ik schoot helemaal door naar de andere kant en dacht bij alles wat ik voelde, dat de eerste symptomen van de kanker zich aandienden. Asbestkanker is niet te genezen, dus ik voelde niets meer of minder dan de voortekenen van het naderende einde.
Niettemin duurde het nog enkele maanden voor ik naar de huisarts ging. Ik vond dat ik een duidelijke klacht moest hebben. Die vond ik in een lichte pijn achter het borstbeen. Het was niet zozeer deze pijn, alswel het woord asbest, wat de huisarts deed besluiten om mij direct door te sturen voor een longfoto. De uitslag kwam binnen het uur: de longen zien er nu normaal uit. Dat was een hele geruststelling.
Hodie mihi cras tibi (vandaag ik, morgen jij) is een spreuk die je nog wel eens op een begraafplaats tegenkomt. De doden laten ons met holle lach weten: ‘Denk maar niet dat jìj er aan zult ontsnappen!’.  Het gezegde moet ons herinneren aan onze eigen eindigheid.
Het is wel eens goed om daarbij stil te staan. Op het moment dat ik de dreiging voelde vond ik dit besef echter alleen maar verschrikkelijk. Toen de opluchting voorbij was en het leven weer zijn normale loop had genomen, was het bewustzijn van de sterfelijkheid opnieuw een kwestie van weten en niet van voelen.
Totdat ik dit voorjaar opeens 4 kilo lichter was. Terwijl ik al vanaf mijn 20e jaar constant 68 kilo weeg, gaf de weegschaal plots 64 aan. Dus toch maar weer even naar de huisarts. Je weet maar nooit.
Zo blijven we bezig. Tot het niet meer hoeft.
1

IK HEB GETWIJFELD OVER BELGIË

In het nieuws, Reizen
Ik zit op het wc’tje van bakkerij tearoom Marysse in Velzeke, vlakbij Zottegem, Oost-Vlaanderen.
Mijn wandelschoenen heb ik naast de hoge tafel in de nieuwe tearoom laten staan. Na zoveel kilometers wandelen hebben mijn voeten lucht nodig. Als ik een voet verplaats, zie ik een vochtige afdruk op de zwarte natuurstenen tegel in de toilet.
Boven het fonteintje hangt een bordje Handen Wassen. Het is duidelijk: men is hier proper. Gebiedend ook. Er is niets vermeld over voeten, maar het zou me niet verbazen als men ongelukkig is met de uitgetrokken wandelschoenen in de schone tearoom. Ik heb overigens eerst wel de klei van de veldwegen er onderuitgestampt. Het laatste stuk liepen we over de kasseien van de Paddestraat in Zottegem. Die zijn wereldberoemd. Tenminste onder wielerliefhebbers. Elk jaar trekt de Ronde van Vlaanderen over de hobbels van de Paddestraat. Dan draaien ze het Romeins plein in Velzeke op. Of andersom, daar wil ik van af wezen.
Ik zit bij Marysse op het wc’tje en vraag me af: ‘Is het erg?’
We hebben vandaag al achttien kilometer gelopen en er wachten er nog zes. Gelukkig mochten we een omlegging negeren. We zijn door tal van dorpjes, gehuchten en buurtschappen gewandeld. Wij zagen, zoals te verwachten, vele café’s. Maar er was er niet één geopend. De meeste stamineekes waren voorgoed gesloten. Slechts door de verbleekte bordjes van Stella Artois of de afgebladderde letters Bij Nonkel Vic zag je het verleden van het lokaal.
In elk dorp kom je nog wèl een bakker tegen. Voor ons koffieliefhebbers is het daarom een zegen, dat de Vlaamse bakkers het koffie schenken hebben overgenomen. In Rozebeke, waar men elk jaar een processie houdt tegen de pest en de roos, dronken we onze koffies in een half-open partytent voor de bakkerij. In Velzeke heeft men er een mooie tearoom bij gebouwd.
Ik zit hier op het wc’tje en vraag me af, of het erg zou zijn als België uit elkaar zou vallen.
Er is sinds kort een nieuwe regering en de grootste regeringspartij heeft als eerste doel in de statuten staan om Vlaanderen onafhankelijk te maken. Je zou het niet zeggen met al die gesloten café’s, maar de handel in Vlaanderen gaat al jarenlang een stuk beter dan in Wallonië. Daardoor kunnen de Vlamingen nog protsiger buitenhuizen bouwen dan de Walen. De madammen kunnen vaker naar de hair designer. De mais groeit er een stuk hoger en daardoor kunnen de koeien aan deze kant van de taalgrens nog weelderiger schijten.
Men heeft nu in Vlaanderen geen goesting meer om voor de tekorten van de Walen op te draaien. Het land, waar solidariteit altijd een begrip was, waar men de mutualiteiten, de onderlinge verzekeringsmaatschappijen en de spaarkassen zonder winstoogmerk tot kunst verheven heeft, koerst zogezegd op haar eigen omlegging af.
Wat zou er tegen zijn?
Ik ben geen kenner, maar het lijkt me dat zo’n scheidinkje een bak met geld gaat kosten, dat kon nog wel eens een veelvoud zijn van wat er jaarlijks aan Waalse tekorten moet worden gedekt.
Verder is een splitsing geen oplossing voor een van de grootste problemen in het land: wat doen we met de regio Brussel? En wat met de Duitstalige minderheid?
Op de derde plaats, het is van ondergeschikte orde, maar toch: wie wil een einde maken aan België net nu het nationaal voetbalelftal in de lift zit? Ook in Europa zitten we niet te wachten op nog twee kleine voetballandjes. Misschien hebben de Walen op dit punt nog wel de grootste troef in handen. De beste spelers komen uit Wallonië.
Als ik een advies zou mogen geven, zou ik zeggen: doe het niet. Er zijn belangrijker onderwerpen om je tijd en je geld aan te besteden.
Ik ga weer eens terug naar de tearoom. Naar mijn wandelschoenen. 
0

EEN CRUISE LANGS DE EMIRATEN

Reizen
In de Volkskrant las ik een paginagrote advertentie van Stip Reizen:
Dubai cruises – Nog nooít zó voordelig – Tot 70% korting.
Vanaf € 598 kan je een week meevaren met de Costa Serena****. Onderweg leg je aan in Abu Dhabi, Dubai en Bahrein. De Costa Serena beschikt over: ’13 bars, 5 restaurants, 4 zwembaden, een theater waar u spetterende shows bij kunt wonen, een Grand Prix Simulator, een casino en de prestigieuze Samsara Spa’. Is dit u wat te druk, dan kunt u kiezen voor de Costa neoRiviera****, die zich onderscheidt door het ‘unieke slow cruising concept’, dat zich kenmerkt door een rustiger vaarschema en langere aanlegtijden. ‘Wees er snel bij, want VOL = VOL’.
 
Dat vind ik nu jammer, dat laatste opjut-zinnetje. Ik wilde er toch eens even over denken. Het trok me nog niet meteen aan. Het is niet zo, dat ik bang ben, dat zo’n Costa een ommetje zal varen langs een eilandje. Of dat de drijvende torenflat vanuit een gammel roeibootje onder vuur genomen wordt door een Somalische zwarte Piet.
Het is meer, dat ik me afvraag, wat ik de hele dag op zo’n boot moet doen. Je kunt weinig anders dan een beetje liggen, eten en drinken. Je zit gevangen in de luxe, je kunt geen kant op.
Ok, je kunt je een beetje uitleven in een zwembad. De kans lijkt me groot, dat je er niet één baantje ongehinderd kunt zwemmen. Bovendien vind ik een zwembad op een boot eigenlijk iets tegennatuurlijks. Alsof een boer in de polder op zijn deel een een stukje gras laat groeien.
Bovendien, wat moet ik met al die restaurants, bars en casino’s? Het lijkt wel Las Vegas. Daar kan je ook onbeperkt gratis eten, als je maar geregeld je fiches inzet. Die spetterende shows, wat moet ik me daar bij voorstellen? Zouden ze ook een simulator voor een monstertruck hebben? Dat zou ik nog wel geinig vinden.
Natuurlijk, ik weet het, je hoeft niet binnen te blijven hangen. Het aantrekkelijke is juist, dat je veel buiten kunt zijn. Het weer is fantastisch, je hoeft niets te doen, je kunt genieten van de zon en het uitzicht!
Pardon, het uitzicht? De hele dag zie je niets dan oneindig kabbelende golfjes en een lichtblauwe einder. Daar val je van in slaap. Nou ja, als het meezit, dan kan je zo’n  klein vissersbootje tegenkomen, zo’n afgeladen vaartuig, dat uitpuilt van de mensen, die zich krampachtig aan de reling vasthouden om niet door de anderen overboord geduwd te worden. Dan moet je wel geluk hebben.
Ik overdrijf, ik weet het. Je hoeft tijdens zo’n reis niet dagenlang op een boot door te brengen.
Je bezoekt interessante steden zoals Dubai en Abu Dhabi. Vergaap je aan de oneindig hoge kantoren, de megagrote hotels, de luxe welnesscentra en de shopping malls!
Minpuntje is natuurlijk dat het gemiddeld 40 graden in de schaduw is. Dan kan je twee dingen doen. Of je vlucht naar strand en zee. Als je je insmeert met factor 40 is het daar wel een uurtje uit te houden, weet ik uit de eerste hand. Of je vlucht naar de air-conditioned shopping malls, de grootste ter wereld. Tussen de blinkende luxe kan je dan even stilstaan bij al die Aziatische bouwvakkers die tijdens de bouw zijn uitgebuit en gestorven.
Tot slot kan je misschien nog een leuk uitje maken.
Je zit eerst twee uur in een hobbelende landrover. Daarna mag je in een bak gloeiend zand op een kameel rijden en moet je ervoor zorgen dat je niet van dat bonkige, stinkende beest af valt.
Maar je kunt er wel lol mee hebben!
Het lukte Tiny niet op zo’n beest te klimmen. Toen moest die jonge Arabier haar met twee handen tegen haar billen omhoog duwen!
‘Als dat bekend wordt in zijn familie, dan hoeft ie daar nooit meer terug te komen’, riep Kitty.
Toen viel ik van de slappe lach van mijn dromedaris.
Dubai cruises, nog nooit zo voordelig.
Liggen en consumeren! Dat is het bevel op deze reis.
Ze zouden je geld toe moeten geven, de restaurants en casino’s die goed aan je verdienen. Maar zelfs als ik ervoor betaald word, ga ik nog niet mee.

  

1

DE EERSTE ZOEN

Herinnering
De eerste kus is een sensatie, die men helaas maar eens beleeft.
De plaats van handeling: Utrecht, aan het begin van de Mr. Tripkade.
De tijd: 1967, tussen Kerst en Oud en Nieuw, rond 12 uur ‘s avonds.
De gebeurtenis vond plaats na een feest van het Bonifatiuslyceum. Daarmee werd het jaarlijkse tafeltennistoernooi in het parochiehuis aan de Grave van Solmstraat afgesloten.
De beste vriendin van C had mij een dag daarvoor opgezocht in de garderobe. In de benauwde ruimte tussen de jassen bracht zij de  boodschap over, dat C op het feest graag met mij wilde dansen. Ik voelde me vereerd.
Ik kende C al van de dansles bij Zeegers in de Breedstraat. Aan het einde van de vrijdagmiddag zaten de jongens in het pak aan de ene zijde van de wachtruimte, de meisjes in een mooie jurk aan de andere zijde. Als de dansleraar in de deuropening verscheen zei hij, de laatste knoop van zijn colbert dichtmakend: ‘Heren, mag ik u verzoeken…’. Nog voor hij het eerste woord had uitgesproken stoven wij, jongens, naar de overkant, strijdend om de hand van de meest populaire meisjes. Mijn oog was altijd gericht op C, maar ik had een flinke concurrent in een rossige HBS’er. Na een aantal weken besliste C de strijd in mijn voordeel. Toen mijn concurrent eerder was zei C: ‘Het spijt me, ik heb al afgesproken met Arnold’. Ik wist van niets, maar sindsdien begon ik elke vrijdag de dansles met C. Totdat de leraar riep: ’Changez’!
Op het schoolfeest in het parochiehuis hoefden C en ik niet van partner te wisselen. In een pauze wees C me op ‘een leuk woordje’ op het flesje Seven-Up, dat voor haar stond: Kiss.Ik pakte  de hint niet op. Zoenen op schoolfeesten was niet toegestaan. Er waren leraren aanwezig om de regels te bewaken.
Aan het einde van de avond verlieten we samen het feest. Ik fietste als vanzelf met haar mee, richting Overvecht. ‘Breng je me tot de Tripkade?’, vroeg C. ‘Het laatste stuk fiets ik dan zelf’.
Eigenlijk was het niet echt de avond van mijn eerste kus. Op de lagere school in Vleuten was ik bevriend met I. We waren gearmd de Hamweg afgelopen. Tussen de weilanden had ik haar een kusje gegeven. Dat deed ik omdat ik dacht dat het zo hoorde. Mijn vader had ons immers geleerd om te doen wat hoort. Maar toen hij er achter kwam, dat we gearmd gewandeld hadden, kreeg ik een stevige uitbrander. ‘Wat zouden de mensen er wel niet van denken!’.
Aan het begin van de Tripkade bleven C en ik staan. Met de fietsen in de hand praatten we nog wat. Het was stil op straat, de lucht voelde vochtig koud. Er viel af en toe een stilte waarin de tijd traag voorbijging. Ik zag het licht van een lantaarnpaal weerspiegeld in het water. We stonden dicht bij elkaar.  Ik vroeg me af hoe dit samenzijn moest eindigen. Ik durfde C niet lang aan te kijken. Toen er een fietser langsreed, schuifelden we het voetpad op.
Wat er daarna gebeurde, kwam niet overeen met wat ik wel eens in de film had gezien: twee gezichten dicht bijeen en twee paar lippen die elkaar tergend langzaam naderen. Ik kan niet zeggen, dat we elkaar een zoen gaven. Dat zou geen geen juiste weergave zijn. Het was C die, na een nieuwe stilte, mij een zoen gaf, vol op de mond. Ik ontving alleen. Zij deed wat ik nagelaten had.
De eerste kus is als een sprookje, die ons de allermooiste dromen geeft.
Van veel gebeurtenissen uit het verleden heb ik een vage herinnering. De eerste zoen staat me echter helder voor de geest. Ik weet dan ook precies, hoe ik reageerde op die zoen.
Op het moment dat C haar lippen terugtrok, zei ik: ‘Welterusten’.
Ik schaamde me direct. Ik wilde het woord weer intrekken, maar het was er al uit.
Achteraf bezien, was wat ik zei volkomen begrijpelijk. Het was een zuivere Pavlov-reactie.
Jarenlang had ik elke avond voor ik naar bed ging mijn ouders een kus gegeven, direct gevolgd door ‘Welterusten’. Zoenen en welterusten wensen waren toen onverbrekelijk met elkaar verbonden.
C lachte vriendelijk. Als je elkaar lief vindt, kan je veel van elkaar hebben.
Het bleef die avond bij die ene zoen en we namen afscheid van elkaar.
De volgende middag, een zondagmiddag, zat ik in de keuken naast de gevelkachel achter mijn huiswerk. Ik probeerde Franse woordjes te leren. Tevergeefs. Ik moest steeds opnieuw beginnen, maar na twee woorden verloor ik weer mijn concentratie. Ik zag alleen maar de beelden van de Tripkade. Ik wilde onmiddellijk naar C toe. Ik wilde haar veel kussen geven.
Het is of onverwacht het volle leven lacht, en dan opeens je hart raakt van de wijs
De eerste kus is een sensatie, hij maakt de wereld tot een paradijs.
(uit: De eerste kus, Eddy Christiani).

 

1

UTRECHTSE LIEDJES

Muziek
De acteur Rijk de Gooyer (1925 – 2011) was de zoon van een gereformeerde banketbakker aan de Bemuurde Weerd in Utrecht.  Na de oorlog werkte hij korte tijd als leerling-verslaggever bij de NCRV. Hij werd er ontslagen nadat hij de communist en homoseksueel Jef Last had geïnterviewd.
Later trad hij in dienst bij de VARA. Een onderdeel van het radioprogramma Showboat was Eli Assers radiostrip Mimoza (afkorting voor Ministerie voor Moeilijke Zaken). Rijk de Gooyer speelde daarin het Utrechtse typetje Bartels (Bààrtels). Hij werd er in korte tijd razend populair mee. Zijn Goejdààg werd een vaste uitdrukking in die dagen (en veertig jaar later weer in de tv-reclame voor Reaal Verzekeringen). Bartels was een vertegenwoordiger in apparaten uit Hààrmele. Hij ging met weinig succes langs de deuren, zoals bezongen in dit lied:
’t Benne krenge van dinge, ik wou dat ze gingen
Ik jakker door stegen en straotsies
Zo loop ik te leure, langs ramen en deure
M’n koffertsjie vol àppàraotsjies
Ze smàkken me van de tràp
En ik voel me al zo slàp
Maar iedereen verwàch
Dat ik toch nog zeg: Goejdààg
http://youtu.be/ZIU4c3c22Eg(Let op het drumwerk bij de regel Ze smakken me van de trap en op het einde van de plaat).
Het werd in 1956 de Gooyer’s eerste single. Op de B-zijde (!) stond Als ik boven op de Dom kom.
Het muziekblad Tuney Tunes schreef in een recensie:
“De populaire Bartels-figuur uit het Mimozaprogramma van de Showboat debuteert hier op de plaat met twee typisch Barteliaanse werkjes. Geestig en vol spirit brengt hij ze en we geloven wel, dat Bartels (Rijk de Gooyer) en zijn vele luisteraar-bewonderaars van plaatjes als deze plezier zullen hebben”.
Dat plezier hebben we zeker gehad. In de tachtiger en negentiger jaren traden vriend Theo en ik op in buurthuizen, verzorgingshuizen en op feesten en partijen. Onder de naam W. & D. Moed zongen we nostalgische, nederlandstalige liedjes; populaire nummers met een lach en een traan. Als duo uit Utrecht hadden we vanzelfsprekend een aantal Utrechtse liederen op het repertoire. Zo zongen we Gebroken harten van de Limburgse Selvera’s in het plat Utrechts. Als we ’t Benne krenge van dinge zongen, haalde ik een vijftigerjaren Elaul mixer uit een koffertje tevoorschijn.
Het meeste succes hadden wij met een ander Utrechts lied van Rijk de Gooyer. Het gaat over iemand die teveel gedronken heeft. Wie kon dat beter zingen dan Rijk?
Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand dit lied zong. Het staat niet op YouTube en de titel geeft op Google geen enkele hit. Omdat ik dit graag zo wil houden, volgt hier alleen het eerste coupletje.
Bij het eerste bàkkie koffie en de kràànt
Nog geen vuiltsjie aan de luch, niks aan de hàànd
Maor toen ik een kwartiertsje zàt
Dàch ik hé-wàt-dàchie-wàt
Ik gao mooi nog effe plàt
Maor het hielp geen spàt.
Wie de rest wil horen, komt op zaterdagavond 15 november a.s. tijdens het Smartlappenfestival naar café de Potdeksel aan het Lucas Bolwerk in Utrecht. Daar maak ik na meer dan 16 jaar mijn come-back als zanger van het populaire lied. Vanaf 20.30 uur zingen vriend Ad en ik samen een half uurtje vol over de zoektocht naar de liefde en de geneugten van het café. Omdat we (nog) geen naam hebben, heeft de organisator van het festival ons als de Zonnetjes  op de kaart gezet. Er is maar één zon, maar van zonnetjes kan je er meerdere in huis hebben. 
Mocht je willen komen luisteren, kom dan op tijd. Café de Potdeksel loopt tijdens dit festival  al snel vol.
0

ANGST IN DE HAND

In het nieuws
Ik heb er lang naar uitgekeken. Deze week is het zover: de Week van de Veiligheid.
400 Jaar geleden lagen de  gevaren overal op de loer. Je kon beroofd worden op een landweg, slachtoffer worden van de pest, verdrinken bij een dijkdoorbraak of omkomen in een oorlog.
In de loop der tijd hebben we steeds meer gevaren weten te bezweren. De dijken zijn verhoogd, besmettelijke ziekten zijn getemd. Er zijn wel nieuwe gevaren bijgekomen, zoals het snelverkeer. Maar door veiligheidsmaatregelen is het aantal dodelijke verkeersslachtoffers de laatste dertig jaar drastisch afgenomen. De maatschappij is gericht op het indammen van gevaar en het signaleren van risico’s. In auto’s, ijskasten en andere apparaten gaan lichtjes flikkeren of piepjes klinken als er iets mis dreigt te gaan. Er zijn tal van veiligheidseisen, zoals voor speelgoed, horeca en evenementen.
In het Westen en in Nederland leven we relatief veilig. Hoe veiliger de omgeving, hoe minder angst. Zou je denken. De werkelijkheid is dat het aantal angstige mensen enorm toeneemt.
Mensen zijn bang om de straat op te gaan, om afgewezen te worden, om fouten te maken. Bang voor enge ziekten, computerinbrekers, vliegtuigen, beestjes in het voedsel, gluten, pindakaas aan hun gehemelte. Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt er bang voor zijn.
Ik ben geen uitzondering. Ik heb zelfs hele rare angsten. Als dertienjarige kocht ik in 1965 bij Staffhorst in Utrecht het singletje Eve of Destruction van Barry McGuire. Toen ik daarna de brug over de Catharijnesingel overliep hield ik mijn net verworven aankoop zo krampachtig in de hand, dat ik pijn in mijn vingers kreeg. Ik was bang dat ik het plaatje in het water zou gooien! Zo zal ik ook nooit in een luchtballon stappen. Je zult maar de neiging krijgen om jezelf er uit te gooien.
Laatst zag ik in een documentaire een doorsnee Amerikaans stel dat hun kinderen nooit alleen laat spelen. Ook al spelen ze in de omheinde tuin, één van de ouders is erbij. De kinderen kunnen immers gekidnapt worden. Deze ouders willen graag bij elke deur van de school twee bewapende agenten. Dat brengt veiligheid.
Zo zijn we bezig onze angsten te beheersen.
En nu is er dan de Islamitische Staat, het kalifaat met de wrede ideologie. Als IS deze praktijken voor zichzelf zou houden, zoals de Mexicaanse drugsmaffia, dan zouden de zorgen wat minder zijn. Maar de dreiging is op het goddeloze Westen gericht.
Je moet de jihadisten nageven, dat het hen gelukt is om met een paar eenvoudige filmpjes de hele westerse wereld angst aan te jagen. Misschien nog wel meer dan de plaatsing van de kruisraketten of de Russische onderzeeërs op weg naar Cuba. Volgens sommigen zijn we weer bij de Eve of Destruction beland.
In de media worden de gevaren van IS breed uitgemeten. Ik wil dat gevaar niet onderschatten. De wereld wordt er onveiliger door. Nederland wordt er waarschijnlijk onveiliger door. Maar zou alle aandacht voor dit fenomeen de angst niet enorm aanwakkeren?  Zouden we het niet een beetje in verhouding moeten zien? De kans dat je omkomt bij een verkeersongeluk lijkt nog altijd een stuk groter dan de kans dat je slachtoffer wordt van een terroristische aanslag.
Volgens sommigen is de toename van de angst in deze maatschappij juist het gevolg van het gegeven, dat wij  in een veilige omgeving zijn opgegroeid. We hebben daarom onvoldoende geleerd om met angst en lijden om te gaan.  Daarom is het beter om niet alleen te focussen op het verminderen van gevaren, maar ook op het accepteren dat angst iets is dat bij het leven hoort.
Er zijn ook therapeuten die menen, dat we angst niet als een probleem moeten zien, dat bestreden moet worden, maar als een ‘mogelijkheid tot vrijheid’. 
Ik ben erg voor nieuwe gezichtspunten, maar dit lijkt me er toch een voor gevorderden. Ik denk dat ik in een luchtballon de vrijheid juist zal vrezen. 
1

HET ZOMERKAMP

Herinnering
Zo’n vijftig jaar geleden was ik bij de Verkennerij, een katholieke scoutingorganisatie. Je leerde er van alles: knopen leggen, eten koken op houtvuur, stafkaarten lezen, kennis van de natuur. Je kon daarmee insignes verdienen. Veel activiteiten vonden in de buitenlucht plaats: hikes, speurtochten en natuurlijk het jaarlijkse zomerkamp. Elke verkenner was ingedeeld in een patrouille. Rituelen, kreten en vlaggen zorgden voor een gevoel van samenhorigheid.
De verkennerij was een stap op weg in je wording tot volwassen man.
Begin zestiger jaren ging ik voor het eerst mee op kamp. Een week lang bivakkeerden we in tenten in een bos bij Vogelenzang (Zd-Holland). Op de laatste avond werd rond het invallen van de duisternis traditiegetrouw een groot kampvuur aangestoken. Er werden verhalen verteld, over St Drakis en de Joor, er werden liederen gezongen en vragenspelletjes gedaan. We zaten dicht bij elkaar, de slaapzak om onze schouders en het oranje van de vlammen op onze gezichten.
De vaandrig droeg voor uit de ervaringen van een Engelsman in Nederland, die – de nederlandse taal nog niet geheel machtig – vertelde hoe hij had leren schaatsen: ‘…en ik scheette naar links en ik scheette naar rechts. Ik scheette de hele middag door’. Vervolgens kwam het  ‘hardscheten en kunstscheten’ aan bod.
Aan het einde van de avond stond er opeens een wildvreemde man in onze kring. Hij vertelde hijgend dat hij van de inrichting uit de buurt kwam. Er waren die avond een paar gevaarlijke gestoorden ontsnapt. Ze moesten ergens in het bos rond ons kamp lopen. Hij vroeg of wij konden helpen om de ontsnapten op te sporen.
Ik wist niet zo goed wat er met gestoorden werd bedoeld. Ik kende alleen een plaatje uit een Kuifje-stripboek. In een ommuurde tuin zat een man met een omgekeerde bloempot op zijn hoofd en een bloem in het gaatje.
De hopman zei dat we voor onze eigen veiligheid moesten gaan zoeken. Dus toog elke patrouille onder leiding van de patrouilleleider het donkere bos in. Veel animo was er niet. We hadden het niet zo op het donkere bos, al helemaal niet omdat daar opeens enge mannen uit tevoorschijn zouden kunnen komen. Aarzelend liepen we op het bospad achter de PL aan.
Hij scheen met zijn zaklantaarn afwisselend naar voren, naar links en naar rechts. Delen van bomen lichtten op. De rest van het bos was daardoor aardedonker.
‘Laten we even luisteren’, zei de PL, die stil was blijven staan. In de verte hoorden we stemmen van een andere groep.
‘Ze hebben hem denk ik al’, zei iemand.
De PL luisterde weer ingespannen. ‘Stil eens’, zei hij.
We hoorden ergens een paar takken kraken.
‘Hallo, komt u maar, u hoeft niet bang te zijn’, riep de PL.
Ik ging dicht bij de anderen staan. Ik was angstig. Naast mij stond iemand te bibberen.
‘Komt u maar, wij hebben lekker eten’, vervolgde de PL.
‘Heerlijke Zwaardenmakerjam’, zei een grapjas. Die jam hadden we in overvloed, omdat onze hopman bij de fabriek in Maarssen werkte. De jam kwam ons de neus uit.
Het bleef stil en we liepen weer verder. ‘Ik moet plassen’ riep een jongen.
Na een paar honderd meter liep de PL van het pad af het bos in.
‘Hallo, is daar iemand?’
Hij scheen weer in de rondte. We hoorden een soort gegorgel. We bleven direct staan.
‘Meneer?’
De PL liep wat verder en richtte de lantaarn omhoog.
‘Meneer?’
Toen struikelde de PL over een tak en viel. Het licht van de lantaarn ging uit. Het was volkomen donker. Op dat moment hoorden we vlak bij ons het geluid van het slijpen van messen. Een jongen gilde. We probeerden achteruit te lopen, maar we zagen geen hand voor onze ogen.
De lantaarn floepte weer aan en in het licht van de bundel zagen we iemand uit een boom springen.
Anderen hadden het eerder door dan ik. Het was onze vaandrig, die daar kwam aangelopen. ‘Jullie hoeven niet bang te zijn, jongens, het was maar een spel!’
Die nacht plaste ik in mijn slaapzak en met mij een aantal andere jongens. De volgende morgen aten we voor de laatste keer Zwaardenmakerjam. We waren met zijn allen een stukje meer man geworden.