Schrijven, Lezen, Leven.
4

DE STEEN

Dagelijks
Op een goede manier vallen is een kunst. Judoka’s en keepers worden erin getraind. Aan ouderen wordt training aanbevolen. Dat kan van pas komen bij een losse stoeptegel of bij gladheid.
Al op jonge leeftijd ontdekte ik bij mijzelf een zekere aanleg voor de valkunst. Ik liet mij zonder  mankeren uit knotwilgen vallen en, tijdens het verstoppertje spelen, van de bovenste plank in een kast. Voor een sprong van een hoog zwaaiende schommel draaide ik mijn hand niet om. Ik kon ook fraaie vallen ensceneren. Toen mijn zus eens van vakantie thuis was gekomen en haar koffer midden in de keuken had laten staan, deed ik onder de ogen van mijn moeder alsof ik met een enorme buiteling met mijn hoofd tegen de wasmachine knalde. Daarna heeft niemand ooit meer een tas van enige omvang midden in de keuken laten staan.
Dit soort ervaringen kwamen mij goed van pas als vader.
Bij het naar bed brengen van zoon A waren in een bepaalde leeftijdsfase de verstopspelletjes populair. In die tijd ontwikkelde zich een spelletje, dat we later De Steen zijn gaan noemen.
Als het bedtijd was, holde A vrolijk vooruit naar zijn kamer. Kwam ik daar even later binnen, dan lag hij midden in zijn slaapkamer opgerold onder een deken op de grond. Ik deed of ik niets in de gaten had en viel vervolgens met veel misbaar en geweeklaag over die bult.
‘Welke idioot heeft hier die steen midden in de kamer laten liggen?’, riep ik dan verontwaardigd uit. Ik schoof de steen aan de kant of tilde hem op en deponeerde het gehele pakket in een hoekje van de kamer. Daarna liep ik even de kamer uit. Wanneer ik terugkeerde lag de steen weer midden in de kamer en stootte vader-ezel zich ten tweede male aan de steen.
Ik zou dit spelletje al lang vergeten zijn, als A, inmiddels zelf vader van twee dochters van bijna vier en twee, niet deze week geappt had, dat hij De Steen met zijn oudste dochter had gespeeld. Met groot succes.
Wat een ontroerend moment!
‘Blij’, zou de jongste kleindochter zeggen. Zij deelt sinds kort de wereld, op digitale wijze, in in boos en blij.
‘Opa is boos!’
‘Nee, opa was bang dat je zou vallen’.
Lachend: ‘Opa is blij!’
‘Ja, opa is weer blij’.
Eigenlijk is het woord blij niet sterk genoeg om mijn gevoel over De Steen uit te drukken. Dit gaat evenzeer over geluk en over tevredenheid.
Het is leuk om te merken, dat zo’n eenvoudig spelletje naar een volgende generatie doorgaat. Wie weet wordt het nog verder doorgegeven. Maar dat is niet de kern.
Het is ook niet dat ik me op zo’n moment een tevreden grootvader voel, die trots is op zijn kleinkinderen. Of dat ik het gevoel heb, dat vertolkt wordt in het lied De glimlach van een kind doe je beseffen dat je leeft.
Ik voel me bovenal een tevreden vader. Een geslaagde vader.
Zoals iedere ouder dachten wij bij het opgroeien van de kinderen wel eens: wat moet dat worden? Komt dat wel goed met die jongens? Jonge kinderen hebben immers nog veel te leren. Als ze zich losmaken, doen ze dingen die je onverstandig vindt. Wat we geprobeerd hebben om over te dragen zie je op die momenten niet terug. Dat wordt blijkbaar pas zichtbaar als zij volwassen zijn en verantwoordelijkheid dragen, bijvoorbeeld als ze zelf kinderen hebben.
Grootvader worden betekent niet alleen dat je kleinkinderen krijgt. Je hebt daarnaast, in mijn geval,  opeens een zoon, die vader is. Dat doet iets in een relatie. We delen ervaringen. We komen dichter bij elkaar. Wij zijn niet alleen vader en zoon, maar ook samen vader.
Voor wie al wat langer grootouder is zijn dit soort uitspraken waarschijnlijk open deuren.
Maar jonge opa’s hebben nog veel te leren.
Met mijn kleindochters bedenk ik weer nieuwe spelletjes. Ik loop met een kind op de rug als een huppelend paard door de kamer. Plotseling blijf ik dan stokstijf naast de bank staan. Het paard wil niet meer voor- of achteruit. Het kind op de rug wacht in spanning af. Daarna val ik op de bank. 
Waarschuwing: dit spel vereist enige oefening in het vallen. Oefen bijvoorbeeld eerst zonder kind met een koffer midden in de kamer. Oefen in geen geval op een skipiste.
2

HET KRUISBEELD IN HET KRANKENHAUS

Herinnering
Vanaf de brancard zie ik alleen de bovenkant van de wereld: het systeemplafond, luchtverversingsroosters, bordjes met Röntgenen Unfälleambulanz. Ik word door lange, verlaten gangen gereden. Met een druk op een knop schuift een wand open en word ik de röntgenkamer binnengebracht. Drie medewerkers helpen mij snel en professioneel uit mijn kleren. Zelfs mijn sokken moet ik afstaan. Tot mijn verdriet, want mijn voeten zijn ijskoud. Voor ik het weet heeft een verpleger een strook borsthaar weggeschoren voor het maken van een hartfilmpje. Ik krijg een operatieschortje om, wit met groene figuurtjes. Er worden diverse röntgenfoto’s gemaakt en gegevens verzameld over stoelgang en allergieën. ZoIang ik stil lig, voel ik geen pijn. Alleen van de kou heb ik last.
Daarna lig ik eenzaam te wachten, ik weet niet hoe lang. Mijn horloge is met mijn kleren in een plastic zak afgevoerd. Er hangt geen klok. Wel ontwaar ik tussen de high-tech apparatuur een ouderwets houten kruisbeeld aan de wand. ‘Ik ben gevloerd’, zeg ik tegen het beeld. ‘Het was mijn eigen schuld, mea culpa, mea maxima culpa’.
Dan komt er een man in een witte jas binnen. Hij is lang en heeft donker haar. Kalm en voortvarend tegelijk geeft hij uitleg over de operatie van mijn Oberschenkel. Zijn Duits is goed te volgen. Hij geeft een uitputtende opsomming van alle mogelijke risico’s die deze operatie met zich meebrengt. Vanwaar deze uiteenzetting over alles wat er mis kan gaan, vraag ik me af. Wat voor juridisch getrouwtrek uit het verleden heeft tot deze sombermakende exercitie geleid? ‘Gibt es Alternative’,  vraag ik nog, meer om geen slaafse patiënt te lijken dan vanuit de hoop dat het werkelijk anders kan. Vervolgens houdt de man mij een papier voor waarop ik het vonnis kan ondertekenen. Het maakt me allemaal niet meer uit, als ik maar van mijn koude voeten afkom. Met een blik op het kruisbeeld zet ik een bibberende handtekening.
Aan het einde van de middag nemen G en ik piste nummer 3 , die beneden in het dorp uitkomt. Op een steile, ijzige plek verlies ik de controle. Ik schiet akelig snel door naar de bosrand en weet daar nog te draaien. Uit balans geraakt hel ik voorover en maak in sneltreinvaart een fraaie pirouette. Met een enorme smak beland ik op mijn rechterheup en blijf vrijwel direct liggen. Mijn ski’s en mijn stokken zijn een paar meter boven mij verweesd in de sneeuw achtergebleven. G is alweer honderd meter onder mij.
De jongeman van de Pistenrettung heeft prachtige blauwe ogen en een smal streepje helblond haar op zijn kin. Samen met de mannen van de Letzte Kontroll des Pistendienst legt hij me in één snelle beweging in de banaanvormige sneeuwbrancard. De banaan zet zich op de gladde piste direct eigenstandig in beweging. Ik glij op de donkere dennenrand af. De blauwe ogen weten nog juist op tijd het touw aan de achterzijde te grijpen.
Daarna gaan we in stervormige optocht de berg af, met mij als glanzende oranje streep in het midden. Gewikkeld in folie suis ik in de heldere vrieskou tussen de besneeuwde dennen door. De piste is verlaten en het is windstil. Ik hoor  slechts het geluid van de ski’s. Ik voel me in veilige handen. Boven mijn hoofd ziet de hemel er adembenemend mooi uit. Ik zie diepdonkerblauw naast lichter blauw en smalle, witgrijze flarden. Over alles heen ligt een oranje zweem van de ondergaande zon. Ik zou zo nog uren door willen suizen. O Täler weit, o Höhen, o schöner grüner Wald.
Beneden volgt de ontnuchtering. In het dorp word ik op een brancard in een vernederende tocht tussen de zingende en zuipende après-ski’ers doorgeduwd. Bonkende muziek begeleidt mij. Ik ben een loser die wordt afgevoerd.
In het Sankt Vinzenz Krankenhaus in Zams worden elk uur vele gevallen gewonden aangevoerd. Men opereert er in continudienst de klok rond. Inmiddels ben ik op kamer 304 van de afdeling Unfälle Männer op temperatuur gebracht. Om 21.30 uur is het mijn beurt. Het wordt mijn eerste operatie onder volledige narcose in 56 jaar. Het voelt alsof ik in een vliegtuig stap. Dat gaat bijna altijd goed, maar garanties worden niet gegeven. Men heeft het mij omstandig toegelicht.
In het voorportaal van de OperatieKamer legt een anesthesioloog mij de gang van zaken uit. Ik zal een rubberen kap over mijn neus en mond krijgen. De arts zal tot tien tellen, maar hij garandeert mij dat ik vóór de tiende tel weggezonken ben. 
Het is 30 januari 2009, 21.55 uur. Ik zie het kruisbeeld uit de röntgenkamer weer voor me. Ik hoor de zachte basstem van de arts: ‘Ein, zwei,drei, vier, fünf…’
0

HET IS ROOD-ZWART EN HET FLADDERT

Dagelijks
Het is er het afgelopen weekend weer niet van gekomen. Terwijl het toch een kleine moeite is. Het kost je slechts een half uur en je kunt er voor in je luie stoel blijven zitten. Je draagt bovendien bij aan een doel waar niemand enig bezwaar tegen zal hebben. Dat soort doelen moet je koesteren, die hebben we nauwelijks in Nederland.
Maar vorig weekend zat al vol met het precaire proces van het kopen van een nieuwe tafel en het compleet uitruimen van de huiskamer zodat de schilder ongehinderd  het lawaaischuren kan beoefenen.
Zodoende heb ik opnieuw moeten afzien van mijn deelname aan de Nationale Tuinvogeltelling.
Het is goed, dat we  jaarlijks terugkerende evenementen hebben, zoals Halloween, de Top 2000 en Blue Monday. Dat geeft houvast in deze onzekere tijden. Tellen kan bovendien geen kwaad. Meten is weten,  dat voorkomt eindeloze discussies. Daardoor komen  we dagelijks in de Volkskrant nuttige grafieken tegen, bijvoorbeeld over inteeltdepressie bij otters (21-01). Adverteerders kunnen onderbouwen dat 58% van de vrouwen kiest voor een shampoo met een hydratine glansversterker.
Met het eenmaal per jaar tellen van de vogels in je tuin  houden vogelonderzoekers bij welke soorten het goed doen en welke het moeilijk hebben. Voor de Vogelbescherming is het een fantastisch middel om aandacht te vragen voor alles wat vleugels heeft. Vogels kijken is leuk. Het is een onschuldige bezigheid. Zo is het een stuk minder beladen dan vrouwen kijken, bijvoorbeeld.
Het is echt een vaderding, zo begon het bij mij tenminste. Dat we in Frankrijk kampeerden en dat er een vogeltje in de kleuren van de Duitse vlag op de kampeertafel landde.  Dan maak je als vader geen beste beurt, als je niet kan uitleggen hoe dat beestje heet. Dan koop je een boek dat ook voor kinderen geschikt is en vervolgens een vogelkijker. Terwijl je kinderen allang weer aan het voetballen zijn,  lig jij  dan ergens doodstil in het struikgewas met je kijker onder handbereik, omdat je iets geels tussen het struweel zag oplichten. Zo gaan die dingen.
Toen is ook het tellen begonnen: welke vogel heb ik waar voor het eerst gezien. Ik heb ook bijgehouden welke vogels ik in mijn tuin ben tegengekomen, of beter gezegd: welke ik vanuit tuin en huis heb kunnen waarnemen. Daardoor kon ik de overvliegende aalscholver en de blauwe reiger meenemen in de telling, naast de verdwaalde bosuil die zich ooit aan de voorzijde van ons huis bekend maakte.
Er zijn winters geweest dat we in onze tuin regelmatig bezoek kregen van sijsjes, groenlingen en goudhaantjes. Zou ik in deze winter gaan tellen, dan is de kans groot dat ik 2 houtduiven zie, 1 kauw en 1 koolmees. Daar kan ik het woord opwindend niet voor gebruiken. Vooral die duiven en kauwen kan ik wel schieten. Die zouden echt iets aan hun imago moeten doen.
Na zoveel jaren rondsjouwen met de kijker door de natuur en met het achteruitgaan van ogen en oren  is het vuur wat aan het doven.  Soms flakkert het nog weer even op. Twee weken geleden liep ik  niets vermoedend in de kamer rond, mijn hoofd brekend over het vervolg van mijn blog. Ondertussen schoten er allerlei klussen door mijn hoofd die nog moeten gebeuren. Opeens kwam er vanuit de tuin in mijn ooghoek een rode flits voorbij. Alsof er in het corpsballenhuis achter ons  een colafles uit het raam werd gegooid.
Ik draaide mijn hoofd en zag op een paar meter afstand een vogel met een felrode borst, een zwarte kop, en witte en grijze strepen op zijn rug. Dat kon niet anders dan een goudvink zijn  (voor de eerst gezien: Den Dolder, maart 2002). Gezien de fraaie kleuren moest het een mannetje zijn. Zo gaat dat in de vogelwereld. Daar kijken we naar de mannetjes. http://www.vogelbescherming.nl/vogels_kijken/vogelgids/zoekresultaat/detailpagina/q/vogel/56/tab/Algemeen 
Dat beestje dat zich zelden laat zien zat onaangekondigd in mijn tuin! Mijn lijf was meteen een en al opwinding.  Ik hield mijn adem in, sloop achter het glas stil en gebukt naar mijn kijker, die – niet voor niets – in het dressoir naast het raam ligt. Met trillende handen zocht ik de vogel. Verrek, waar was ie? Die beesten willen nooit eens  rustig blijven zitten. Ik speurde weer zonder kijker rond en zag hem op een andere tak . Rustig blijven, sprak ik mezelf toe. Nu kreeg ik hem in vol ornaat in  de kijker. Met zijn donkere vinkensnavel plukte hij aan de tak. Wat een schoonheid en dat zomaar in onze tuin! Voor niets.
3

DE WARMTE VAN EEN ALT

Muziek
Mocht men mij onverhoopt in een quiz vragen om drie wereldberoemde, nog actieve alten te noemen, dan zou ik, ondanks dat ik dagelijks evenveel klassieke muziek luister als een gemiddelde Nederlander televisie kijkt, met mijn mond vol tanden zitten. In nagenoeg alle concerten die ik de laatste jaren heb bijgewoond werd de altpartij door een countertenor vertolkt.
Kijk je in Wikipedia naar de lijst van klassieke zangeressen, die een plekje hebben in de online encyclopedie, dan staan er bijna uitsluitend (mezzo-)sopranen. Kortom, de alt lijkt een uitstervend ras.
Met name in de oude muziek hebben countertenoren het werk van de alten overgenomen. In de 17e en 18e eeuw werden alle partijen door jongens of mannen gezongen. De inzet van countertenoren past daarom goed bij de historische uitvoeringspraktijk.
Countertenoren zingen meestal technisch perfect. Zij laten hun stem elastisch en zuiver in de hoogte rondtollen. Dat geeft een mooie klank zonder rafels. Ze hebben daarbij het voordeel dat zij niet met een stembreuk te maken hebben. Andreas Scholl, Philippe Jaroussky, Damien Guillon of Maarten Engeltjes kunnen prachtig zingen.
Toch hoor ik liever een alt.
Het geluid van een alt is warmer en rijker aan klank. Door de borststem hoor je meer verschillende tinten. Wat sommigen te zwaar vinden (‘die stem van Natalie Stutzman kan echt niet bij Bach’) vind ik mooi. Om dezelfde reden hoor ik ook liever een gewone sopraan dan een jongenssopraan. Het jongensgeluid klinkt ijler.
Nog mooier dan een alt vind ik een een contra-alt of lage alt. Dat is warmte, gevoel en melancholie in het kwadraat. Daarvoor zet ik de radio harder. Laat ik het werk uit mijn handen vallen. Of zet ik de auto aan de kant. Dan geef ik me over aan dat hemelse geluid. Kon ik met zo’n alt nog eens een duet zingen!
Kathleen Ferrier en Aafje Heynis waren in de twintigste eeuw beroemd om hun lage timbre. Tik je wereldberoemde alten in op Google, dan kom je hun namen tegen.
Maar ook deze tijd kent zijn mooie contra-alten. Delphine Galou is er zo een.
Ik kan er nog zoveel over schrijven, beter is het om de zangers te horen.
Luister eens naar twee versies van de meest beroemde altaria, Erbarme dich uit de Matthaeus Passion van Johann Sebastiaan Bach. De eerste opname is van de countertenor Damien Guillon, de tweede van Delphine Galou.
(de zangers zetten na ongeveer één minuut in)
Over smaak valt niet te twisten. De een vindt dit mooi, de ander dat.
In het geval van de voorkeur voor een countertenor of een alt speelt er echter nog een ander element mee.
Bij een alt hoor je een vrouw. Bij een countertenor komt er een vrouwelijk geluid uit een mannenlichaam. Dat laatste werkt vervreemdend. ‘Wat is dat voor man, die zo gek vrouwelijk zingt? Is het een achttiende eeuwse castraat? Dan toch zeker wel een homo!’ Alfred Deller, de eerste grote countertenor uit de twintigste eeuw, zette een portret van zijn vrouw en kinderen op de piano om dit soort gedachten tegen te gaan.
Toen ik zelf leerde om hoger te zingen vond ik het aanvankelijk ook raar om mezelf met een hoge stem te horen. Toen ging het niet eens over zingen met een kopstem.
Countertenoren tasten het beeld van de mannelijke identiteit aan. Dat is voor mannen misschien nog meer verwarrend dan voor vrouwen. Mijn hypothese is, dat mannen liever een alt horen en dat het voor vrouwen niet uitmaakt.
Mannelijke zangers kunnen dus het gehele register kiezen. Er zijn zelfs mannen die sopraanpartijen zingen, sopranisten. Vrouwen zijn beperkter in hun keuze. Dat botst met mijn ideaal van gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid. Alten moeten de tenoren maar terugpakken door als teneuze te gaan zingen.
Laten de andere alten de podia terugveroveren. Alten aller landen: laat uw arias galmen!
2

BORDEN EN BRIEFJES

Dagelijks
De Huizingalaan in Utrecht is geen voorrangsweg. Fiets je van west naar oost, dan moet je voorrang geven aan (brom-)fietsers, die van een fietspad rechts komen. Iedereen in Nederland weet, dat rechts voorgaat. Desondanks stond er het afgelopen najaar een groot geel bord: RECHTS HEEFT VOORRANG.
Daar moet iets ernstigs zijn gebeurd. Een fietsongeluk met botbreuken. Een rijwiel dat in de prak is gereden. Een notoire briefschrijver die al twee jaar lang de gemeente bestookt met de klacht, dat hij ter plaatse nóóit voorrang krijgt. Na lange discussie op de afdeling Verkeer moet de verzuchting zijn geweest: ‘laten we dan maar een tijdje een bord plaatsen’. Een niet te missen idiotproof bord in fel-gele kleur en met koeieletters.
Zo gaat het vaak met regelgeving. Er gebeurt een ongeluk. Een groep wordt benadeeld. Mensen maken gebruik van de mazen in de wet. Dan moeten de regels worden aangepast. Zou niet alle wet- en regelgeving ontstaan omdat er ergens iets vreselijk fout is gelopen?
Worden de regels niet gevolgd, dan brengen we ze nog een keer onder de aandacht.
Hoe een mobiele telefoon werkt, wordt in handleidingen slechts globaal uitgelegd. Dat weet iedereen immers. Maar dat rechts voorrang heeft, moet nog eens worden onderwezen.
In het privéleven gaat het al niet veel anders.
Ik ben ooit van plan geweest een verzameling aan te leggen van geboden en verboden die ik op wc’s en badkamers tegenkom. Het is er nog niet van gekomen. Hieronder maak ik op basis van mijn geheugen alvast een begin.
De meeste briefjes, die ik tegenkwam, gaan over wat je niet  in het toilet mag gooien: damesverband, condooms, injectienaalden, medicijnen, handcrèmes, eyeliner en alles waar een mens blijkbaar op die plek van af wil. (Ongeboren kinderen worden niet genoemd.)
Bij het lezen van deze verboden zie je de verhuurder al geïrriteerd met een batterij aan ontstoppingsmiddelen boven de pot hangen.
Dan zijn er de handgeschreven of geprinte aanwijzingen voor het doorspoelen:
Trekker in één vloeiende beweging omlaaghalen en dan direct loslaten.
Eénmaal fors indrukken, daarna even wachten.
Daar sta je dan na een aantal keer indrukken en wachten. Je drol ligt er nog steeds. Het lijkt wel of ie je uitlacht. Opnieuw proberen en weer wachten. Zal ik maar eens bij de eigenaar aankloppen? Maar ja, dan moet wel eerst die hoop weg.
In Ierland lazen we eens het verzoek om ‘s nachts het licht in de wc niet aan te doen omdat het forse geronk van de afzuiger nog twintig minuten in het hele huis te horen was. We moesten de eigenaar gelijk geven. Als je in het donker je hoofd stoot aan de wastafel of naast de pot piest, geeft dat beduidend minder geluidsoverlast.
De wereld van het langeafstandswandelen kent zo zijn eigen regels:
Het is niet toegestaan de föhn te gebruiken om uw schoenen te drogen.
Gelieve uw schoenen niet boven de wastafel te reinigen.
Daaronder mag je de klei er naar hartenlust afkloppen.
Terug naar de wc. Ergens las ik het verzoek:
Wilt u na uw bezoek de borstel gebruiken?
Ik kreeg associaties met de katholieke priester, die met een borstel wijwater zijn parochianen zegent.
En niet zo lang geleden kwam ik in een instelling de volgende boodschap tegen:
wc doortrekken aub
Daarmee zijn we weer terug bij de categorie rechts heeft voorrang.
Waarom zou wat bekend is nog eens onder de aandacht gebracht worden? Heeft het met de complexiteit van de maatschappij te maken of met een cultuur van ieder-gaat-zijn-eigen-gang?
Binnenkort verwacht ik ergens de aansporing:
Gelieve uw broek omhoog te trekken voordat u het toilet verlaat.

 

0

GELOOF HET OF NIET

Dagelijks
De afgelopen weken kwam ik drie keer god tegen.
I
Onder de titel God is springlevend in de filosofie stond dinsdag in de Volkskrant een ingezonden bijdrage van de filosofiedocenten Rutten en de Ridder. Hun boodschap was samengevat in de eerste alinea: ‘Amerikaanse en Britse filosofen hebben nieuwe argumenten voor het bestaan van God ontwikkeld, die niet op gespannen voet staan met de wetenschap’.
Ik werd nieuwsgierig.
Van huis uit ben ik katholiek, maar ergens tussen mijn 15een mijn 18e ben ik het geloof kwijt geraakt. Sindsdien ga ik als niet-gelovige door het leven. Ik vind vragen over de zin van het leven en over inspiratiebronnen belangrijk. Een levensovertuiging kan bovendien een belangrijke steun zijn in het verwerken van verdriet en in het aanvaarden van pijn. Maar ik geloof niet in een god en voel me niet aangetrokken tot een gemeenschap, die een machtige god wil dienen.
Jammer genoeg gaat het ingezonden stuk alleen over het gegeven dàt er nieuwe argumenten zijn voor het bestaan van god, maar komen deze argumenten zelf niet aan de orde. Het meest concreet is de volgende passage:
‘..(de argumenten) zijn ook niet vergezocht en staan niet op gespannen voet met wetenschap. Integendeel, sommige ervan berusten juist op modern wetenschappelijk onderzoek, zoals de ogenschijnlijke finetuning van het universum en de ontdekking dat de kosmos een absoluut begin heeft gehad’. Wat er met de finetuning bedoeld wordt ontgaat me. Teleurstellender is dat de argumenten ontbreken. Daarmee gaat de bijdrage uit als een nachtkaars in de kerk. Is het dan toch weer een kwestie van geloven?
II
Eénmaal per jaar ben ik bij een kerkelijke dienst. Op kerstavond zingt ons koor in een verpleeghuis voor een gehoor van bedlegerige, rolstoelgebonden of verwarde ouderen.
Dit jaar trok de sympathieke dominee in haar preek het kerstverhaal door naar de huidige tijd: ook in onze maatschappij zijn er mensen op zoek naar een plek. Zij sprak de bewoners persoonlijk aan: ‘U zou denk ik liever niet hier zijn’. Ze sprak over achteruitgang en verlies. Bij veel bewoners waren de ogen gesloten en de mond geopend.
Tot op dit punt kon ik haar goed volgen. Ik dacht aan mijn kleinkinderen, die een plek verdienen. De preek ging onvermijdelijk naar een oplossing toe. Ook hier was ik oprecht nieuwsgierig naar de zin die de dominee zou verbinden aan het ongemak van de  bewoners. Haar conclusie luidde: ‘God is er altijd voor ons’.
Misschien was dit voor de aanwezige ouderen een troostende en steunende gedachte, maar ik haakte af. Of zou de dominee met god de liefde bedoelen? Moet ik het zo zien, dat het samenkomen en delen van gedachten op zich al leidt tot verbondenheid en aanvaarding? Maar waarom zouden we er dan een mensachtig wezen als god bij moeten halen?
III
Vlak voor deze kerst was er regelmatig een spotje op de radio dat opriep om eens kennis te maken met de Remonstranten:
‘Wij vinden dat geloof begint bij jou. Met de dingen die jij meemaakt en de vragen die hierop volgen. (…). Als geloof bij jou begint, dan is het ook van jou. Mag je er een eigen mening over hebben, dingen ter discussie stellen. En zelfs de vrijheid nemen om niet alles te geloven’.
Dit was het derde moment van nieuwsgierigheid. Een kerkgemeenschap, die een persoonlijke invalshoek kiest voor het geloof, dat kom je niet vaak tegen. Of is het slimme marketing? Ik ging eens verder kijken. De website begint met bovenstaand citaat. Vervolgens las ik, dat je vriend kunt worden van de Remonstranten, je hoeft je niet aan te sluiten. Verder lezend kwam ik god al gauw weer tegen: ‘de Remonstrantse Broederschap is een geloofsgemeenschap (…) die God wil eren en dienen”.
Drie ontmoetingen en drie maal een ontkenning. De haan heb ik nog niet horen kraaien. Wat heeft het me opgeleverd? Een overdenking en een gedachtebepaling.
In deze tijd voeren economische principes van zakelijkheid en efficiëntie de boventoon.  Dat vraagt  om meer aandacht voor zingeving, voor normen en waarden en voor elkaar. Daar hoeft voor mij geen opperwezen aan te pas te komen. Wat ik wel eens mis, is het gevoel van ergens bij horen, onderdeel te zijn van een gemeenschap. Dat is de herinnering aan het gelovige nest. 
1

TONEEL OP DE DEEL

Herinnering
Het was dit jaar vijftig jaar geleden, dat André van Duin een talentenjacht won en dat Johan Cruyff debuteerde in het eerste van Ajax. Het was ook vijftig jaar geleden, dat in Vleuten de toneelclub “La Jeunesse” het licht zag.
Twaalf jaar waren wij, mijn vriend Frank en ik, toen wij op 4 oktober 1964 een toneelvereniging oprichtten. Omdat een vereniging met twee leden een te smalle basis is, gingen we op zoek naar leden. Al snel vonden we Marjolein en Margriet bereid om mee te doen. Er waren nog meer belangstellenden, maar die kwamen de eerste keer niet opdagen.
We spraken om te beginnen over de naam van de vereniging. Uit een groot aantal voorstellen kozen we unaniem voor “La Jeunesse”. Het gaf ons jeugdig enthousiasme een internationaal tintje. Vervolgens werd Frank tot directeur gekozen en ik tot secretaris. Dit alles verliep via een geheime stemming met stembriefjes. De contributie werd vastgesteld op 20 cent per maand.
Al voordat er maar enige bijdrage binnen was, deed ik een eerste investering. Ik kocht voor 35 cent een gelinieerd schrift met gele kaft. Op pagina één maakte ik het contributieoverzicht. Met fraaie letters, het was tenslotte de eerste pagina, noteerde ik daaronder de aanschaf van het schrift. Op de volgende pagina’s schreef Frank onze eerste, zelfbedachte eenacter.
Frank en ik woonden in dezelfde straat en waren sinds lang met elkaar bevriend. Als ik naar de kleuterschool liep, klepperde ik bij zijn voordeur met de brievenbus. Dan gingen we samen verder. We stonden regelmatig bekvechtend tegenover elkaar in de zandbak achter zijn huis. Frank speelde graag de baas en ik wilde veelal mijn zin hebben. Maar we zochten elkaar steeds weer op.
De eerste voorstelling werd gepland op zondag 8 november. We regelden dat we gebruik konden maken van de deel van een voormalige boerderij. Die was destijds in gebruik bij de gidsen, de vrouwelijke tak van de padvinders. We maakten zelf aanplakbiljetten en brachten de uitnodigingen rond.
Die zondagmiddag zaten er op de bankjes en stoeltjes zo’n twintig familieleden en vriendjes klaar voor onze voorstelling.
Op het programma stonden drie stukken.
1.     De twee arme zwervers
Een zelf geschreven, op Swiebertje geïnspireerde scène waarin de zwervers Bas Boterbloem en Piet Paardenbloem brood stelen bij de bakker. We zongen een lied op de melodie van Als ’t effe kan (uit My fair lady): ‘welbedankt voor het brood, het was lekker, we gingen niet dood’.
2.     De zonsverduistering
Een schuifdeur- en kampvuursucces over diverse rangen in het leger, die elkaar een order doorgeven. De overste begint: ‘Morgen om negen uur is er een zonsverduistering. Iets dat niet elke dag voorkomt. Laat de manschappen in werktenue aantreden op het exercitieplein, zodat zij dit zeldzame verschijnsel kunnen zien. Als het regent zullen we niets kunnen zien; in dat geval neemt u de mannen mee naar de gymnastiekzaal’. De majoor brengt vervolgens de boodschap in iets gewijzigde vorm over aan de kapitein. Bij elke overdracht sluipen er meer fouten in, zodat aan het einde de sergeant aan zijn manschappen meedeelt : ‘Morgen om negen uur zal de verduistering van de overste plaatsvinden in werktenue door middel van de zon. Als het regent in de gymnastiekzaal, moeten jullie aantreden op het exercitieplein, iets dat niet elke dag voorkomt”.
3.     De diefstal
Een zelfbedachte scene, die opent met een raadselachtige diefstal bij de familie de Bruin. Twee vrouwen vallen flauw (‘de lijken worden weggesleept’, meldt het script). Een domme politieagent arresteert abusievelijk meneer de Bruin, waarna alles weer op zijn pootjes terecht komt.
Aan het einde riep Frank: ‘The End’! Daarna werd er hard geapplaudisseerd en met zijn vieren bogen we onwennig en ongelijk het hoofd.
Het is bij die ene voorstelling van “La Jeunesse” gebleven. Soms krijgt een debuut geen vervolg. Frank verhuisde in 1965 met zijn ouders naar Noord-Brabant. Op 26 oktober dat jaar boekte ik nog een inkomend bedrag van 42 cent. Er zat toen 3 gulden 55 in kas. Daarna bleeft het schrift leeg.
Het is mij niet bekend wat er met het batig saldo is gebeurd.

 

1

KERSTDINER IN HET VERZORGINGSHUIS

Herinnering
We zitten met zijn achten aan een tafel.
Bewoner A draagt een colbert en een stropdas. Hij kijkt strak voor zich uit en zegt weinig. ‘Maar hij weet nog alles’, zegt zijn dochter trots naast hem. ‘En met zijn gehoor is ook niks mis’. Deze openbaring brengt geen verandering op zijn gezicht.
Mevrouw B kijkt met een olijke, maar ook wat melancholieke blik de kring rond. Ze hoopt, dat er een besje voor haar wordt ingeschonken. ‘Want ik weet niet of ze die in de hemel hebben’.  Ook zij wordt vergezeld door een dochter.
Mevrouw C is een kleine, tengere mevrouw, die in elkaar gedoken in haar een electrische rolstoel zit. Zij heeft een te wijd uitgevallen gebloemde jurk aan. Haar blik is voortdurend omlaag gericht. Naast haar zit haar zoon. ‘Ik ben zo blij, dat je er bent’, lispelt ze met enige regelmaat tegen hem.
Mijn moeder is de vierde bewoonster aan tafel. Zij is 95 en haar geheugen laat haar behoorlijk in de steek. Ze probeert dat zo goed mogelijk te verbergen. Ze wil niet klagen. ‘Wat is verder de bedoeling?’, vraagt ze mij.
Eerst wordt er door de vrijwilligsters een drankje geserveerd. Het zijn struise, breedlijvige dames van in de zestig, aan wie de kapper goede klanten heeft. Opgewekt en voortvarend gaan ze de tafels langs.
De zoon van  mevr. C vertelt, dat zijn moeder past sinds enkele weken in het huis woont. Hij is aanwezig, omdat alles voor zijn moeder nog onbekend is. Maar eigenlijk komt het hem niet goed uit. Hij heeft deze avond ook een eindejaarsetentje op zijn sportclub. Er staan twee zakken met 150 warme oliebollen op de achterbank van zijn auto. Dus hij heeft zich voorgenomen om na het voorgerecht te vertrekken.
Voorlopig moet hij nog even wachten. Voor de vrijwilligsters is een glaasje vooraf een aangename bezigheid. Maar hier aan tafel kennen we elkaar niet, dus na drie kwartier begint de conversatie ernstig te stokken en kijken wij met zoon C verlangend uit naar de komst van het voorgerecht.
‘Alles op zijn tijd, zei de boer en hij kuste de meid’, zegt mevr. B.  Zij kijkt verwachtingsvol rond of er gereageerd wordt. Meneer A kijkt afkeurend. Maar misschien staat zijn gezicht altijd in diezelfde stand. Bij sommige ouderen staat het leven op het gezicht getekend.
Na een uur wordt een gebonden champignonsoep opgediend.
‘Smaakt ie, mevrouw van Dijk?’, vraagt een vrijwilligster.
Mijn moeder steekt de duim van haar linkerhand in de lucht.
‘We hebben hier niets te klagen hoor!’
Dan buigt zoon C zich voorover naar zijn moeder.
‘Ik moet nu gaan, er wachten een heleboel mensen op mij bij de club’.
Zijn moeder duikt nog verder in elkaar en haar onderlip begint te trillen. Nauwelijks hoorbaar huilt ze: ‘ik heb zo’n pijn jongen, blijf nog even’.
‘Wat zegt ze?’, vraagt mevrouw B.
De zoon wil zijn moeder antwoorden, maar hij sluit zijn lippen weer. Hij doet zijn colbert uit.
Als het hoofdgerecht wordt opgediend, zet mevr. B een lied in:
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, met je hengels en je worrempies erbij’.
Haar dochter stoot de arm van mevrouw aan: ‘Zeg, het is kersttijd hoor!’
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, dat was beter voor jou en voor mij en voor Lutjebroek erbij’.
Mijn moeder beweegt met haar rechter wijsvinger mee op de maat van het lied.
‘Wat is het gezellig, hè’, zegt de vrijwilligster die uitserveert. ‘En wat een lekker eten hè, meneer! Rollade, dat kreeg u zeker vroeger thuis niet? Of wel?’. Meneer A wil net een hap nemen, maar het eten valt van zijn vork af.
Zijn dochter antwoordt: ‘ik denk het niet, nee’.
‘Nou, laat u maar lekker verwennen hoor!’
Terwijl Mevr. B Ouwe taaie, jippie, jippie, jeeh inzet, doet zoon C een nieuwe poging om op te stappen. Dit keer huilt zijn moeder harder. Met een zucht gaat de zoon weer in zijn stoel zitten, zich realiserend, dat hij zijn 300 lauwe oliebollen vanavond niet meer kwijt zal raken.
Er worden kerstliederen gezongen.
In afwachting van het dessert vallen de ogen van mijn moeder regelmatig dicht.
Na het puddinkje met bessensap is het tijd om te gaan.
Aan mijn arm schuifelt mijn moeder op haar kaalgetrapte pantoffels over het tapijt van de grote zaal. Ik hoop maar dat het tapijt geen statische elektriciteit opwekt.

 

0

HET KLASSIEKE HART

Muziek
In het radio 4-programma De Klassieken mag elke week een Bekende Nederlander 5 favoriete muziekfragmenten laten horen. De BN’er vertelt daarbij over zijn leven. Omdat ik geen BN’er ben en de kans daarop met de dag tot nagenoeg 0% daalt, gebruik ik dit weblog om mijn huidige muziekkeuze te laten horen. Mijn stelling hierbij is: wat je in een bepaalde periode mooi vindt, hangt nauw samen met je leven in die fase.
Als kind heb ik thuis veel klassieke muziek gehoord. Of, beter gezegd, moeten horen. Mijn vader was een groot liefhebber. Ik kan niet zeggen, dat ik het mooi vond, al heb ik als kleuter wel eens boven op een stoel gestaan om een vioolromance van Beethoven te dirigeren. Dat leek me een fluitje van een cent, dat dirigeren.
Zo rond mijn 21e werd ik voor de eerste keer echt geraakt door klassieke muziek. Ik volgde met een groep een stottertherapie. We lagen op een dekentje voor een ontspanningsoefening. Ik voelde me geheel vrij van angsten en zo vol zelfvertrouwen, dat ik de hele wereld aan kon. Op dat moment liet de therapeute het Andante horen uit het 12e  pianoconcert van Mozart (KV 414) en belandde ik in een bovenaardse staat van gelukzaligheid.
Klassieke muziek kreeg vanaf toen een plaats in mijn leven, zij het nog aan de rand. Want ik hield vooral van popmuziek.
De volgende doorbraak kwam begin negentiger jaar. We wilden onze zoons van 6 en 8 laten kennismaken met klassieke muziek. Dat had ik dan toch van mijn vader overgenomen. We kochten een abonnement op een kinderserie in muziekcentrum Vredenburg. De kinderen waren na drie concerten wel uitgekeken, maar G en ik hebben sindsdien elk jaar een abonnement op een serie concerten. Ik begon ook thuis naar klassieke muziek te luisteren,  grote werken van 19eeeuwse componisten als Beethoven, Dvorak, Mendelssohn en Brahms. Klassieke muziek was voor mij in die jaren een rustpunt in een druk leven met verantwoordelijkheden. Ik kreeg een voorliefde voor Brahms met zijn afwisseling van donkere en llichte melodieën, zoals hier in het eerste deel van de tweede symfonie.
Daarna raakte ik in de ban van de vocale muziek en van religieuze werken. Ik was lid geworden van het kamerkoor Decibelle. In mijn eerste uitvoering zongen we het Requiem van Michaël Haydn. De schitterende harmonieën galmden nog lang na, niet alleen in de kerk, maar ook in mijn hoofd. Ik kocht cd’s van missen, requiems en oratoria. Gulzig luisterde ik keer op keer naar de op muziek gezette kerkelijke teksten. Zelfs sopraanaria’s, die ik tot dan toe als gegil had bestempeld, begon ik mooi te vinden, met dank aan het Laudamus te uit Mozart’s mis in c mineur.  
Ik heb niets meer met de kerk. Desondanks kan ik van religieuze muziek geen genoeg krijgen.  Het brengt me terug in het veilige, overzichtelijke leven van mijn kindertijd. Bovendien gaan religieuze werken over de wezenlijke zaken in het leven. Over lijden en pijn, maar net zo vaak over troost en aanvaarding.
Ik luisterde al regelmatig barokmuziek, maar in 2013 werd ik echt verliefd op de barok. Ik deed mee aan een een zomerweek. Met een groep goed geschoolde zangers en instrumentalisten zongen we stukken van Händel, Rameau en Lully.  Wat een heerlijk tempo, wat een vrolijke nootjes! Muziek om op te dansen.
In korenland is al enkele jaren 20e eeuwse muzieke van noord-europese componisten, zoals Pärt, Kreek en Nysted populair. Er zijn mooie stukken bij met lang aangehouden noten en met schurende harmonieën die altijd wel weer ergens oplossen in consonante drieklanken. Muziek om te luisteren als je mindfull op je dekentje tussen de waxinekaarsjes ligt. Blijkbaar is dat op dit moment niet zo mijn behoefte. Na een paar stukken verlang ik naar tempo.
Ik ben verder de barok ingedoken, in de laatrenaissance en de vroege barok. Ik kom naast weemoed veel vrolijke muziek tegen, waarin de luit, de theorbe en andere voorlopers van de gitaar een belangrijke rol spelen en waarin oude blaasinstrumenten als de cornetto jazzy improvisaties laten horen.
Het ensemble L’Arpeggiata, onder leiding van Christina Pluhar, heeft er zijn bekendheid mee verdiend. Sommige mensen vinden dit geen klassieke muziek meer.
Vijf muziekfragmenten en niets van Bach, dat kan eigenlijk niet. Die bewaar ik dan voor een volgende keer. Over een tijdje heb ik waarschijnlijk weer andere voorkeuren. De klassieke muziek is een oneindig universum.

 

2

MANNEN LET OP UW SAECK

Herinnering
We zitten met zes jonge mannen in een rommelige studentenkamer. Op een lage houten tafel, voor eeuwig gemerkt met kringen van glazen en schroeivlekken van peuken, staat een pot koffie op een brandend theelichtje. Er ligt een exemplaar van De (Vogel-)Vrije Fietser naast een nummer van het Utrechts Mannenblad. Vanuit de keuken horen we een hoogfrequent metalen tikgeluid. P, onze gastheer, houdt ervan om de warme melk voor de koffie zeer fijn op te kloppen.
‘B is natuurlijk weer eens te laat’, zucht V.
‘Gaan we dat nu een keer aan de orde stellen?’, vraagt F., terwijl hij met zijn tong het vloeipapier van een shagje vochtig maakt.
‘Daar ben ik erg voor’, antwoord ik.
M. kijkt de kring rond en zegt dan met nadruk, alsof hij wil scoren: ‘Het is natuurlijk wel erg mannelijk om elkaar daar zo strikt op aan te spreken’.
Het is eind jaren zeventig. De tweede feministische golf is op zijn hoogtepunt. Dat vrouwen van alles met elkaar delen in vrouwengroepen en vrouwenhuizen roept een reactie op: ook mannen moeten emanciperen. We moeten af van de traditionele rol van de stoere, zelfverzekerde en machtsbeluste man. Mannen moeten hun zachtere kanten ontdekken en onzekerheid durven laten zien.
Er worden op kringlooppapier gestencilde mannenbladen uitgegeven en Man-ifestaties gehouden. Ik draag een button met het ‘mannenteken’, waarbij de fier naar rechts gestoken pijl is omgebogen tot een slap naar beneden hangend pijltje. Ik koop een tuinbroek en versier mijn rechteroor met een lichtblauw knopje. Ik zet regelmatig een breiwerkje op. De aanmelding voor de mannenpraatgroep is een logische volgende stap.
We lezen Het kleine verschil en de grote gevolgen van Alice Schwarzer, interviews met vrouwen die onderdrukt zijn door hun man. We voelen ons erg schuldig. Wij, de mannen, hebben de vrouwen slecht behandeld. Het is tijd om onszelf onder handen nemen.
We lezen verder en ontdekken dat schuldgevoelens de emancipatie in de weg staan. Aan de hand van Angst im Kapitalismus van Dieter Duhm wordt de sosjalisatie van mannen in kapitalistisch perspectief geplaatst. De eis aan mannen om zich altijd sterk en moedig te gedragen heeft een keerzijde in een ‘regressieve behoefte aan koestering’.
Dan merkt iemand in de groep op, dat we mannenemancipatie op een wel erg theoretische manier  bespreken. Dat zoiets typisch mannelijk is.
Dit inzicht zorgt voor een doorbraak. We moeten het over onszelf hebben en over onze gevoelens. Dan pas kunnen we emanciperen.
De volgende avond bespreken we wat we onder emoties verstaan en waar ze vandaan komen. Er worden stellingen geponeerd en intelligente vragen opgeworpen. Dat gaat tot laat in de avond door. Het lijkt af en toe een wedstrijd: wie maakt de meest steekhoudende opmerking? Verspreid over de vloer naast de stoelen staan de lege beugelflessen Grolsch. De asbak zit vol met peuken.
‘We komen niet verder. Ik denk dat we moeten proberen om onze persoonlijke ervaringen aan emoties te koppelen’, stelt P. voor. ‘Laten we uitwisselen, waar we onzeker in zijn’.
De keer daarop praten we alleen nog maar over problemen in relaties. Ruzies over thuis blijven of uitgaan. Mag je twee vriendinnetjes hebben? De verschillen in behoefte aan seks komen aan de orde. Kan je een fikse ruzie oplossen door een vrijpartij? Is masturbatie schadelijk voor een goede relatie?
Om elkaar beter te begrijpen vertelt ieder zijn levensverhaal. We proberen patronen te ontdekken. Het gaat het er steeds therapeutischer aan toe. We ontleden en analyseren de verhoudingen in onze mannengroep.
‘Jij kijkt voortdurend zo afkeurend naar mij, als ik iets vertel’, zeg ik tegen M. vanuit mijn oude rookstoel. Waarop M. antwoordt: ‘Wat zegt dit over jou, dat jij zo op mij reageert? Lijk ik misschien op je vader?’
Wat mij nu terugkijkend opvalt, is dat ik in mijn schriftje van de mannengroep niets tegenkom over concurrentie tussen mannen onderling. Over de wedstrijdjes die mannen met elkaar houden om de meeste aandacht en de meest invloedrijke argumenten. Over de discussies die zij houden om het debat te winnen. Over de geurvlag die mannen neerzetten in een vergadering. Ik maak dit bijna dagelijks mee. Ik ken het van mezelf.
Elke man kan leren om zijn eigen overhemd te strijken. Je gedrag veranderen is een stuk ingewikkelder.