‘Ik ben even zingen in Italië’, was een paar weken geleden de mededeling aan mijn vaste bloglezers. Kan dat niet dichter bij huis, zou je zeggen. Wie meer dan 1000 kilometer rijdt of vliegt, doet dat niet om een lekker galmende douche te hebben.
Italië is bij uitstek het land van het lied, van de zingende gondelier in Venetië, de metselaar die op de steiger Rossini zingt, de keeper van het nationale elftal die het volkslied meebrult. Het is het land van Pavarotti en Maria Callas, het land waar zelfs een Requiem (van Verdi) de kenmerken heeft van een opera.
Waar klinkt het Miserere van Allegri mooier dan in de Sixtijnse kapel? Waar anders dan in de opera van Verona of de Scala van Milaan, springt men klappend en joelend op na een aria van Puccini? Belcanto en Bravo zijn niet voor niets Italiaanse woorden.

Ik volgde, voor de 3e maal in vier jaar, een zangweek in de Italiaanse Alpen, samen met nog 7 andere Nederlanders, de meeste in leeftijd al boven de 60. Ieder zong een solo-aria, een duet en met elkaar zongen we enkele koorstukken. Het thema dit jaar was Barocco Napoletano, muziek van componisten als Pergolesi, Scarlatti en Porpora .
Napels is Italië in het kwadraat, zo leerde ik. De muziek is een en al verliefdheid, smart en wanhoop. Het is theatraal, groots en meeslepend. Zoals er in de jazz een blue note is, zo is er in de Italiaanse muziek ook een verlaagde noot. Die noemt men de Napoletana.
Voor mij was een aria van Pergolesi uitgekozen, de componist die naast zijn wereldberoemde Stabat Mater in zijn korte leven (hij werd slechts 26 jaar) ook een aantal opera’s schreef. ‘Mijn’ aria bezingt het onmetelijke verdriet van een vrouw die haar vader nooit meer zal zien, omdat hij ter dood veroordeeld is.
Eigenlijk ben ik niet van de opera. Ik ben er niet mee opgegroeid en dan mis je iets. De dunne verhaaltjes over verliefdheden, intriges, moordpartijen en verkleedpartijen doen me nog het meest denken aan het Theater van de Lach. En als iemand in een recitatief op een bombastische en onnatuurlijke toon zingt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan denk ik: dat had je toch beter kunnen zeggen.

Aan het einde van de week mochten wij tweemaal onze kunsten vertonen, in twee verschillende parochiekerken. Dat er ook operamuziek klonk in het huis van God, onder de blikken van de stervende Christus aan het kruis en een wenende madonna, was voor de pastoor geen enkel bezwaar. Don Davide is in die regio onze grootste fan. Het toeval wilde, dat ons tweede optreden samenviel met een avondlijke Mariaprocessie. Nadat het beeld van Maria, gevolgd door een schare biddende en zingende mensen, door de straten van Mozzio was gedragen, leidde Don Davide de stoet rechtstreeks naar de San Giacomo voor ons optreden.
Sento un acerbo duolo, ik voel een scherpe pijn, luidde de eerste zin van mijn aria en daarna zwol het verdriet in hevigheid aan. Ik heb me er vol in gestort. Na afloop, op een koorbankje aan de zijkant van het altaar, moest ik er zelf nog even van bijkomen.