Schrijven, Lezen, Leven.
1

CRISIS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (18)

Op mijn kamer aan de Oude Kamp

Toen eind jaren zestig velen de katholieke kerk verlieten, liep ik mee. Zonder naar links of naar rechts te kijken stak ik vrijwel direct over naar de socialistische kerk. Hoewel er grote verschillen zijn in de leer, zie ik ook veel overeenkomsten: het geloof in een heilstaat, de opoffering die daarvoor nodig is, het uitdragen van het geloof, de strenge regels en de hiërarchische organisatie, het opkomen voor de minder bedeelden, de verering van leiders, de stralende zekerheden die geen twijfels toelaten.
Maar waar het verlaten van de katholieke kerk mij geen enkele moeite had gekost – het geloof was er van bovenaf ingestampt zonder dat ik er zelf verantwoordelijkheid voor hoefde te nemen – leidt mijn breuk met het actiewezen in 1976 tot een existentiële crisis. Ik stop niet alleen met de acties onder de bouwvakkers, maar ook met de al even marxistische studierichting arbeids- en organisatiepsychologie. Het voelt nog steeds als een plicht om iets doen aan het onrecht in de wereld, maar ik weet niet wat en in welk verband. Twee jaar na mijn kandidaatsexamen ben ik opnieuw op een dood spoor beland.
Zoals er in mijn kamer aan de Oude Kamp in Utrecht door de hoge bomen nauwelijks zonlicht binnenkomt, zo donker is het in mijn geest. Ik laaf mij aan treurige muziek van popmuzikanten die lijden aan sehnsucht of weltschmerz. I said hey sister Moonshine, won’t you send me a little sun (Supertramp). Er komen weinig mensen meer langs. Met mijn verhaal kan ik bij niemand terecht. De oude kameraden willen er niets van weten, de weinige vrienden kunnen het zich niet voorstellen.

Tussen mijn groep van het zomerkamp. De tweede begeleider (geheel rechts) is August Willemsen, later bekend geworden als schrijver van het boek Braziliaanse brieven

Via mijn contacten uit de stottertherapie komt er een kans om als begeleider mee te doen in een zomerkamp, waar jonge stotteraars een week lang therapie volgen. Ik grijp die met beide handen aan en beleef een geweldige week als ik merk, dat ik veel voor deze jongens beteken. Ik lees een boek over stotteren, dan nog een, en nog een. In een niet te stoppen honger lees ik zo’n beetje alles wat er over te lezen valt. Ik maak er een scriptie van die in korte tijd in heel Nederland gretig aftrek vindt en mij nog studiepunten oplevert ook. Erkenning en waardering, het is precies wat ik nodig heb.
Bij een cursus gedragstherapie op het instituut voor klinische psychologie is nog een plaatsje open. Iemand zegt: therapietjes doen, dat is toch mensen aanpassen aan de maatschappij, dat biedt toch geen structurele oplossing. Ik ben het met hem eens, toch schrijf ik me in.
Dan ontmoet ik op dit instituut mensen van een projectgroep die iets nieuws begonnen zijn in Nieuwegein. Zij willen niet alleen psychische problemen verhelpen, maar ook verder kijken, naar maatschappelijke achtergronden, zoals woningnood, werkeloosheid, en de socialisatie van mannen en vrouwen. Het persoonlijke is politiek, is het uitgangspunt. Ik voel een enorme opluchting. Dit is wat ik wil. Hier kan ik mijn maatschappelijke opvattingen met mijn persoonlijke ervaringen combineren. De overstap is snel geregeld.

Voor de liefhebber: vóór ik deze serie over Studeren in de jaren ’70 begon, heb ik hier al een keer over de projectgroep Nieuwegein geschreven. Ook een eerdere blog over een mannenpraatgroep is uit deze tijd.

3

RENEGATEN

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (17)

Wat onwennig schuiven enkele mannen het zaaltje van het wijkcentrum binnen, waar wij, vier studentikoze types die de maatschappij willen veranderen, in gespannen afwachting zijn. De buideltjes zware Van Nelle komen op tafel. Een dikke man belandt in een hoestaanval.
‘Dat komt van al die tocht op de bouw’, sneert Eelke, onze aanvoerder.
Al maandenlang proberen we de actiebereidheid onder bouwvakkers te bevorderen. Eindelijk is het ons gelukt om enkelen van hen voor een vergadering te interesseren.

In 1976 staat mijn leven volledig in de actiestand. Op de universiteit doe ik actieonderzoek ten behoeve van de arbeidersbeweging. Als vertegenwoordiger van mijn onderzoeksproject draai ik overuren in discussies over vernieuwingen in het onderwijs en de democratisering van de universiteit. Daarnaast loop ik opruiende krantjes te colporteren op bouwprojecten. Ik ben nauwelijks thuis. Tijd voor vrienden heb ik niet meer.
‘Het gaat om de opbouw van een tegencultuur’, zeiden mijn collega-actievoerders. ‘Daarin hebben we elkaar nodig’. In de uitloop van een actievergadering stond de tafel vol met lege beugelflessen Grolsch, de asbakken puilden uit. Een actievoerster die een dag afwezig was geweest vanwege de  bruiloft van een nichtje werd op het matje geroepen. Dat vond ik overdreven, maar ik hield mijn mond. In mijn hoofd zat het verhaal van een elektricien. Hij zat al maanden in de ziektewet toen wij die week bij hem op bezoek waren.
‘Elke ochtend als ik wakker word verrek ik van de pijn’, zei de man. Hij keek mij doordringend aan: ‘Dat kan jij je niet voorstellen, hoe dat is’.
Ik stond met mijn mond vol tanden. Alle boeken die ik gelezen had over vervreemding in het kapitalisme, het bewustzijn van de arbeider en de wegen naar verandering lieten mij op dat moment in de steek. De man had gelijk. Ik zou elk moment met het krantje kunnen stoppen, voor hem was er geen keus. Ik was bevoorrecht en voelde me schuldig. Moest ik wel doorgaan met dit soort acties, vroeg ik me af.

‘Het waren vakbondslui! Renegaten! Klootzakken!’, briest Eelke als wij na afloop van de vergadering naar een naburig café fietsen.
Op onze actievergadering waren enkele bouwvakkers verschenen, die we nog niet eerder ontmoet hadden. Zij hadden ervoor gepleit om de acties voor verbetering van werkomstandigheden via de vakbond te voeren. Door de wol geverfd als zij waren hadden zij gemakkelijk de andere bouwvakkers weten te overtuigen. Het initiatief was ons uit handen geslagen.
‘De volgende keer moeten we een vergadering geheim houden’, zegt Tom als hij met vier glazen bier tegelijk aan komt lopen. Hij weet er altijd de moed in te houden. Maar ditmaal slaat zijn optimisme niet meer op mij over. Ik voel me klote. Ik ben compleet vastgelopen tussen mijn opvattingen en mijn gevoelens. Als Tammy Wynette’s jankende Stand by your man door het café klinkt, krijg ik een brok in mijn keel. Ik wil weg, neem een haastige laatste slok en zet het glas met de schuimranden nog aan de binnenkant op tafel. Als ik buiten mijn fiets van het slot haal springen de tranen in mijn ogen. Nog voor ik bij mijn kamer ben weet ik het zeker. Ik stop met dit gedoe. Ik word er diep ongelukkig van.

0

EEN ZILVEREN BRUILOFT

Herinnering
  1. Ik was bijna negen jaar oud, toen ik voor het eerst in een café in Vleuten kwam.
    Het was niet zo dat er weinig cafés in Vleuten waren. Wie vijftig jaar geleden buiten de deur wat wilde drinken kon in ons kleine dorp kiezen uit wel vijf cafés. Aan de buitenmuur gaf een emaillen bordje aan wat men mocht schenken: Verlof A, Verlof B of Volledige Vergunning.
    Wij kwamen nooit in een café, oh nee. Cafés waren plaatsen, waar mensen zich bedronken, geld verspilden en vals speelden. Zelfs om een ijsje te kopen hoefde ik het café niet in. Bij Van Berkel, café Het Oude Raadhuis, drukte ik op een bel naast een raam, rechts van de ingang. Al lang voor McDonalds zijn McDrive uitvond, wachtte ik, buiten op de fiets gezeten, mijn bestelling af.
    Toen kwam het moment, dat mijn ome Ries en tante Annie hun zilveren bruiloft vierden. Na de plechtige mis in de St. Willibrorduskerk trok de lange stoet gasten naar Van Berkel. Daar begon, met koffie en taart, het grote consumeren. Terwijl de ooms de hele middag bier dronken en sigaren rookten en de tantes hun advocaatjes en besjes verorberden, speelde de grote schare neefjes en nichtjes verstoppertje.
    De grote attractie voor ons was, dat we onbeperkt ijs mochten eten. Dat was voor mij nauwelijks te bevatten. De vrieskist stond op het toneelpodium achter een gordijn. Ik at die middag welgeteld twee ijsjes. Voor overdaad van welke soort dan ook was ik niet in de wieg gelegd. Ik keek dan ook met verbazing naar alle bier- en jeneverglazen op de tafels.
    Aan het einde van de middag schoof een groot gezelschap aan voor het diner. De wit gedekte tafels waren in U-vorm opgesteld. Serveersters liepen heen en weer met schalen huzarensalade. Naast ons bord lag een bundel met feestliederen.
    Schuin tegenover mij zat een oudtante die voortdurend onrustig om zich heen keek. Hoe langer het diner duurde, hoe schichtiger ze werd. Ik dacht dat het wellicht met de alcohol te maken had. Maar mijn moeder zei me later, dat die tante niet helemaal was zoals een ander. Van dat soort zaken wist ik toen nog niet veel. Ik was voortdurend bang, dat de vrouw plotsklaps zou opstaan en in één keer het witte tafelpapier met glazen en borden met zich mee zou sleuren.

We zongen vele liederen, er werd doorlopend bijgeschonken en er werden leuke stukjes opgevoerd.
Een oom zong het lied van Wilde Johnny. Dat deed ie altijd op familiefeesten. Zoals gewoonlijk raakte hij halverwege zijn tekst kwijt. Op dat moment kwam er een lachje om zijn mond en draaiden zijn ogen naar het plafond, alsof hij hulp van boven verwachtte. De spanning werd opgelost doordat een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Twee vaders van vriendjes werden met het borrelglas in de hand opeens ondeugende grappenmakers. Vrouwen kregen een rood hoofd en de slappe lach. Ik keek af en toe naar mijn vader en moeder. Die lachten mee, dus het mocht. Laat in de avond trok de polonaise tussen de tafels door. Ik liep nog wat onwennig mee.
Tegen half vier in de ochtend liepen we naar huis. Het was in juni, er was nog geen zomertijd, dus het werd al licht. We liepen midden op straat. Dat deden we anders nooit. Om vier uur lag ik op bed. Dat was een flinke verbetering van mijn record laat-naar-bed-gaan.

5

BELCANTO

Muziek

‘Ik ben even zingen in Italië’, was een paar weken geleden de mededeling aan mijn vaste bloglezers. Kan dat niet dichter bij huis, zou je zeggen. Wie meer dan 1000 kilometer rijdt of vliegt, doet dat niet om een lekker galmende douche te hebben.
Italië is bij uitstek het land van het lied, van de zingende gondelier in Venetië, de metselaar die op de steiger Rossini zingt, de keeper van het nationale elftal die het volkslied meebrult. Het is het land van Pavarotti en Maria Callas, het land waar zelfs een Requiem (van Verdi) de kenmerken heeft van een opera.
Waar klinkt het Miserere van Allegri mooier dan in de Sixtijnse kapel? Waar anders dan in de opera van Verona of de Scala van Milaan, springt men klappend en joelend op na een aria van Puccini? Belcanto en Bravo zijn niet voor niets Italiaanse woorden.

Ik volgde, voor de 3e maal in vier jaar, een zangweek in de Italiaanse Alpen, samen met nog 7 andere Nederlanders, de meeste in leeftijd al boven de 60. Ieder zong een solo-aria, een duet en met elkaar zongen we enkele koorstukken. Het thema dit jaar was Barocco Napoletano, muziek van componisten als Pergolesi, Scarlatti en Porpora .
Napels is Italië in het kwadraat, zo leerde ik. De muziek is een en al verliefdheid, smart en wanhoop. Het is theatraal, groots en meeslepend. Zoals er in de jazz een blue note is, zo is er in de Italiaanse muziek ook een verlaagde noot. Die noemt men de Napoletana.
Voor mij was een aria van Pergolesi uitgekozen, de componist die naast zijn wereldberoemde Stabat Mater in zijn korte leven (hij werd slechts 26 jaar) ook een aantal opera’s schreef. ‘Mijn’ aria bezingt het onmetelijke verdriet van een vrouw die haar vader nooit meer zal zien, omdat hij ter dood veroordeeld is.
Eigenlijk ben ik niet van de opera. Ik ben er niet mee opgegroeid en dan mis je iets. De dunne verhaaltjes over verliefdheden, intriges, moordpartijen en verkleedpartijen doen me nog het meest denken aan het Theater van de Lach. En als iemand in een recitatief op een bombastische en onnatuurlijke toon zingt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan denk ik: dat had je toch beter kunnen zeggen.

Aan het einde van de week mochten wij tweemaal onze kunsten vertonen, in twee verschillende parochiekerken. Dat er ook operamuziek klonk in het huis van God, onder de blikken van de stervende Christus aan het kruis en een wenende madonna, was voor de pastoor geen enkel bezwaar. Don Davide is in die regio onze grootste fan. Het toeval wilde, dat ons tweede optreden samenviel met een avondlijke Mariaprocessie. Nadat het beeld van Maria, gevolgd door een schare biddende en zingende mensen, door de straten van Mozzio was gedragen, leidde Don Davide de stoet rechtstreeks naar de San Giacomo voor ons optreden.
Sento un acerbo duolo, ik voel een scherpe pijn, luidde de eerste zin van mijn aria en daarna zwol het verdriet in hevigheid aan. Ik heb me er vol in gestort. Na afloop, op een koorbankje aan de zijkant van het altaar, moest ik er zelf nog even van bijkomen.

0

STEF

Dagelijks

Op een zomeravond, als de achterdeur wijd open staat om wat koele avondlucht binnen te laten, horen wij opeens het geluid van krassende poten op het parket.
Dan zien wij een duif op zijn gemak de voorkamer binnenstappen. Hij draait met zijn kop om ons met een kraaloogje te monsteren. Hij kijkt of hij de lang verwachte gast is, die eindelijk is aangekomen.
Ik hou van vogels, maar niet van duiven. Er zijn er teveel in de stad, ze schijten de boel onder, ze bedelen brutaal als je wat zit te eten en ze maken je aan het schrikken als ze klapwiekend uit het gebladerte opvliegen.
Omdat wij weinig kennis hebben van de motieven en gedragingen van de duivensoort, willen we het beest zo snel mogelijk het huis uit hebben. Hij zou in paniek een vaas bloemen om kunnen gooien of de canapé onder kunnen schijten. Zie dan de schade nog maar eens op iemand te verhalen. We openen daarom de deuren naar de veranda en op zijn gemak – het beest lijkt veel rustiger dan wij – wandelt ie weer naar buiten.
De volgende morgen zit ie op het hek van de veranda met dezelfde blik: ‘Ik ben toch jullie vriend?’
Pas dan zie ik de gekleurde ringen om zijn poten. Het is een postduif die waarschijnlijk de weg is kwijtgeraakt; een jong beest, die te lang achter de vrouwtjes is aangevlogen of een oude duif die gekweld wordt door geheugenstoornissen.
Ik zie dat er cijfers staan op een ring. Voorzichtig kom ik naderbij om het getal te fotograferen. Ik google op ‘postduif gevonden’ en lees op de site van de postduivenvereniging, dat de beste methode is om het beestje in huis te halen en lekker te verwennen, totdat zijn baasje hem komt halen. Het baasje is echter alleen te detecteren als je naast het registratienummer ook over een jaartal beschikt. Dat zie ik nergens.
Een contactpersoon van de vereniging geeft via de mail advies.
‘Geef hem elke dag een handje rijstkorrels en wat water. Dan kan de duif aansterken en op eigen houtje weer naar huis vliegen’.
Na vier dagen is de duif, die wij inmiddels Stef hebben gedoopt, zodanig kind aan huis geworden, dat ik vrees, dat ie voor altijd ons pleegkind zal blijven. Zodra ik me in de tuin vertoon, komt Stef gezellig buurten. Omdat zijn ring is gedraaid is, lukt het me nu om het jaartal te lezen. Door het vindsysteem van de website kom ik op een telefoonnummer in de regio Eindhoven.
Mijnheer Zaadman (!) blijkt een meneer van 80 jaar te zijn die onlangs zijn auto de deur uit heeft gedaan.
‘Ik zou niet weten, meneer, hoe ik ‘em zou moeten halen’.
Als hij mijn aarzelingen hoort, vervolgt hij boos:
‘Wat is dat nou voor moeite om zo’n beest nog een paar dagen wat oud brood te geven!’
Ik stem toe en het lijkt wel of ik buiten blij vleugelgeklepper hoor.
Nog een week lang eet Stef met ons mee. Dan haal ik de voerbakjes binnen.
Na twee dagen zonder eten komt hij nog steeds op bezoek. Als ik die avond in de tuin zit, drentelt hij langdurig om mijn stoel heen en springt op tafel naast mij. Hij gaat nog net niet op schoot zitten.
Daarna hebben we hem niet meer gezien. Stef heeft op zijn eigen manier afscheid genomen.

1

HITTE

Dagelijks

Nu het weer voorbij is, mogen we concluderen, dat we er aardig doorheen zijn gekomen.
Zolang we rustig binnen bleven, de ramen en deuren gesloten en de gordijnen dicht; en zolang we onze bewegingen tot een minimum beperkten, was het uit te houden.
Al snel bij de eerste hittegolf kwam ons crisisteam bij elkaar en stelden we een PHP op (Persoonlijk Hitte Plan).
Een belangrijke maatregel was: in de nacht alle ramen open, overdag alles dicht. Zo slaagden we erin de temperatuur, die we constant monitorden, binnenshuis tot 25 graden te beperken. Dat ging goed, totdat er dagen kwamen dat de thermometer om 23.30 uur nog op 28 graden stond en bij het opstaan om 7.30 uur op 24 graden. De weerlieden spraken over tropische nachten. Dat begrip kreeg opeens hele andere associaties dan palmenstranden, salsamuziek en hete liefdes.
Ik plaatste flesjes met bevroren water voor de ventilator, wat voor een airco-effect zou moeten zorgen, maar in ons geval alleen leidde tot een grote plas water op de slaapkamervloer.
De koelkast, waarvan we de deur regelmatig open lieten staan, was goed gevuld met water en in de kelder hadden we noodbedden geplaatst. Het strijken binnenshuis werd tot nader order niet toegestaan. Ovengerechten waren ten strengste verboden en we stofzuigden alleen het hoognodige, ook omdat de inspanningen begrensd dienden te blijven. Liep ik naar de tweede etage, dan nam ik een pauze op de eerste, een flesje water onder handbereik.
Daar zat ik me dan hoofdschuddend af te vragen hoeveel hittegolven we de komende jaren nog zullen moeten trotseren en me in gedachten te irriteren aan de mensen die de opwarming van de aarde ontkennen. Mocht ik zo’n idioot tegenkomen, dan vrees ik dat ik hem op zijn bek sla.

Onze rhododendron

Aanvankelijk zorgden we in de zwoele avonduren nog voor de planten in de tuin. Maar omdat volgens onze hitte-app het sjouwen met gieters de inspanningsgrens overschreed en de autoriteiten verzochten om geen onnodig water te gebruiken, was er geen andere keuze dan de verdorring maar te accepteren. De varens lagen er na een paar dagen bij alsof er een bom op gevallen was, de rhododendron was een zielig hoopje dor hout. Van een struik van Rhodos had ik overigens meer uithoudingsvermogen verwacht. Waarschijnlijk is hij al teveel geïntegreerd.
Zelf zorgden we er natuurlijk voor, dat we voldoende vocht binnen kregen. Volgens aanwijzingen van het NHP (Nationaal Hitte Plan), controleerden we onze vochthuishouding elke keer aan de kleur van de urine. Dat leverde de nodige discussies op.
Het scheelde, dat we ooit nuttige ervaringen hadden opgedaan in Las Vegas. De 40 graden waar wij daar mee geconfronteerd werden, bracht mij toen op het idee om mijn katoenen hoedje in het vriesvak van onze camper te leggen. Daarna had ik voor tenminste een half uurtje weer een koel hoofd.
Ik moet zeggen: na een aantal dagen begon het te wennen. Zelfs het slapen tijdens de tropische nachten ging me steeds beter af. De belangrijkste leerervaring, zo constateerden we in de evaluatie, is, dat je je moet aanpassen aan de hittegolf. If you can’t beat them, join them. Ik kijk al weer uit naar de volgende.

1

IN DE GEEST VAN LENIN (SLOT)

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (16)

(vervolg op het vorige blog, d.d. 28 juli)

Een winkel in de Sovjet-Unie

In Leningrad sta ik samen met Karin ‘s morgens vroeg in een lange rij. De muren van de winkel zijn wit betegeld. De schappen zijn halfvol. Er staan deegwaren, blikken vlees en vis. In manden liggen kolen, tomaten en eieren. Een vrouw in een witte stofjas rekent af met behulp van een telraam. Ik lees Karin voor wat er op de bordjes staat.
Ik ken het cyrillisch schrift en enkele Russische woorden. Ik heb het boek van John Reed gelezen over de Russische Revolutie. ‘Zonder voorbehoud beveel ik het de arbeiders van de hele wereld aan’, schreef Lenin in het voorwoord. Ik ken een couplet van de Internationale in het Russisch. Steeds vaker ben ik een vraagbaak voor mijn medereizigers.
Weer buitengekomen vertelt Karin in een bijzin over haar vriend die in Nederland gebleven is. Ik wist niet dat zij een vriend had en kan wel door de grond zakken. Ik neem mij voor haar verder te mijden, ik moet mijn hoofd erbij houden. Maar dat lukt van geen kant. We trekken steeds weer naar elkaar toe, als de helften van een magneet. De verliefdheid is niet tegen te houden.
Op een avond met jeugdleden van de communistische partij bevragen Nederlanders en Russen elkaar over werk, vrije tijd en politiek. Na afloop gaan de discussies in onze groep door. Als de Russische onvrijheden worden aangevallen, zeg ik dat het land in opbouw is. De opmerkingen over waardeloze spijkerbroeken en smakeloze cola kan ik tegengaan door de westerse consumptiemaatschappij te hekelen. Maar de vraag, waar ik zelf dan het liefst zou willen wonen, laat ik maar onbeantwoord.

Wachten op de bus. Ik maak een aantekening (uiterst links)

Op de voorlaatste avond gaat onze groep naar een luxe Amerikaanse bar in Leningrad. Ik ga niet mee. ‘Imperialistisch gedoe’, zeg ik tegen Karin. Maar de werkelijke reden is, dat ik met haar in het hotel wil blijven.
Voor het eerst van mijn leven heb ik een eigen hotelkamer. Het voelde de eerste dag als een enorme luxe: rustig op de wc zitten met de deur open. Totdat ik ontdekte dat het wc-papier ontbrak. Toen moest de folder van het Marx-Leninmuseum eraan geloven.
De deur van mijn kamer is nog niet dicht of Karin en ik omhelzen elkaar.
‘In de geest van Lenin’, zeg ik.
‘Genoeg, hou op!’
De tl-buis boven het bed bromt.
‘Of is het afluisterapparatuur?’, vraagt Karin.
Direct na het vrijen barst zij in huilen uit, ze voelt zich schuldig tegenover haar vriend. Bedremmeld probeer ik haar te troosten, terwijl ik me danig zit te verbijten, dat ik op de verkeerde ben gevallen.
De volgende morgen kies ik terneergeslagen een plaats achter in de bus, ver van de anderen. Er volgt een excursie naar een school, waar een leerkracht de zegeningen van de communistische opvoeding roemt. Als in een belendend lokaal iemand ongenadig weemoedig op een accordeon begint te spelen, kan ik wel janken. Maar ’s avonds zeg ik vermoeid tegen Karin: ‘het is jammer, maar we hebben mooie dingen meegemaakt met elkaar’.
‘Walgelijk’, reageert Karin en ze wil weglopen, ‘hou op met die verstandelijke overwegingen. Waar zit je gevoel, man?’
Ik weet niets te zeggen, ik wil alleen maar slapen.

 

0

IN DE GEEST VAN LENIN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (15)

De plannen van de partij – zijn de plannen van het volk

Met een groep Nederlanders ben ik in een bus onderweg naar het Rode Plein in Moskou. ‘Het leninisme is ons vaandel’. ‘De besluiten van het 25e congres worden uitgevoerd’. Het wordt ons vanaf spandoeken duidelijk gemaakt. We rijden te midden van vrachtwagens en bussen uit de vijftiger jaren. Bij een verkeerslicht staat een bus stil, de chauffeur staat gebogen over de geopende motorkap, een emmer water naast zich.
Wij hadden lang moeten wachten op onze bus en toen die er eenmaal was moest er nog een andere chauffeur komen. Op het Rode Plein volgt een nieuwe wachtperiode, ditmaal voor het mausoleum van Lenin. Enkele bouwvakkers stappen van een steiger bij de muur van het Kremlin. Pas op het laatste moment, zie ik dat het vrouwen zijn. Een vrouw in een overall vol met steengruis doet haar handschoenen uit en strijkt een piek haar achter haar oren.
Het is 1976 en ik ben met een groep op reis in de Sovjet-Unie. Na alle negatieve verhalen in Nederland over de vijand achter het IJzeren Gordijn wil ik eens met eigen ogen bekijken hoe men hier het ‘reële socialisme’ vormgeeft. Het is een reis met sociale excursies.

Zo gaan we op bezoek in een kindervakantiekolonie, een erehaag van kinderen in uniform wacht ons op. Onder begeleiding van een tandeloze accordeonist voeren zij liedjes op, gymnastische oefeningen en ballet, alles zeer gedisciplineerd. Na het Ka-ka-lin, ka-ka-la van de Oktoberjeugd is het onze beurt. Wij zingen enkele Nederlandse kinderliedjes. Vooral Mijn tante uit Marokko waarbij de kinderen de bewegingen mee kunnen doen is een groot succes. Pas na twee toegiften mogen we het podium verlaten, waarna een leidster, ‘sprekend in de geest van Lenin, de kindervriend’ ons hartelijk bedankt.
Onze groep bestaat uit enkele links georiënteerde jongeren, naast deelnemers die niet in de politiek geïnteresseerd lijken. Ik kijk de eerste dagen de kat uit de boom en probeer me aardig voor te doen. Ik heb mede ingetekend op de reis om mensen te leren kennen, schrijf ik in mijn vakantiedagboekje; waarna ik mezelf direct corrigeer: ‘Mensen? Meisjes zal je bedoelen, held op sokken, stille bewonderaar, dagdromer’.

Onder luide aanmoedigingen dans ik met een dame op mijn rug

Er staat een feestavond op het programma met de jeugdafdeling van de communistische partij in een textielfabriek. ‘Dus kleed maar je beste kleren aan’, zegt Irina, onze Nederlands sprekende begeleidster. In de kantine worden we aan tafeltjes gezet tezamen met medewerksters uit de fabriek. Het zijn jonge vrouwen met geverfde haren, rode lipstick en vooruit staande borsten. Het hoofd van de afdeling verwelkomt ons met de leuzen van het 25e congres: vrede en solidariteit. Zij eindigt met de aanbeveling om eerst met elkaar kennis te maken. Achterin de kantine zet een jongen Dynamite van Mud op. Helaas spreken de dames aan onze tafel enkel Russisch, zodat we niet veel verder komen dan de uitwisseling van onze namen en woonplaatsen. De Riesling gaat open en er zijn sneetjes met ham en stukjes meloen. Vervolgens ook ijs, morozjenowo zeg ik Swetlana na.
Gelukkig hebben wij nog onze tante uit Marokko, de stoelendans en de zevensprong. De Russische dames zingen een lied, aan het einde waarvan zij ons allemaal bestormen, waarna we ons uit een kluwen van lijven moeten bevrijden. Er wordt nieuwe Riesling gebracht. En wodka. Ondertussen heb ik alleen maar aandacht voor één vrouw uit onze groep, Karin.

(wordt volgende week vervolgd)

0

BIDDEN OP DE TOP

Reizen

Midden in een Noord-Griekse vlakte staan reusachtige, pilaarvormige rotsen. Holen in deze rotsen werden vroeg in de Middeleeuwen gebruikt door kluizenaars. Om zich te beschermen tegen rovers en krijgsheren, klom ene Anasthasiou in de veertiende eeuw met een aantal kornuiten omhoog langs de loodrechte rotswanden. Bovenop de rots bouwde hij een klooster. Het werd een doorslaand succes. Het voorbeeld kreeg grif navolging, zodat er in de 17e eeuw vlak bij elkaar 24 kloosters op de top van een rots gevestigd waren. Dichtbij de hemel en niet gestoord door Servische of Turkse heersers, konden de kloosterlingen hun leven in alle rust aan God wijden. Bijkomend voordeel was, dat ook de belastingambtenaar zich niet aan halsbrekende toeren waagde.
Tegenwoordig zijn er nog 6 kloosters over. Er zijn stenen trappen en loopbruggen aangelegd, zodat de paters niet meer met een net omhoog gehesen hoeven te worden, zoals tot in het begin van de twintigste eeuw gebeurde. De trappen worden vooral gebruikt door toeristen. Op onze rondreis door Noord-Griekenland wilden wij dit werelderfgoed, Meteora, niet missen.

In de 11e eeuw is de verwijdering tussen de westers katholieke kerk van Rome en de oosters katholieke kerk van Constantinopel uitgelopen op een schisma. Officieel had de ruzie iets te maken met de vraag of de Heilige Geest via Jezus spreekt of via God; een onbenullige zaak, waar ik me als niet-gelovige alleen maar over kan verbazen. Hoewel de overeenkomsten in het geloof groot zijn, zien de oosterse kerken er anders uit dan de westerse. Ze zijn veel kleiner en er staat een wand vol iconen voor het altaar.
Als wij hijgend en zwetend opgeklommen zijn naar het klooster van de heilige Nikolaos Anapafsas, komt de geur van wierook ons tegemoet. Uit luidsprekers klinkt eentonig en langdradig gezang van mannen, die nog wel een zanglesje kunnen gebruiken.
De wanden van de kleine kerk zijn beschilderd met bijbelse taferelen en afbeeldingen van heiligen; platte schilderingen met uitdrukkingsloze gezichten, de hersenen op het kale hoofd zijn soms geaccentueerd om de wijsheid te benadrukken. Het zijn veel mannen met baarden, maar hier en daar zijn er geslachtloze wezens die een volwassen uitziend kind op de arm dragen. Er is veel goud wat er blinkt.
Vanuit de koepelplafonds hangt van alles omlaag: koperen en zilveren kandelaars, wierookvaten, lampen, eivormige ballen met kwasten (zoals je die in sommige kermisattracties moet zien te grijpen).
Eén van de kloosters, Roussanou, wordt nu bewoond door nonnen.
‘Daar moeten we eigenlijk ook naar toe’, zegt G en ik vind dat ze gelijk heeft.
Bij de kaartjesverkoop zit een oude non met een streng gezicht. Waarschijnlijk kan ze niet meer anders kijken. Het winkeltje met parafernalia wordt beheerd door een jonge non, ook haar gezicht neigt naar strengheid. Zij zijn gekleed in een lang zwart gewaad. Hun hoofd is, op de mond, neus en ogen na, gewikkeld in een zwart doek. Eerder op straat had ik de nonnen voor moslima’s aangezien.
Er wonen weinig kloosterlingen meer in Meteora. Sommige paters zijn gevlucht naar kloosters op het schiereiland Athos. Niet voor de Turken, maar voor de toeristen.

1

AAN HET PRESPAMEER

Reizen

Op 17 juni ondertekenden de Griekse premier Tsipras en zijn Macedonische collega Zaev een akkoord over een nieuwe naam voor wat nu F.Y.R.O.M. heet: the Former Yugoslavian Republic Of Macedonia. Het land moet voortaan Noord-Macedonië gaan heten. De zon scheen uitbundig toen de handtekeningen werden gezet. Plaats van handeling was het Griekse vissersplaatsje Psarades, gelegen aan het Prespameer, het water dat het drielandenpunt vormt tussen Griekenland, Macedonië en Albanië.
Nog geen tien dagen later lopen G en ik door Psarades. Op wandelvakantie in Noord-Griekenland staat vandaag een tocht naar Kaap Roti aan het Prespameer op het menu. De bergachtige streek met zijn meren heeft alles in zich om toeristen te lokken. Psarades is het paradepaardje van de regio, een ‘authentiek vissersdorpje’ met tal van gezellige visrestaurantjes aan de boulevard.
We zien de reclameborden op de terrassen uitnodigend klaarstaan. Maar vandaag is het stil in Psarades, wat heet: wij zijn de enigen die over de boulevard lopen. De terrassen zijn compleet verlaten. De restauranthouders wachten lijdzaam in de deuropening de eerste klant af. Kinderen zitten met een smartphone verveeld onderuit, een vrouw schilt reuzeaardappelen voor de friet, een straathond loopt met gebogen kop langs de gevels.

Psarades 25 juni j.l.

Ik moet hier aan toevoegen, dat het weer niet meewerkt. Het is hier 14 graden, bijna de helft van wat de temperatuur in het Noordwesten van Europa is. Naast de economie lijkt ook het weer zich ten gunste van het welvarende deel van Europa te keren.
Een nog niet zo lang geleden gebouwd hotel, dat zich majestueus boven het Prespameer verheft, staat leeg. Op de stenen treden naar de ingang groeit onkruid. Bloemen hebben zich in de scheuren van het asfalt genesteld. Een lege koelvitrine staat werkloos op het terras. De schijnwerpers die het gebouw in zijn glorietijd hebben verlicht staan er nog, maar de lampen zijn eruit gesloopt. Blijkbaar konden de leningen niet meer worden afbetaald.
Griekenland was deze week nog een tweede maal in het nieuws. De laatste financiële steunoperatie loopt af, het land kan weer op eigen benen staan, zo wordt geschreven. De revalidatie is echter nog niet afgerond. Boeren rijden rond in vijftiger jaren tractoren, alsof ze nog van de Marshallhulp zijn. We zien opvallend veel brommertjes, terwijl de Griek als het maar even kan in een auto rijdt.

Leegstaand hotel Psarades

‘De Griekse middenklasse is weggevallen’, zegt een hoteleigenaar. Er komen wel weer wat meer buitenlandse toeristen, maar de Grieken zelf hebben te weinig geld om uit te geven. Een andere gesprekspartner zegt, dat de pensioenen en belastingen niet het probleem zijn, maar de werkeloosheid. Wie geen werk heeft, heeft geen geld.
We lopen een leeg restaurantje binnen voor de lunch. De eigenaar veert op en loopt naar de stapel menukaarten om er twee af te pakken. Zijn vrouw verdwijnt naar de keuken om de frituur aan te zetten. Willen we een verse vis uit het meer? En de befaamde reuzebonen, hier in de omgeving gekweekt?
Buiten trekt een windvlaag over het Prespameer. Aalscholvers en pelikanen zijn op zoek naar eten.
Griekenland wankelt moeizaam overeind voor de eerste zelfstandige stappen. Het zal nog jaren duren voor het weer normaal kan lopen. Aan de marathon hoeft het land nog niet te denken.