De beschikking van de Raad van Beroep d.d. 16 september 1974 eindigt met:
“RECHT DOENDE IN NAAM DER KONINGIN!
Verklaart het door opposant gedane verzet niet-ontvankelijk”.
De opposant was ik en mijn verzet gold de beslissing van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid om de ziektewetuitkering te beëindigen.
Ik werkte vanaf september 1973 als leerling-timmerman in de werkplaats van aannemer Versteegen. Ik had mijn studie psychologie onderbroken omdat ik iets met mijn handen wilde doen en omdat ik vanuit politieke idealen wilde weten hoe het leven van een arbeider eruit zag.
Op dinsdag 5 maart 1974 moest ik twee vrachtwagens lossen. Ik reikte de platen multiplex hoog boven mijn hoofd aan aan Kees, die ze op de halfopen zolder boven de werkplaats opstapelde. Na een half jaar timmeren waren mijn studentenspiertjes behoorlijk getraind, maar tegen zoveel tilwerk bleek mijn rug niet bestand. Ik kon de volgende ochtend geen kant meer op en meldde mij ziek.
Na een week kwam ik bij de controlearts. Die ging er kennelijk van uit, dat elke klacht gesimuleerd was, tenzij je het tegendeel kon bewijzen. Dat lukte mij niet en dus werd ik weer aan het werk gestuurd. Omdat zelfs het optillen van een kop thee pijnlijk was, bleef ik nog een weekje thuis. Daarna meldde ik mij weer op het werk. Toen men mij moeizaam het hout tussen de schaafbank door zag schuiven, was het advies: ‘Ga jij maar weer naar huis, jochie’.
Dat ik geen ziekengeld ontving, vond ik niet het ergste. Maar ik was woest op de keuringsarts vanwege zijn gebrekkig onderzoek. Strijdbaar als ik in die dagen was wendde ik mij tot de juridische afdeling van het NVV, mijn vakbond.
De ontvangst was koel. Men was nog niet geheel ingesteld op studentikoze types die uit vrije wil bouwvakker waren geworden. De adviseur keek me afstandelijk aan en stelde dezelfde wantrouwige vragen als de controlearts. Alsof hij me een gunst verleende zei hij tenslotte afgemeten dat hij aan het Sociaal Fonds een voor beroep vatbare beslissing zou aanvragen.
Half mei diende ik ‘persoonlijk’ te verschijnen om precies 15.00 uur namiddag bij P.H. van Setten, orthopedisch chirurg’. Mijn klachten waren op dat moment nagenoeg verdwenen. De specialist stond daarom voor de moeilijke taak om te beoordelen of ik twee maanden eerder arbeidsgeschikt was geweest.
Het zat mij niet mee met de instanties die ik op mijn tocht naar rechtvaardigheid tegenkwam. Ik schreef later, dat ‘de deskundige P.H. van Setten de klager meermalen onderbrak en niet uit liet spreken’. Ik was derhalve ‘niet in de gelegenheid geweest om mijn bezwaren mondeling toe te lichten’, zoals de beschikking vermeldde.
In het medisch rapport wordt gesproken over spierhypertonieën, periostalgieën, geringe scoliose en lordose zonder degeneraties en matige pedes plano valgi. Daarnaast staat vermeld, dat ‘getroffene op slechte klompschoentjes liep’.
Op 21 mei nam de Raad zonder slag of stoot de conclusie van de orthopeed over dat ik op 18 maart in staat was geweest om mijn werk te verrichten. Mijn gemachtigde bij de vakbond stelde mij op de hoogte. Desgevraagd liet een assistent weten ‘geen enkele mogelijkheid te zien om in verzet te gaan’. Maar als ik dat echt zo graag wilde, stond het mij natuurlijk vrij om zelf beroep aan te tekenen.
Tot dan toe had ik mijn gang langs de instanties nog kunnen zien als een aardig spel. De botte weigeringen om naar mij te luisteren en de gemakzuchtige oordelen brachten op dat moment in mij een donquichot-achtige verbetenheid naar boven. De rechtvaardigheid moest zegevieren. De bond had ik niet meer nodig. Ik tekende zelf beroep aan en vroeg om ‘de zaak ter zitting te behandelen’.
Mijn voorbereiding was uiterst degelijk. Op alle onderdelen had ik een steekhoudend verhaal. Ik had de huisarts aan mijn zijde. Kortom, ze zouden van goeden huize moeten komen om mijn argumenten van tafel te vegen.
Strijdvaardig parkeerde ik mijn fiets voor het gebouw van de Raad. Ik werd binnengelaten in een zaaltje. Achter een hoge balie zaten drie heren in toga. Eenzaam tussen de vele lege stoelen hield ik mijn betoog. Ik kreeg ditmaal ruim de tijd om mijn bezwaren toe te lichten. De blikken van de raadsheren varieerden van lichtelijk geamuseerd tot bewonderend.
Direct na afloop hoorde ik dat mijn verzet niet-ontvankelijk was, louter en alleen omdat ik niet binnen de gestelde veertien dagen beroep had aangetekend.
De vakbond had mij pas na vier weken op de hoogte gebracht.
Nu begreep ik waarom de bond geen enkele mogelijkheid meer zag.
Het is nog een wonder, dat ik mijn hele werkende leven lid ben gebleven van de vakbond.