Het korenfestival is afgelopen. Voor tweederde van de zangers van kamerkoor D’Allure begint nu een reis langs een aantal highlights van Zuid-Oost Brazilië.

Een deel van de watervallen van Foz d’Iguazu

We gaan eerst naar de watervallen van Foz d’Iguazu op de grens met Argentinië. Voor deze attractie zijn twee dagen uitgetrokken. Dat leek mij op voorhand wat ruim bedeeld. Bovendien was ik deze zomer in IJsland wat betreft neerstortend water al ruim aan mijn trekken gekomen.
Al dat IJslandse water valt echter in het niet bij Foz d’Iguazu. Bij de eerste aanblik moet ik denken aan de Grand Canyon. Die is ook zo onmetelijk groot en onpeilbaar diep, dat het je voorstellingsvermogen te buiten gaat. We staan hier na een paar dagen van flinke tropische regens. Het waterpeil is hoog, het water is roodgekleurd door het zand dat van de landbouwgronden is meegevoerd, een gevolg van de ontbossing. Zelfs op de middag van ons tweede bezoek kijk ik nog steeds mijn ogen uit. Bij een platform onderaan een waterval loop ik in mijn poncho zo dicht mogelijk naar het vallende water. De verplaatsing van lucht en water op enkele meters van de stortvloed is hier zo krachtig, dat ik het niet langer dan 10 seconden uithoud.
Naast mij staat een groep Zuid-Amerikanen van Indiaanse afkomst. Ze dragen geen regenkleding en worden door en door nat. Bij ieder hangt een beschermend popje om de hals. Minutenlang staan zij met opgeheven armen te zingen, te bidden, te lachen, een monument van drijfnatte gelukzaligheid. Wat een verschil in beleving tussen de Noord-Europeaan, die nadenkt over de gevolgen van de douche en de Zuid-Amerikaan die leeft in het moment.

De volgende halte is Rio de Janeiro, een ville d’allure: bruisend, druk, muzikaal; het New York van het zuidelijk halfrond, afgaand op alle hoogbouw, de rechte stratenplannen en de niet aflatende stroom van gele taxi’s, die zich daardoorheen wurmt.
Bij Rio denk je ook al snel aan de favela’s, hèt beeld van armoede en criminaliteit in de ongelijke en van corruptie doortrokken Braziliaanse samenleving. Het zijn geen krottenwijken die uit plastic en golfplaten zijn opgetrokken, zo zien wij. Het zijn achterstandswijken met oude huizen voor gewone Brazilianen die een baantje hebben in de horeca of als straatveger. De jeugdwerkloosheid is enorm, de drugsproblematiek gigantisch. Rivaliserende drugsbendes hebben het voor het zeggen.
Groot is het contrast met de gouverneur van de staat, die in een van zijn huizen als een Dagobert Duck zoveel bankbiljetten verzameld had, dat men dagen nodig had om de stapels te kunnen tellen. Is de kiem gelegd toen eeuwen geleden de Portugezen hun kerken en paleizen royaal met bladgoud versierden en de Afrikanen als slaven op de kade van Rio werden aangevoerd? Diezelfde kade kan niet als monument hersteld kan worden, omdat de overheid daar geen geld voor schijnt te hebben. De verschillen tussen arm en rijk, het laat mij hier niet los.

De belangrijkste toeristische attracties zijn het bekende Christusbeeld en de Pao de Açucar, een puistige berg aan de kust. Vanaf beide hoogtes heeft men een schitterend uitzicht over de metropool. Wat maakt toch, dat toeristen graag een stad aan hun voeten zien liggen? Alsof de duivel van de commercie zegt: ‘dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt’.
De taxichauffeur die ons erheen brengt, laat bij voortduring een onbegrijpelijke mantra horen: ‘Rio de Janeiro, California, Madrid, Alemana’, gevolgd door een hoge, kirrende lach. Ik voel dat de tijd rijp is om Luna, luna in te zetten, een van de Braziliaanse liederen die wij geleerd hebben. Daarop laat de chauffeur ons meegenieten van foto’s waarop hij met mooie vrouwen de samba danst. Amanha, morgen, zeg ik , dan gaan wij ook de dansvloer op. Met die vrouwen. Waarop de chauffeur weer zijn mantra laat horen.