Kamerkoor D’Allure is een projectkoor voor oudere koorzangers met ervaring en ambitie. Het koor staat onder leiding van dirigent Fokko Oldenhuis. Omdat deze in zijn jeugd in Brazilië heeft gewoond en daar nog contacten heeft, ontstond de mogelijkheid om deel te nemen aan het korenfestival in Londrina, in het zuiden van Brazilië. Daar hadden we wel oren naar. En we kunnen onze eigen tijd indelen. Zodoende checken we, ingeënt en met een goed gevulde reisapotheek, op 28 oktober in voor een vlucht naar Sao Paolo.

We worden ontvangen als sterren. De kosten van het verblijf worden voor ons betaald. Dagelijks staat een bus met chauffeur en gidsen ter beschikking voor fraaie excursies. Halverwege de week worden we in de watten gelegd als het zwembad van de Banco do Brasil exclusief voor ons ter beschikking staat.
Aan ons is bovendien de eer om het festival op dinsdagavond te openen. Ons optreden is niet perfect, maar er wordt luid gejuicht. Wat van ver komt moet goed zijn. Het kan ook zijn, dat het publiek weet, dat wij niet meer zo goed kunnen horen. Als wij het optreden eindigen met een liefdeslied in verstaanbaar Portugees, ontstaan er stadiontaferelen. In een gangpad juicht een aantal toehoorders met de Nederlandse vlag.

Tijdens de week treden wij diverse keren op voor sponsoren van het festival. Waar wij optreden zijn er camera’s van televisiestations aanwezig om die zangers uit dat verre Nederland in beeld te brengen. Dat ik dit mag meemaken, gaat er voortdurend door mij heen. Zo zingen we volksliedjes van de Zweedse componist Petterson-Berger in een bankgebouw, nadat we eerst door gewapende bewakers via een veiligheidspoort zijn gescand. Onderwijl wacht de cliëntèle voor de loketten lijdzaam de beurt af.

Bij Scania Vabis mogen we zonder inzingen en op onze nuchtere maag het ontbijt van de medewerkers opvrolijken. De monteurs die dagelijks onder de motoren van de vrachtwagens liggen blijken het Gloria van Nystedt te waarderen. Elke dag zit weer vol verrassingen, genoeg om evenzovele blogs mee te vullen.
Vijf avonden lang zien we in het stadstheater een bonte rij van Braziliaanse koren langskomen: kinderen uit een tehuis, zacht zingende dames van Japanse origine, kerkkoren toegejuicht door nonnen in de zaal, leraren uit het particulier onderwijs, personeel van de sportclub van de Banco do Brasil, presbyterianen die met een keiharde beat hun gospels uitventen. Een gebrek aan kwaliteit wordt gecompenseerd door een grote inzet, swingende pasjes of een kleurige uitmonstering, zoals de vogels in het regenwoud. En alles uit het hoofd gezongen. De optredens worden becommentarieerd door een aan zijn stoel gekluisterde oudere man, een stijve imitatie van de presentator van darts-wedstrijden (‘one-hundred-and-eighty!’). In de pauze is er een loterij. Zo wint een van ons een pakket met schuurlapjes, knijpers en iets wat op bronwater lijkt, maar bij de eerste slok een schoonmaakmiddel blijkt te zijn.

Tijdens een invalbeurt op vrijdagavond valt alles voor ons op zijn plek. We krijgen de zaal muisstil, wat hier een grote uitzondering is. Na afloop rijdt onze bus naar een bar voor een caipirinha, de nationale cocktail die zo heerlijk wegdrinkt maar lekker aankomt. Men wil ons een Braziliaans maal voorschotelen, maar als niemand zo laat op de avond zin heeft in rijst en bonen, stuurt de kok als alternatief de ene na de andere schaal met hapjes langs.
Het blijkt een opmaat voor het slotfeest van het festival, dat aan het einde van de zaterdagavond losbarst. Er is weer veel te eten en juist als ik heerlijk dansend aan mijn tweede jeugd begonnen ben, zie ik tot mijn ontzetting dat onze bus om 1 uur gaat vertrekken.
Tja, dat is waar ook, we zijn een koor van ouderen.