In Rio de Janeiro loopt een brede ringweg van tweemaal drie banen langs de kust. Onophoudelijk razen hier de auto’s voorbij. Als ik over wil steken moet ik ergerlijk lang wachten op groen licht.
Behalve op zondag. Dan is het verkeer in één richting afgesloten en zijn er drie banen vrij. Van alle kanten komen dan de cariocas, de inwoners van Rio, naar de kustweg om te wandelen, te joggen, te fietsen, te skateboarden, te rolschaatsen. De zondagmiddag is er voor ontspanning en vertier, voor buitenlucht en gezonde beweging. Het is het enige ogenblik waarop de auto plaats moet maken voor fietser en hardloper.

Op zondagmiddag 12 november, 15.30 uur, zit ik in de schaduw van palmbomen aan de ringweg in Copacabana. De weg loopt hier direct langs het strand. De zon schijnt, het is 30 graden, de wind maakt de temperatuur draaglijk. Het is mijn laatste dag in Brazilië, mijn koffer staat al gepakt.
Ik heb net nog een uurtje aan het strand doorgebracht. Braziliaanse families en vriendengroepjes zaten bij elkaar, onder de gehuurde parasol, met de benen op de koelbox, de zonnebril op het hoofd. Wie een baan heeft komt hier op zondagmiddag om uit te puffen en te kletsen. Wie arm is loopt te leuren met zonnebrillen, ijsjes of drankjes. Er werd gevolleybald en gevoetbald. Kleurige vlaggen stonden strak in de wind, fregatvogels draaiden hun rondjes boven het groengrijze water, mensen paradeerden langs de vloedlijn. De firma van siliconen implantaten heeft hier veel afzet gehad, net als de verkopers van fitnessapparatuur.
Ik zat met mijn rugzak vlakbij het water. Da’s wel ongewoon daar, zo’n rugzak. Ik was na drie dagen Rio nog altijd in de oplettende modus, ik ging bijna achteruitlopend het water in om zicht te kunnen houden op dat toonbeeld van bezittingen van een toerist.

Op de boulevard trekt een optocht van bewegende Brazilianen voorbij. Ik heb een boek meegenomen, maar laat dat voorlopig in mijn rugzak. Vanuit een bar aan de rand van het strand klinkt melancholische gitaarmuziek.
Rechts van mij krijgt een tienjarig meisje een paar splinternieuwe rolschaatsen ondergebonden, lichtgroen van kleur met roze randjes. Haar corpulente moeder zit geknield op het asfalt om te helpen. Het kost moeite om de mollige voetjes in de schoenen te persen. Het meisje ondergaat lijdzaam de inspanningen van haar moeder. Ze wil al weg schaatsen als de moeder nog bezig is de hagelwitte veters te strikken. Als het eindelijk zover is, doet zij haar eerste wankele slagen. Daarna schaatst ze zonder omkijken de boulevard af, haar toekomst tegemoet.
Links van mij zit een jonge vrouw op de stoeprand met naast haar een oude vrouw in een rolstoel. Het gerimpelde oude hoofd ligt continu achterover in haar nek, de mond staat een beetje open. Eén oog is dicht, het andere toegeknepen. De wind speelt door haar grijze haren. Haar stramme, gekromde vingers liggen stil op haar bovenbenen. De rolstoel is van het merk Prolife. Ik kan uit haar starre houding niet afleiden of zij geniet. Of dat zij lijdt aan pijn of deprimerende gedachten. De jonge vrouw staat op, ze gaat een stukje lopen.
Donkergekleurde handelaren voeren met bakfietsen en steekkarren nieuwe ladingen drinken en ijs aan. Baders die van het strand komen vegen het zand van hun voeten. De stem van Barry Manilow klinkt in mijn hoofd. Music and passsion are always the fashion at the Copa. Het meisje op de rolschaatsen zie ik nergens meer. De vrouw in de rolstoel komt nog eens langs, nog steeds het hoofd in de nek, de mond open en de ogen bijna gesloten. Ik voel de melancholie. Maar ik weet niet of het om haar is of om mijzelf.
Zondagmiddag Copacabana.